Polarisatie als probleem, onrecht als bijzaak

Foto: WenPhotos on Pixabay

Er bestaat een heel genre aan schrijfsels waarin polarisatie wordt behandeld als een probleem van toon, empathie en sociale omgangsvormen. De conflicten zelf verdwijnen daarin naar de achtergrond. Deze column is daar een goed voorbeeld van. Het stuk presenteert zichzelf als een pleidooi voor nuance en het hervinden van ‘het echte gesprek’, maar schuift daardoor al snel van inhoud naar omgangsvormen, alsof maatschappelijke tegenstellingen vooral ontstaan doordat mensen niet aardig genoeg met elkaar praten.

Dat begint al in de openingsscène. De zoon die over Gaza begint wordt neergezet als emotioneel, absolutistisch en sociaal agressief: “Het zijn gewoon de feiten, en wie dat niet wil zien, die bestaat voor mij niet.” Opvallend genoeg is dat soort taal, en vooral dat dramatische “bestaat niet voor mij”, een positie die ik buiten columns als deze eigenlijk nooit tegenkom. Het voelt vooral toegevoegd om het standpunt radicaler en onredelijker te laten klinken. Daar tegenover staat een uitspraak die inmiddels juist overal te horen is: “Begin bij 7 oktober. Jullie laten je inpakken door Hamas-fakenieuws.” Toch behandelt de column beide reacties als equivalent bewijs van ontsporende polarisatie. Daarna positioneert de auteur zichzelf erboven, als degene die ziet hoe “beide kanten” ontsporen en reflecteert op zichzelf. Dat is een bekende journalistieke reflex: het redelijke midden claimen. Alleen is dat midden zelden neutraal.

De kern van het stuk zit in de zin: “Het probleem is niet dat we het oneens zijn, maar dat we ons oordeel niet uitstellen.” Dat klinkt verstandig, tegelijk verschuift het debat daarmee van inhoud naar omgangsvormen. De vraag of er daadwerkelijk sprake is van grootschalig en structureel geweld in Gaza raakt ondergeschikt aan de vraag hoe mensen daar tijdens een diner over praten. Is ‘je oordeel uitstellen’ in zo’n kwestie (of als het gaat om klimaatopwarming) wel zo wenselijk?

Want hier sluipt false balance binnen. De column behandelt het conflict vooral als voorbeeld van “polarisatie”, van “kampen”, van “loopgraven waar verschillen worden uitvergroot”. Machtsverhoudingen verdwijnen daarmee naar de achtergrond. Een demonstrant die genocide roept en een staat die een gebied bombardeert worden impliciet onderdeel van hetzelfde probleem: de verhitte sfeer. Dat is een vorm van morele nivellering.

Bovendien doet de column alsof polarisatie symmetrisch uit de samenleving opborrelt, terwijl onderzoek juist laat zien dat georganiseerde radicalisering, complotvorming en desinformatiecampagnes sterk asymmetrisch opereren. De algoritmische ecosystemen rond extreemrechts, anti-migratiebewegingen, antivaxgroepen en reactionaire influencers zijn geen spiegelbeeld van “beide kanten”, maar vormen een grotendeels rechtse infrastructuur van radicalisering en desinformatie. Ook de voorbeelden die de column zelf noemt, van de Defend-vlag in kinderhanden bij een azc-protest tot de manosfeer, wijzen vrijwel uitsluitend in die richting. Er bestaan geen grootschalige algoritmische campagnes die mensen massaal richting ecosocialisme of vakbondspolitiek duwen. Toch trekt de auteur uit zijn eigen voorbeelden geen conclusie en lost alles weer op in een algemeen verhaal over “kampen” die elkaar niet begrijpen.

Dit soort centristische reflexen functioneren vaak niet als neutrale scheidsrechter, maar als stabilisator van de status quo. Zodra één partij veel meer macht heeft dan de andere, wordt “laten we het gesprek rustig houden” een manier om de bestaande verhoudingen acceptabel te houden. Wie te fel ageerde tegen apartheid, kolonialisme of structureel racisme kreeg datzelfde verwijt te polariseren. Achteraf blijkt die zogenaamd neutrale positie opvallend vaak vooral bezig geweest met vertragen.

Het voorbeeld van Donald Pols illustreert dat patroon. Pols stapte over van Milieudefensie naar Tata Steel, een overstap die vanzelfsprekend inhoudelijke vragen oproept over belangen, geloofwaardigheid en de rol van activisten binnen vervuilende industrieën. De auteur noemt de reacties vervolgens vooral “oorlogstaal” en wijst op termen als “NSB’er” en “Judas”. Terecht, want dat soort retoriek helpt weinig. Tegelijk slaat de suggestie dat het conflict vooral over toon en polarisatie zou gaan het hele issue plat. Daarmee raakt de inhoudelijke kritiek opnieuw uit beeld. Milieubewegingen hebben decennialang gezien hoe bedrijven kritiek absorberen, groene taal overnemen en ondertussen fundamenteel weinig veranderen. Dat wantrouwen komt ergens vandaan. Door vooral de felheid centraal te stellen, ontstaat opnieuw het frame dat “de polarisatie” het echte probleem vormt.

Opvallend is ook de abstractie van het kwaad in de slotfase. “Het ware kwaad kijkt verlekkerd toe.” Maar welk kwaad precies? Staatsgeweld? Nationalisme? De bombardementen? Dehumanisering? Dat blijft vaag. Alles lost op in “algoritmen”, “kampen” en “de meningenarena”. Daardoor hoeft de schrijver minder expliciet positie te kiezen tegenover de politieke realiteit die die emoties veroorzaakt.

Wat wel overeind blijft is dat mensen elkaar tegenwoordig sneller reduceren tot karikaturen. Alleen behandelt het stuk conflict vervolgens vooral als iets dat opgelost moet worden, in plaats van serieus te onderzoeken of dat conflict voortkomt uit een valide morele tegenstelling. Soms is polarisatie geen ontsporing van het debat, maar een symptoom van een werkelijkheid die moreel en politiek onhoudbaar is geworden.

Dat maakt het Israël-voorbeeld zo wrang. De standpunten die tegenover elkaar worden gezet zijn helemaal niet equivalent. Er is ook geen morele symmetrie tussen klimaatontkenning en het benoemen van klimaatverandering, tussen racisme en anti-racisme, of tussen genocide-ontkenning en verzet daartegen. Je hoeft die ideeën niet eindeloos als legitieme gesprekspartner te behandelen om de sfeer aan tafel prettig te houden. Op het moment dat zulke ideeën salonfähig blijven omdat niemand de confrontatie aan wil gaan, schuift de politieke consensus vanzelf verder naar rechts.

Daar komt een praktisch probleem bij. Het debat is asymmetrisch. Wie onzin produceert hoeft alleen maar steeds nieuwe claims over de schutting te gooien, terwijl de ander iedere losse claim moet ontleden en weerleggen. Dat mechanisme staat bekend als het bullshit asymmetry principle, versterkt door de gish gallop: een eindeloze lawine van halve waarheden en verdraaiingen die onmogelijk in realtime te ontkrachten zijn.

Het idee dat dit opgelost kan worden met meer empathie en rustiger praten aan de keukentafel is daarom naïef. Het probleem is niet een gebrek aan begrip, maar een informatie-ecosysteem dat systematisch leugens, radicalisering en reactionaire politiek beloont. Ook aan de keukentafel.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren

*
*
*