De Wet Bibob: het bestuur als rupsje nooitgenoeg
De nieuwe wet bibob is zo ruim geformuleerd dat je zelfs bij de aanvraag van een kapvergunning gescreend zou kunnen worden, constateert Albertjan Tollenaar, docent bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Op 20 maart jongstleden is heeft de Tweede Kamer de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob aangenomen. De wet maakt een eind aan enkele weeffouten in de Wet Bibob, zoals de rare beperking van het inzagerecht van de aanvragers die geconfronteerd worden met een hen onwelgevallig Bibob-advies en de wat onthande positie van de bezwaarcommissie die ook inzage kan krijgen in het Bibob-advies. Bovendien komt de burgemeester beter beslagen ten ijs, doordat hij het Bibob-advies kan bespreken in de driehoek en dus kan verifiëren of het beeld dat het Landelijk Bureau Bibob schetst, overeenkomt met het beeld dat de Officier van Justitie en politiechef hebben.
De parlementaire behandeling ging vrij rimpelloos. Dat zal ermee te maken hebben dat het kabinet het aanvankelijke wetsvoorstel, met vergaande bevoegdheden voor de burgemeester, aanmerkelijk afzwakte en eigenlijk alleen zaken regelt waarover wel consensus bestaat, al was het maar omdat de rechtspositie van de betrokken burger enigszins verbetert en wordt voorzien in wat meer kwaliteitswaarborgen.
Op één punt gaat de Tweede Kamer echter verder dan het oorspronkelijke wetsvoorstel. Door het aannemen van het amendement van Çörüz (CDA) en Hennis-Plasschaert (VVD) komt de huidige beperking dat de gemeentelijke vergunning die onder de Bibob valt, betrekking moet hebben op een bedrijf of inrichting voor zover deze bij het op grond van het tweede lid van dat artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur is aangewezen, komt te vervallen. Het eerste lid van artikel 7 komt derhalve als volgt te luiden: