Meer hulp aan Chinese armen?
Waarin de auteur het dilemma van de toekomst van ontwikkelingssamenwerking schetst.
De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) vindt dat ontwikkelingshulp anders moet, omdat armoede zich heeft verplaatst. Rond 1990 leefde 7% van ’s werelds armen in middeninkomenslanden, nu ligt dat rond de driekwart. Dit komt met name door China en India. Deze verschuiving biedt een dilemma: richt je je met ontwikkelingshulp op landen waar 50% onder de $1.25-grens leeft (Sub-Sahara Afrika) of op landen waar dat ongeveer 30% (India) of 15% is (China), maar waar de absolute aantallen armen zo veel groter zijn?
De AIV vindt in ieder geval dat “een arm gezin in een middeninkomensland […] evenzeer onze aandacht verdient als een gezin in een laag inkomensland.” Maar uit een Eurobarometer (p.22) die toevallig ook net uit is, blijkt dat de rest van Nederland – en van Europa – daar heel anders over denkt.
55% van alle Europeanen vindt dat ‘emerging economies’ die snel groeien (zoals India, China en Brazilië) geen hulp meer mogen krijgen. In Nederland is dat zelfs 71%. Nederlanders vinden sowieso dat het best wat minder mag met ontwikkelingssamenwerking, (hoewel het de vraag is waar ze dat op baseren).
Wat dit voor het AIV-advies betekent is niet meteen duidelijk. De “aandacht” die Nederland volgens de AIV aan het Chinese gezin moet besteden, lijkt vooral een dialoog met de regering en maatschappelijke organisaties te zijn, zodat de Chinezen zelf iets aan de inkomensongelijkheid, het bestaansminimum, mensenrechten en milieu gaan doen. Het blijft in het midden of dat Nederland veel geld zou moeten gaan kosten, en of dat van de middelen voor Afrikaanse landen af gaat.


