Post-atheïst | De god van de gaten
COLUMN - In de achttiende eeuw stelden geleerden voor het eerst de vraag waar religie vandaan kwam. Ze opperden dat het iets te maken had met angst voor onbegrepen natuurkrachten. Voor die theorie konden ze teruggrijpen op het oude Griekenland, waar Zeus de dondergod was, Demeter de kiemkracht vertegenwoordigde en Poseidon werd geacht aardbevingen te veroorzaken. Wetenschappers hebben sindsdien uiteraard ontdekt dat bliksem, vruchtbaarheid en aardbevingen natuurlijke oorzaken hadden.
Er bleven echter voldoende onverklaarde zaken over en menig gelovige greep die aan als argument dat God toch bestond. De negentiende eeuw zag zo een leuk debat tussen enerzijds conservatieve gelovigen, die de aandacht vestigden op zaken die de wetenschap niet kon verklaren – zoals de genezingen in Lourdes – en die dan het bestaan van een welwillende godheid moesten bewijzen, en anderzijds wetenschappers die deze mysteriën een voor een toch verklaarden. Zeker nadat Darwin de evolutieleer had geformuleerd, was Gods bestaan een hypothese waaraan men weinig behoefte meer had.
Rond 1900 wezen sommige theologen op het schrale Godsbeeld achter deze discussie. Wie werkelijk meende dat God de wereld stuurde met een wonder links of een natuurkracht rechts, reduceerde Hem naar de laatste gaten in de wetenschappelijke kennis. Met hun waarschuwing tegen de ‘God van de gaten’ spoorden de theologen de mensen aan de moderne wetenschap te aanvaarden en religie te gebruiken als basis voor een humane ethiek.

