Ben Hoogeboom

71 Artikelen
117 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)

Protest!

Iedere zetter weet dat je schreefloze letters en schreefletters hebt. En dat schreefletters het best lezen, niet voor niets hebben alle kranten op deze wereld schreefletters. Daar experimenteren ze ook niet mee (behalve Trouw, geloof ik). New York Times, Washington Post, Telegraaf, NRC, Volkskrant: schreefletters. Tijdschriften: idem dito. Wil je gelezen worden, dan gebruik je schreefletters. Punt uit.

Het vreemde is dat op het internet, naar mijn schatting, ongeveer de helft van de sites in schreefloze letters verschijnt. Rare ontwikkeling, en ook een verkeerde.

Ik wil hiertegen strijden. U zult misschien zeggen: jij bent maar een ouderwetse zetter. Dat bén ik, een ouderwetse vakman. Die het net zo belachlijk vindt om in de jaren zestig nog een gedicht geheel in onderkast en zonder interpunctie te zetten (precíes zoals ze het in de jaren twintig nog zo geheel modern  deden – maar dat was iedereen al vergeten).

Dus. Opmaakredactie van Sargasso. Komt terug van uw dwaalwegen. Zeker van uw dwaalwegen met déze afschuwelijke letter met zijn veel te kleine o’s, a’s, s’en en zijn idiote letter t. Als u dan al een schreefloze letter wilt gebruiken, gebruik dan de Arial of de Verdana. Alstublieft. Voor de estheten onder uw lezers.

Schulhoff, Skorik

Nadat er eergisteren weer een stukje de mist inging (u moet vooral de eerste tien stompzinnige commentaren erbij lezen. Altijd leuk, maar niet heus. Men kent zijn literatuur eenvoudig niet, men heeft geen idee. Het is een barbarij waarin je, maar laat ons maar verdergaan) na dit zondagse festijn van humorloze opgeblazenheid en onbelezenheid (dat gaat meestal samen. Meestal valt het zeer mee in Sargasso, maar soms komen er oerkrachten los in de commentaren. ‘How dreadful they are!’ zei Stephen Fry erover) wil ik u bekend maken, als dat al nodig is, met de muziek van twee componisten wier namen ik een week geleden nog niet kende.

De eerste is Erwin Schulhoff (1894-1942), een Joods-Duitse Tsjech die niets moest hebben van de nazi’s, maar daarentegen veel voelde voor de communisten. Hij heeft een stuk voor bariton en piano geschreven dat Het communistisch manifest heet, en in 1941 keurde Moskou zijn aanvraag om naturalisatie goed, maar de nazi’s pakten hem op en stuurden hem naar het concentratiekamp Wülzburg, waar hij een jaar later stierf aan tbc.

Zo kwam ik niet aan zijn naam. Ik had ergens gelezen van zijn Sonata Erotica uit 1919 (‘waarin een sopraan enkele minuten lang een zorgvuldig genoteerd orgasme faket’) en ik moest meteen denken aan Dada, aan de tomeloze vrijheid in die kringen, en ook aan diezelfde vrijheid die er zo’n vijftig jaar later bij ons ging heersen. Schulhoff hield ook van jazz, van ragtime etc., zoals uit deze Suite dansante en jazz uit 1931 blijkt. Maar zijn mooiste werk (op piano) is, vind ik, toch wel deze Pianosonate no. 1 uit 1924, gespeeld door Kathryn Stott.

Nieuwe gevaren

‘We worden OMRINGD door de grootste verschrikkingen uit onze historie! Tweede Wereldoorlog? Ha! Nee jongen, we krijgen het vanuit het noorden, het westen en het zuidoosten, en we kunnen ons niet verdedigen. De Europese Unie, die zo goed was begonnen, weet je dat nog? Prachtige tijd was dat. Geweldig! Ik weet nog dat premier Spaak daar rondliep en de hele boel regelde, maar meneer Spaak kon ook niet weten wat ons nu te wachten staat.

Ik had natuurlijk een Anti Eruptie Partij moeten oprichten, met als verkiezingsslogan: ‘Wacht u, heren!’ Maar daar is het, ook door drukke werkzaamheden aan mijn balkon, niet van gekomen. En trouwens, wie van de concurrerende lijsttrekkers, zoals Diederik Samsom – waarom heet hij niet gewoon Samson? – of Mark Wilders of Jolande Sapsop of Geert Rutte, zou je daarmee overtuigen? Ze hebben allemaal GEEN IDEE. Een beetje knoeien aan de pensioenen en aan de AOW-leeftijd, meer kunnen ze niet, want ze weten niet wat er aan zit te komen. En dat weet MEVROUW MERKEL ook niet! Keine Ahnung heeft ze van de ijzingwekkende omstandigheden.

Ik heb het niet over Griekenland, Italië, Spanje, Portugal, Ierland, Frankrijk, Cyprus, Slovenië, Hongarije, Roemenië en noem de hele rest maar op, financieel. Ik heb het, MENSEN!, over de toekomst van ons allemaal, Europeanen. En ook de DIEREN zullen niet ontkomen, mevrouw Thieme! Ik begrijp dat u uw interruptie al wilde plaatsen, dat is niet nodig. We gaan er met z’n allen aan. Punt.

Alexander Tutunov

Wanneer de pianist Alexander Tutunov geboren is, ik zou het niet weten. Ik schat zo’n 40 jaar geleden. Waar hij precies geboren is, weet ik ook niet. Het moet wel in Wit-Rusland zijn geweest. Veel meer kan ook zijn biografie ons niet vertellen, ja, dat hij tegenwoordig in Oregon (V.S.) zetelt. Komt hij uit een muzikaal milieu, was zijn vader bijvoorbeeld cellist, zijn moeder pianiste? Is hij getrouwd, zijn er al kleine Tutunovjes, of hoe zit dat? Vragen te over dus, waarop Google de antwoorden ook niet heeft. Of ik moet slecht gezocht hebben, dat kan natuurlijk altijd, want ik ben een lui mens.

Schakelen we door naar Tutunovs repertoire, dan vragen wij ons ook verschillende dingen af. Van Scarlatti heeft hij enkele, niet genoemde, sonates op zijn repertoire staan. Is daar ook K.141 bij, zijn mooiste sonate? Een groot Bach-vertolker zal hij niet zijn: BWV 911 en de Goldberg Variaties ontbreken. Verder geen verrassingen, op twee na. Er zullen weinig pianisten zijn die werken van Rodion Shchedrin op hun repertoire hebben staan. En Lev Abeliovitsj, naar wie ik al op zoek was. Dat speelt Tutunov als enige pianist ter wereld.

Wat hebben we dus? Van een vergeten, totaal onbekende componist (Vilnius 1912 – Minsk 1985. In 1939 vluchtte hij voor de Duitsers, van Warschau naar Wit-Rusland, maar door het Sovjet anti-semitisme wordt zijn naam niet eens genoemd in de muziekboeken) wordt het pianowerk alleen nog gespeeld door één pianist, van wie wij ook bijna niets weten. En toch was Abeliovitsj een groot componist, en is Alexander Tutunov een goed pianist.

Nuttige commentaren

Zetter haal die typo’s eruit,’ schreef terecht een lezer van het vorige stukje dat onder meer over zetten ging. Ik kwam net uit mijn middagtukje toen hij dat schreef en ik verbeterde de twee fouten direct, mezelf vervloekend (‘Waarom moet dit mij nu weer gebeuren?!’ klaagde de ene hersenhelft die nog niet helemaal wakker was. De andere, wakkerder, hersenhelft riposteerde: ‘Omdat je niet hebt opgelet, luldrie!’).

Dat tukje was trouwens nodig: ik had van zondag op maandag een nacht doorgehaald. Na de mooie tenniswedstrijd tussen Williams en Azarenka – de beste vrouwenfinale die ik in jaren heb gezien – was het half twee en ik voelde wel aan dat ik niet zou kunnen slapen. Ik ga dan ook niet naar bed om daar te gaan liggen woelen. Ik zet koffie, maak een broodje oude kaas. Wat te doen? Want je moet je tijd nuttig besteden. Normaal pak ik een boek, of ik pak een schaakopening, bijvoorbeeld het Koningsindisch met g3, een ontzettend saaie opening en dan probeer ik zetten voor zwart te vinden die het een beetje avontuurlijker kunnen maken. Die zetten controleer ik dan later op de computer.

Maar deze nacht moest ik terugdenken aan een commentaar op een eerder stuk: een schrijver raadde me aan eens naar Grigory Sokolov te luisteren. Ik zette mijn koptelefoon op, ging eerst naar deze site en beluisterde wat Bachjes en stukken van Rameau. Ik kende ‘La poule’ bijvoorbeeld nog niet, maar was al na één keer verliefd op dat stuk en op de speler ervan. Het is bijna nog mooier dan Martha Argerichs  Sonate K 141 van Domenico Scarlatti. Sokolov zou een goed Bach-vertolker zijn, volgens dat commentaar. Ik houd dat nog even in beraad, want ik vind hem Bach wat te snel spelen. Zijn versie van de Goldberg Variaties vind ik bijvoorbeeld al mis gaan direct na de openingsaria. Die openingsaria zelf vind ik trouwens ook te snel. Dus hij komt niet op de eerste plaats, bij mij. Ik hoop dat Fan-Ya Lin nog eens de Kunst der Füge, het Wohltemperiertes Klavier en de Goldberg Variaties zal opnemen. Dat zal ze ongetwijfeld poëtisch doen, ik hoop dat ik het nog mag horen.

Twee jongens

Er waren eens (in de jaren zeventig) twee jongens die allebei zetter werden. Ze hadden voor dat vak nooit gestudeerd, ze wisten er eigenlijk niets van af, ze wisten het verschil tussen een schreefletter en een schreefloze letter niet, want ze wisten niet eens wat een schreef was. Het is altijd handig als je zulke dingen leert op een Grafische School, maar die school hadden de twee nooit bezocht. Ze moesten het vak werkenderwijs onder de knie zien te krijgen. Hoe? Door erover te lezen, bijvoorbeeld. Zo kochten ze het prachtige boek The Typefinder en ook andere typografische standaardwerken, en werden ze na een paar jaar gewaardeerde zetters.

Laat ons die twee jongens B en H noemen. H was meer het precieze type, zo heeft hij een kerning-probleem voor een bepaalde zetmachine eens opgelost, daar de (Amerikaanse) fabrikant van op de hoogte gesteld, die vervolgens de machines aanpaste. Zo ging dat toen nog, dames en heren: je schreef een brief met je bevindingen, je eindigde die brief met ‘Misschien kunt u uw technici daar eens naar laten kijken’ – en dan keken die technici daar ook naar. Tegenwoordig gebeurt dat niet meer: alles wordt in China gemaakt, door undergraduates. Zo goedkoop mogelijk.

B daarentegen was eigenlijk niet zo in dat zetten geïnteresseerd. Hij verdiende er zijn geld mee, natuurlijk, maar zijn eigenlijke interesse zat in het schrijven, het beluisteren van muziek en, het spijt me dat ik het hier vertel, het drinken van lekkere drankjes zoals port of baco’s, of laat ons nu meteen maar eerlijk zijn: port en baco’s. Wat hij op een avond naar binnen kon brengen, geloofde niemand in Den Haag, anders zouden ze een drooglegging hebben afgekondigd. En ’s ochtends weer op tijd als zetter werkzaam, uiteraard.

Verliefd

Ik heb de afgelopen dagen niets gedaan dat voor u van belang kan zijn, ik zal u vertellen wat ik gedaan heb. Op de foto ziet u de vrouw op wie ik tamelijk verliefd ben geworden, haar naam is alleen bekend aan de kenners, ze leefde van 1924-1993, ze stierf in het harnas, toen ze in San Francisco tijdens het spelen van Sjostakovitsj’ 24 Preludes en Fuga’s een beroerte kreeg. Dat wil zeggen, ze stierf negen dagen later.

Haar naam was Tatiana Nikolayeva en ze was onder Stalin en onder zijn opvolgers een zeer beroemd pianiste en componiste. Ze bezocht in Leipzig, in 1950, een concert ter ere van de 200 jaar oude dood van J.S. Bach. Daar ontmoette ze ook Sjostakovitsj, met wie ze direct bevriend was. Sjostakovitsj werkte toen aan zijn 24 Preludes en Fuga’s en gaf haar bij die gelegenheid of enige tijd later (dat ben ik niet te weten gekomen) de enig bestaande partituur van zijn eerste Prelude. Hij wist dat hij haar kon vertrouwen en dat zij zijn stukken zou gaan spelen. Dat deed ze ook, en grandioos goed. Ik ken althans geen pianist die Sjostakovitsj beter heeft gespeeld dan zij.

Zo heb ik haar niet ontmoet. Ik kende haar werk eergisterenochtend nog niet, schaam ik me te bekennen. Toen zag ik op YouTube een uitvoering van de Goldberg Variaties van die mevrouw, ik dacht: laat ik daar eens naar luisteren. Ik sloeg achterover van verbazing. Zo verschrikkelijk goed gespeeld! Ik mailde meteen mijn vriend Jan Kroeze, schilder te Velsen: hier moet je eens naar luisteren!!!

BWV 911

Wat doet een tamelijk zieke, 59-jarige nog op een dag? Wel, hij zit niet te luisteren naar zijn hartritmestoornissen, die laat hij voorbij gaan. Vanochtend bijvoorbeeld had ik gewoon zin in BWV 911 van Bach, dat is een toccata in C klein. Die is door vele pianisten en ook door vele clavecimbelspelers gespeeld.

Ik wil de clavecimbelliefhebbers hier niet tekort doen, maar als Bach uit zijn graf zou opstaan, zou hij zeggen: geef mij de piano maar! Hij zou ook zeggen, bij bijvoorbeeld een opvoering van zijn Hohe Messe, zoals die van de week op Cultura werd getoond: die hobo’s van tegenwoordig, die klinken toch een stuk beter, hè! Dan moet je hem uitleggen dat het een Festival van Oude Muziek was, et cetera. (Ik dacht altijd dat Oude Muziek van de 11e, 12e, 13e eeuw was. Maar Bach is dus Oude Muziek, volgens het festival.) Dat koor zong het Sanctus trouwens wel verdraaid goed, en dat was volgens mij het moeilijkste deel van die mis.

(Heeft u dat ook? Dat je brandend verlangt naar een mooi gezicht onder de koorleden. Brandend. Meestal zijn er twee of drie koorleden, die je wel zou willen spréken! Mannelijke of vrouwelijke, dat maakt me niet uit. Met The Tallis Scholars zou ik wel met elk lid bevriend willen zijn, ook met die jongen wiens tanden niet helemaal op een rij staan – hij zingt zo prachtig de baritonpartij.)

Optreden

In mijn stukje van eergisteren stonden deze regels: ‘Tsjechoslowakije werd overvallen door de Russen, zonder dat wij er iets tegen deden (wij gooiden liever bommen op Vietnam, maar wij hadden natuurlijk tegen de Russen moeten zeggen: trek je binnen 24 uur terug, anders ben je Moskou en St. Petersburg kwijt.’

In de commentaren werd gezegd dat we dat zeker niet hadden moeten zeggen, hoezeer het ook in het belang van de Tsjechen zou zijn geweest. Dit was het riskeren van een atoomoorlog, een derde wereldoorlog, enzovoorts, kortom: de afgeknepen reacties zoals je ze kunt verwachten als je in een Westers blad schrijft.

Ik had in de commentaren ongeveer dit geschreven. Regel 1 in het handvest van de NAVO had moeten luiden: ‘Ga niet te ver, lieve vrienden uit Rusland, want anders treden wij op. Wij hebben dat eerder gedaan, nog vóór wij NAVO werden genoemd (wij werden toen ‘de geallieerden’ genoemd), in Nagasaki en Hiroshima, en u kent de gevolgen.’ Ik zou nu daaraan regel 2 willen toevoegen: ‘Ons optreden zou een kernoorlog kunnen opleveren (een oorlog die wij zullen winnen), maar wat moet dat moet.’ Geen doekjes erom winden, maar duidelijke taal gebruiken. Het zou gunstige gevolgen hebben gehad voor Polen, Oost-Duitsland, Hongarije, Tsjechoslowakije, Estland, Letland en noem al die landen maar op, die nu eerst nog 40 jaar lang bezet zijn geweest.

1968

In 1968 was het – 1968 was het jaar waarin de Mammoetwet in werking trad, de Fabeltjeskrant voor het eerst op de televisie verscheen, Tsjechoslowakije werd overvallen door de Russen, zonder dat wij er iets tegen deden (wij gooiden liever bommen op Vietnam, maar wij hadden natuurlijk tegen de Russen moeten zeggen: trek je binnen 24 uur terug, anders ben je Moskou en Sint Petersburg kwijt). Het was ook het jaar waarin Neal Cassady en Joeri Gagarin overleden, Marcel Duchamp stierf ook in dat jaar, maar gelukkig stierf ook Lou de Palingboer – in 1968 was het dat ik mijn vader vroeg: ‘Mag ik straks studeren?’ Het was nog lang niet zo ver, want ik was nog maar vijftien jaar oud, maar je kon er niet vroeg genoeg bij zijn, vond ik. ‘Wat wil je dan gaan studeren?’ vroeg hij. ‘Nederlands,’ zei ik. ‘Maar dat spreek je al!’ Het leek hem verspilde moeite. Later heb ik hem nog geprobeerd over te halen met ‘Geschiedenis’, maar ook dat haalde niets uit: geschiedenis hoefde helemaal niet bestudeerd te worden, dat kon je wel in je avonduren doen.

Ik moest maar aan het werk gaan als ik achttien was, en geld verdienen en dan kon ik altijd nog gaan studeren, want dan betaalde ik het allemaal zelf. Ik was thuis de oudste van negen kinderen, dus dat kon ik wel begrijpen: mijn vader was een zelfstandig loodgieter, hij zou arm geworden zijn als alle negen kinderen gestudeerd zouden hebben.

Ansichtkaarten

Een ansichtkaart die toeristen vanuit hun vakantieoord Egmond aan Zee naar hun thuisgebleven familie sturen, heeft meestal als tekst Groeten uit Egmond aan Zee! (gedrukt in wat wij zetters vroeger een feestletter noemden). Verder staan op de kaart het wapen van Egmond (waarom eigenlijk? Ik weet het niet) en vier fotootjes, op ouderwetse bedrijfscourantwijze (dus scheef) in elkaar geschoven, van het strand, de duinen, de vuurtoren en bijvoorbeeld van ‘de gezellige terrasjes in het luxueuze centrum’. Ik geloof dat elk dorpje in Nederland wel zulke ansichtkaarten heeft, zelfs Zalk en Veecaten, en ook dat ze er allemaal ongeveer hetzelfde uitzien, en dat al sinds ongeveer 1970, toen de vierkleurendruk in zwang kwam.

Vroeger hadden de ansichtkaartenmakers meer fantasie. Ook werden er meer foutjes gemaakt, dat spreekt. Ik heb bijvoorbeeld een ansichtkaart uit ongeveer 1928 van de Amsterdamsche Anthraciet Maatschappij. De kaart bevat geen vier, maar wel zes gekleurde tekeningen. Ik zal die zes tekeningen eens bespreken.

1. Een knullig kaartje van Engeland en Ierland, met op ongeveer de plaats van Wales of Zuid-Engeland een anthracietmijn (erboven staat, ongeveer ter hoogte van de Midlands, de tekst Polmaise mijnen) met een mijnwerker met een mijnlamp om zijn nek en een houweel in zijn handen. Maar… Polmaise, dat ligt toch in Schotland? Jazeker, leert enig zoekwerk, Polmaise ligt zo’n 5 kilometer van Stirling, en Stirling ligt zo’n 30 kilometer ten noorden van Glasgow. In dat landgoed Polmaise was vroeger een anthracietmijn.

Geloofwaardige romans

Regen in Londen, 1897. Dat moet een mooie tijd zijn geweest. Weliswaar las je nooit in de literatuur van die dagen dat de hoofdpersoon stierf aan de pokken of aan de malaria of aan de mazelen, maar sommige bijfiguren in die boeken stierven er wel aan. Op muziekgebied gebeurde er in dat jaar eigenlijk niets, alleen Klughardt kwam met zijn 4de symfonie, maar daar moet je van houden. Dukas werkte aan zijn Tovenaarsleerling. Bram Stoker publiceerde in 1897 zijn nog steeds beroemde boek Dracula – eigenlijk een nogal armetierig verhaaltje, volgens mij, maar goed – en H.G. Wells publiceerde zijn The invisible man, een boek dat het ook nog steeds uithoudt. Op 19 maart wordt Oscar Wilde uit de gevangenis vrijgelaten. Op 30 april is het elektron ontdekt. Er waren wel auto’s (van Peugeot, Vabis, Adler en ook wel van andere merken) maar je zag ze nog nauwelijks. Meer weet ik niet van dat jaar, het was overal tamelijk vredig, pas twee jaar later zouden de Bokseropstand in China en de Boerenoorlog in Zuid-Afrika uitbreken. Natuurlijk zal er ergens in Midden- en Zuid-Amerika wel gevochten zijn, maar dat was gewoon, in die tijd.

In de jaren zeventig las ik voornamelijk Engelse boeken, ik was vooral gek op de boeken van Anthony Trollope (1815-1882, hij is ook bekend geworden als postbeambte door de introductie van de rode brievenbussen in het Verenigd Koninkrijk), Thackeray, Wilkie Collins en Arthur Conan Doyle. Vreemd, op de boeken van Dickens ben ik nooit zo gek geweest. Hoe dat komt, weet ik niet precies. Ik denk dat het te maken heeft met het gebrek aan sprookjesboeken en Pietje Bell-boeken in mijn jeugd. Ik ben ook niet ontvankelijk voor het ‘sprookjesachtige in de mens’, zoals het eens is omschreven door K.V. in een brief aan mij. Dickens maakte van élk personage een geval apart, en dat klopte niet met mijn werkelijkheid. Ik wil best aannemen dat er in het Engeland van 1860 veel ‘types’ te vinden zouden zijn geweest, maar zoveel als Dickens ons wil doen geloven – dat kan niet bestaan hebben.

Vorige Volgende