Toen ik het artikel van gisteren las over polarisatie en de conclusie dat de meeste mensen in het eigen leven dat weinig ervaren, moest ik onwillekeurig denken aan mijn eigen jeugd. Als kleinkind van een Nederlandse veteraan die bij de Prinses Irenebrigade had gevochten, maakte ik op zijn verjaardag een huis vol met oude strijdmakkers mee. Nederlandse mannen die via de omweg van oorlog en ballingschap weer bij de bevrijding van hun eigen land betrokken raakten. Ze kenden elkaar van uniformen, kazernes, modder, angst, kameraadschap en trauma. En ze hadden allemaal een hekel aan Duitsers.
Alle Duitsers waren klootzakken. Dat was ongeveer de regel.
Alleen gold die regel zelden voor de Duitsers die ze daadwerkelijk kenden. De Duitse kennis viel mee. De Duitse collega was een aardige vent. De Duitse vrouw op vakantie was hartelijk. De uitzondering zat altijd dichtbij. Het stereotype bleef intact, de individuele mens werd ervan vrijgesteld.
Achteraf was dat misschien mijn eerste les in de elasticiteit van vooroordelen. Een mens kan een groep wantrouwen en tegelijk prima omgaan met de leden van die groep, zodra die een naam, gezicht, stem en adres hebben. Helaas sneuvelt het vooroordeel dan meestal niet, het wordt verplaatst. Weg van de concrete persoon, terug naar de abstracte massa.
Later zag ik iets vergelijkbaars in kroegen op Zuid in Rotterdam, waar ik een tijd regelmatig kwam. Er werd racistische taal uitgeslagen, soms grof, soms gedachteloos, soms uit volle overtuiging. Alleen haastte men zich vrijwel altijd om erbij te zeggen dat de man van kleur die daar óók aan de bar zat daar natuurlijk buiten viel. En die collega ook. En die schoonzoon. En die buurvrouw. En eigenlijk alle mensen van kleur die men kende.
De slechte anderen bleven abstract. Ze woonden ergens anders, kwamen ergens anders vandaan, gedroegen zich ergens anders verkeerd. Aan de bar werd ondertussen gedronken, gelachen, geholpen, geroddeld, geruzied en weer bijgelegd. Het racisme was er, in taal en beeldvorming. Tegelijk leefden diezelfde mensen in de praktijk een multicultureel bestaan dat beter functioneerde dan hun eigen opvattingen konden verklaren.
Dat maakt het racisme niet onschuldig. Wie racistisch spreekt, bevestigt beelden die politieke en maatschappelijke gevolgen hebben. Het maakt wel iets zichtbaar dat in veel keuriger omgevingen graag wordt gemist: dagelijkse nabijheid kan vooroordelen ondermijnen, zelfs wanneer mensen daar zelf ideologisch nauwelijks aan toegeven.
In welvarender kringen werkt het geregeld omgekeerd. Daar klinkt het inclusieve verhaal vaak vloeiender. Men kent de termen, de gevoeligheden, de juiste afkortingen, de morele risico’s van verkeerde grappen. Het antiracisme is correct geformuleerd en meestal netjes verpakt. Alleen blijft de feitelijke omgang opvallend smal. De wijk is wit. De school is zorgvuldig gekozen. Het netwerk is homogeen. De schoonmaker, pakketbezorger, oppas of zorgverlener komt wel binnen, alleen zelden als gelijkwaardige sociale vanzelfsprekendheid.
Zodra diversiteit te dichtbij komt, verandert de toon. Sociale huur in de buurt is belangrijk, alleen liever niet in deze straat. Asielopvang is een humanitaire plicht, alleen is dit dorp er niet geschikt voor. Gemengde scholen zijn waardevol, alleen moet het niveau van het eigen kind wel bewaakt blijven. De multiculturele samenleving wordt onderschreven zolang zij zich vooral buiten de eigen vastgoedwaarde, schoolkeuze en sociale kring afspeelt.
Dat is het nette nimby-antiracisme van de bovenlaag. Niet uitgesproken vijandig, wel ruimtelijk afgeschermd. Niet racistisch in de borreltaal, wel selectief in de instituties waar het eigen leven wordt ingericht.
Daarmee kom je ook dichter bij de paradox van polarisatie. In het hierboven genoemde stuk op schrijven Emily Miltenburg en Eelco Harteveld, op basis van het Nationaal Kiezersonderzoek 2025, dat Nederlanders veel vijandigheid voelen richting politieke tegenstanders, terwijl die polarisatie in het directe dagelijks leven veel minder wordt ervaren. Ruim de helft ziet geen verslechterde verhoudingen door politieke meningsverschillen in de eigen leefomgeving, en slechts een kleine minderheid zegt dat relaties in de eigen omgeving daadwerkelijk zijn verslechterd. Tegelijk voelt meer dan 80 procent afkeer richting ten minste één politieke partij, en een kwart vindt dat er een partij is die erop uit is Nederland kapot te maken.
Ook hier lijkt de abstracte ander gevaarlijker dan de concrete ander. De PVV’er in het nieuws is een fascist, de GroenLinkser op televisie is een landverrader, de D66’er op X is een technocratische sekteleider, de BBB’er in de talkshow is een trekker met stemrecht. De buurman die daarop stemt, is dan weer iemand die je pakketje aanneemt. De collega die politiek onuitstaanbare dingen zegt, is ook degene die je helpt bij een storing. De schoonzus met idiote opvattingen blijft degene die met kerst de tiramisu maakt.
Het probleem is dus niet dat tegenstellingen verzonnen zijn. Ze bestaan. Belangen botsen. Opvattingen over migratie, klimaat, bestaanszekerheid, Gaza, stikstof, gender, Europa en woningbouw zijn reëel en politiek geladen. Sommige standpunten zijn ook schadelijker dan andere. Een democratie hoeft niet te doen alsof elke positie slechts een smaakverschil is.
Het probleem zit eerder in de manier waarop afstand van mensen categorieën maakt. Op afstand wordt de ander een representant van alles wat verkeerd gaat. Dichtbij wordt diezelfde ander weer rommelig, tegenstrijdig en menselijk. Dat laatste is minder comfortabel voor politieke marketing, talkshowlogica en sociale media, waar helder vijanddenken beter werkt dan de buurman die zowel aardig is als op een rampzalige partij stemt.
Juist daarom is het verschil tussen geleefde omgang en beleden overtuiging belangrijk. De Rotterdamse kroeg was geen modelgemeenschap. Er werd te veel gezegd dat te normaal werd gevonden. Toch was er daadwerkelijke nabijheid. De mensen die in abstracte zin werden weggezet, zaten letterlijk aan dezelfde bar. Daardoor ontstond een reeks uitzonderingen die het wereldbeeld ten minste praktisch saboteerde.
De keurige variant is gevaarlijker dan zij zelf denkt. Wie inclusief spreekt zonder inclusief te leven, loopt minder risico op correctie door de werkelijkheid. Wie diversiteit vooral kent als beleidswoord, campagnebeeld of LinkedIn-houding, kan zijn morele zelfbeeld jarenlang overeind houden zonder dat de eigen omgeving werkelijk verandert. Het resultaat is een samenleving waarin de onderklasse wordt berispt om haar taal, terwijl de bovenlaag haar segregatie presenteert als smaak, schoolkwaliteit, rust, veiligheid of verstandig financieel beheer.
Dat zie je breder in de polarisatiediscussie. Er wordt veel gesproken over toon, minder over de plekken waar mensen elkaar nog tegenkomen. Sportclubs, scholen, buurten, werkvloeren, verenigingen en cafés zijn geen romantische oplossingen voor politieke tegenstellingen. Ze maken racisme, seksisme of politieke vijandschap ook niet automatisch ongedaan. Wel dwingen ze abstracte opvattingen door een sociale werkelijkheid heen. De ander krijgt een naam. Soms helpt dat. Soms schuurt dat. Soms laat het vooral zien hoe belachelijk ruim een algemeen oordeel moet worden gemaakt om de concrete uitzonderingen te blijven overleven.
Polarisatiepaniek richt zich graag op de hardste uitspraken. Dat is begrijpelijk, want taal doet ertoe. Alleen wordt het te dun wanneer het blijft bij de oproep om aardiger tegen elkaar te zijn. De grotere vraag is waar mensen elkaar nog als gelijken ontmoeten. Niet als doelgroep, cliënt, huurder, schoonmaker, bedreiging, beleidsprobleem of electorale karikatuur, maar als mensen met wie je iets deelt dat praktischer is dan sympathie.
De generatie van mijn opa had alle reden om Duitsers te wantrouwen. Toch bleken de Duitsers die ze kenden steeds weer uitgezonderd. Dat was moreel inconsistent, en tegelijk hoopgevend. Niet omdat het vooroordeel daarmee verdween, maar omdat het in de praktijk steeds opnieuw werd onderbroken door een concreet mens.
Misschien begint samenleven soms precies daar: bij plekken waar mensen elkaar tegenkomen voordat ze elkaars categorie worden, of waar die categorisering een deuk krijgt. Wie die plekken verliest, houdt alleen de abstracte ander over. En de abstracte ander is altijd makkelijker te haten.
Reacties (8)
Het grote verschil tussen toen en nu is hoe (bepaalde) politici omgaan met polarisatie, of zelf polariseren.
In het verleden werd er gepolariseerd op inhoud. Dat ging niet samen met op de persoon gerichte aanvallen of verdachtmakingen. Er zal wel eens een keertje iemand uit de bocht zijn gevlogen, maar politici probeerden toch uit te stralen dat opponenten legitieme politieke standpunten hadden, hoezeer zij het er ook mee oneens waren.
(Er schiet me een “town hall” te binnen waarin McCain het opnam voor Obama, nadat iemand in het publiek aankwam met beschuldigingen die rondgingen op rechtse propagandakanalen. Hij het was op een heleboel punten oneens met Obama, maar die was wel een “decent human being”. McCain was toen wel al een uitzondering bij de Republikeinen.)
Vooroordelen en haat zijn van alle tijden. Het gaat mis als politici ze structureel aanwakkeren, in plaats van te proberen ze te dempen. Maar met polarisatie op inhoud is niks mis. Dat betekent ook dat je haatzaaiende politici wel degelijk aan mag spreken op wat ze zeggen. Dat is immers ook op inhoud. Marcel van Dams “U bent een minderwaardig mens” (tegen Fortuyn) was wel over de grens.
Ja, eens, maar het is wel handig als de maatschappij zichzelf niet in zuilen opdeelt langs klasse-scheidslijnen. Dan zijn ze minder makkelijk aan te wakkeren. Of misschien ben ik naïef.
De vraag is: wie deelt de maatschappij op in groepen en wie bepaalt de scheidslijnen? Je hebt altijd leiders die daar invloed op uitoefenen.
Bij nader inzien was dit iets te impulsief, misschien.
Die oude zuilen waren niet ideaal, maar ze waren ontstaan vanuit een geschiedenis. En ze zorgden er in elk geval voor dat verschillende groepen vreedzaam en min of meer gelijkwaardig naast elkaar konden bestaan. Daar zit het cruciale verschil met wat er nu aan de rechterkant gebeurt: een onderscheid aanbrengen tussen een maatschappelijke ingroup en outgroup. Ik denk dat de verzuiling daarvoor juist een oplossing was.
Ofwel: de verzuiling deelde de maatschappij in in alleen maar minderheden. Waardoor er weinig voeding was voor het idee van de democratie als dictatuur van de meerderheid. “De meerderheid” bestond niet.
Laten we het verleden niet door een te roze bril bekijken. De conflicten van het heden staan in de regel een stuk scherper op het netvlies dan de politieke conflicten uit het verleden die inmiddels voor ons van zijn relevantie ontdaan zijn. Voor de deelnemers uit die tijd die de toekomst niet kennen voelde dat vaak heel anders.
Politieke conflicten tussen de zuilen konden in het verleden hoog oplopen, lang niet altijd waren die onschuldig.
Migranten als outgroep is ook zeker niet nieuw in de Nederlandse geschiedenis, er waren rellen tegen buitenlanders in de jaren ’70, we hebben net de excuses gehad over de behandeling van de Molukkers, en de haat tegen Joden kwam in de 2e wereldoorlog niet alleen van Duitse bodem.
Maar laten we ook onze kop niet in het zand steken. De onversneden demagogie en vreemdelingenhaat zijn decennialang bestreden door zowel linkse als rechtse partijen.
Zeker. Ik zei dan ook dat er in het verleden ook wel eens uitglijders waren. Maar dat waren incidenten.
Ja, dat zei ik in #1: vooroordelen en haat zijn van alle tijden. Maar politici probeerden die te dempen, in plaats van aan te wakkeren. (Afgezien van wat clubjes die in de marge opereerden.) En de behandeling van de Molukkers heeft te maken met het niet nakomen van beloftes, dat is heel wat anders.
Ja. Het punt is nou net dat we in de periode na de Tweede Wereldoorlog dachten iets geleerd te hebben van die tijd. Maar die lessen beginnen we steeds meer te vergeten. En dat geldt ook voor politici.
Aanvulling. Ik kan me de tijd nog herinneren dat de Kamervoorzitter “Effe dimmen” te ver vond gaan. Dus probeer mij of jezelf alsjeblieft niet wijs te maken dat er helemaal niks is veranderd in hoe politici hun tegenstanders bejegenen.