Afschrijvingen | Complementaire valuta

COLUMN - Vorige week besprak Paul Teule een deel van het boek Geld en duurzaamheid: van een falend geldsysteem naar een monetair ecosysteem’ van Bernard Lietaer. Vandaag deel 2, over de waarde van complementaire munten.

In ‘Geld en duurzaamheid’ komt een aantal alternatieve, of beter: complementaire valuta aan bod, die de diversiteit en dus de veerkracht van het ‘monetaire ecosysteem’ ten goede zou moeten komen. Lietaer bespreekt er negen: Doraland, Wellness Tokens, Natuurlijk Sparen, C3, TRC, Torekes, Biwa Kippu, Civics en Eco’s. Het is niet helemaal duidelijk waarom hij nu deze negen initiatieven eruit pikt en bijvoorbeeld niet WIR of Ithaca hours, die hij in zijn andere boeken wel bespreekt, maar het zijn goede illustraties van wat alternatieve munten kunnen betekenen voor een economie.

Voor Lietaer bestaat de veerkracht die complementair geld realiseert uit het tegenwicht dat het biedt tegen ‘officieel’ geld. Officieel geld is vaak of teveel of te weinig beschikbaar (werkt dus pro-cyclisch), complementaire munten kun je ook gebruiken als overheidsbudgetten krap zijn of banken (of bedrijven) ons of elkaar niet meer van financiering kunnen voorzien. Officieel geld maakt mensen individualistischer, lokale munten zorgen voor binding. Officieel geld, dat rente draagt, heeft de neiging te accumuleren bij een beperkte groep, complementaire valuta bereikt juist ook de kansarmen.

Een voorbeeld: Torekes. Torekes is de naam van de munt van de Gentse wijk Rabot-Blaisantvest – een ‘Vogelaarwijk’ – waarmee de stad de inzet voor de buurt wil aanmoedigen. Wie een bloembak voor zijn raam zet krijgt daar 50 Torekes per jaar voor, wie koffie zet in het buurthuis 25 Torekes per keer, wie lid wordt van een ‘voedselteam’ en zo zijn eten bij duurzame, lokale producenten afneemt, verdient daar 10 Torekes mee. En met die Torekes kun je vervolgens betalen bij een lokale kruidenier of voor het huren van een volkstuintje. 10 Torekes zijn dan 1 euro waard.

Ander voorbeeld: Commercial Credit Circuits (C3). Het midden- en kleinbedrijf worstelt, zeker in crisistijd, met financiering en er kan een cash-flow-probleem ontstaan als grotere bedrijven pas na 90 dagen betalen. Het C3-systeem is in feite een netwerk van bedrijven elkaar op korte termijn geld lenen in ruil voor verzekerde facturen. Lietaer stelt dat bedrijven zo veel goedkoper aan geld kunnen komen, en voor de overheid betekent het meer inkomsten (want meer transacties) minder werkloosheidsuitkeringen en meer grip op de informele economie (want transacties zijn traceerbaar).

Wat ontbreekt in ‘Geld en duurzaamheid’ – ik zei het vorige week ook al – is het grote plaatje. Hoeveel mensen of bedrijven nemen deel aan dergelijke lokale initiatieven? Hoe groot is deze ‘sector’ en  hoe ontwikkelt hij zich precies? En als het zo goed werkt, waarom wordt dan niet overal en nergens zo’n alternatieve munt ingevoerd? Een voorzichtig antwoord zou kunnen zijn: complementaire munten ontstaan niet vanzelf en hebben een overheid, NGO of bevlogen particulier en vooral ook veel sociaal bewogen deelnemers nodig die er veel tijd en energie in moeten steken. Voor veel deelnemers is deelname ook een gift: als notaris kun je met het uur dat je in het buurthuis koffie schenkt door ‘gewoon’ te werken veel meer verdienen. Maar dat is juist ook de bedoeling.

Een andere factor is de bekendheid. Of ‘Geld en duurzaamheid’ voor die bekendheid gaat zorgen, en daarmee ook een beweging op gang gaat brengen, is de vraag. Maar het is een begin