De oproep tot “minder polarisatie” klinkt redelijk, bijna vanzelfsprekend. Wie kan er immers tegen zijn dat mensen elkaar weer wat beter begrijpen en in verbinding blijven. Echter, ze wordt opvallend vaak neergelegd bij links, alsof juist daar de bron van het probleem ligt.
Het idee van polarisatie veronderstelt symmetrie. Twee uitersten die verder uit elkaar drijven en een midden dat wordt uitgehold. In die lezing dragen beide kanten gelijke verantwoordelijkheid voor de verscherping van het debat. Die symmetrie is analytisch aantrekkelijk, maar ze schuurt met de werkelijkheid. Extreemrechts ontleent zijn politieke kracht namelijk juist aan conflict. Het denken in scherpe tegenstellingen, het construeren van een vijandbeeld, het benadrukken van culturele en etnische grenzen: het vormt de kern.
Tegen die achtergrond krijgt de oproep tot depolarisatie een merkwaardige lading. Ze richt zich vaak op progressieve stemmen die ongelijkheid, racisme of klimaatbeleid agenderen, en minder op de politieke stromingen die hun legitimiteit juist uit die tegenstellingen halen. De impliciete boodschap luidt dan dat het benoemen van structurele problemen al snel als “polariserend” geldt, terwijl het institutionaliseren van uitsluiting als een harde, maar begrijpelijke politieke positie wordt gepresenteerd.
Daar komt een tweede asymmetrie bij. Uitspraken of acties van een kleine, radicale minderheid aan de linkerkant worden door rechts routinematig uitvergroot en vervolgens als representatief gepresenteerd. Denk aan zogenaamde 'woke' en feministische excessen en acties van XR die geheel links worden aangewreven. Het frame schuift door: wat feitelijk vrij marginaal is, wordt behandeld als de norm en daarna als verwijt teruggelegd bij links als geheel. Aan de rechterkant lijkt een vergelijkbare dynamiek veel minder door te werken. Extreemrechtse posities lopen vaker naadloos over in wat als “gewoon” rechts wordt gepresenteerd, zonder dat die nabijheid dezelfde electorale of morele schade oplevert. Extreem rechtse demonstraties worden niet in dezelfde mate geïdentificeerd met rechts als geheel. De grens vervaagt, maar de consequenties blijven uit.
Daarmee rijst ook de vraag of het etiket “polariserend links” überhaupt veel verklaringskracht heeft. Empirisch is het lastig aan te tonen dat links structureel de tegenstellingen vergroot. Wat vaker zichtbaar is, is dat het vasthoudt aan principes rond gelijkheid, rechtsstatelijkheid en klimaat, ook wanneer die politiek steeds oncomfortabel uitpakken. Dat kan scherp ogen in een naar rechts verschuivend speelveld, al maakt dat het nog geen bron van polarisatie. Eerder wijst het op een andere beweging: een rechterkant die inhoudelijk opschuift en daarmee juist de afstand vergroot.
Daar zit een strategisch effect in. Als links zijn taal matigt om binnen de grenzen van het 'redelijke' te blijven, verschuift het referentiekader naar rechts. Standpunten die eerder als extreem werden gezien, schuiven richting het midden (of liever, het middens schuift naar rechts) zonder inhoudelijk te veranderen. Het politieke speelveld kantelt, terwijl het verhaal overeind blijft dat “iedereen wat moet inbinden”. We kennen dit als het 'Overton-venster': dat wat acceptabel is om in het publieke debat en in het openbaar te bespreken. Niemand kan ontkennen dat dat de afgelopen decennia enorm veel naar rechts is opgeschoven, en de VVD heeft daar de afgelopen verkiezingen flink aan bijgedragen door JA21 tot een middenpartij te verklaren, en GL-PvdA tot extremistisch.
De term ‘polarisatie’ fungeert daarmee minder als diagnose en meer als normerend instrument. Hij depolitiseert fundamentele inhoudelijke conflicten en verplaatst de discussie naar toon en stijl. Wie te scherp formuleert, krijgt het verwijt het probleem te zijn. Voor wie polarisatie de kern is van politiek voeren krijgt dat verwijt niet.
Dat maakt vragen om “minder polarisatie” tot een asymmetrische interventie. Ze vraagt vooral terughoudendheid van degenen die gelijkheid nastreven, en laat wie gebaat is bij het uitvergroten van verschillen relatief ongemoeid. Het resultaat is voorspelbaar: het politieke midden schuift op naar rechts, terwijl links daar vooral de schuld van krijgt.
Misschien ligt daar de kern. Niet de vraag of polarisatie wenselijk is, maar wie er wordt aangesproken om haar te verminderen, en waarom. Zodra die vraag wordt gesteld, verdwijnt de vanzelfsprekendheid van het begrip. Wat overblijft is geen neutrale beschrijving van een probleem, maar een frame dat bepaalt wie zich moet aanpassen en wie kan doorgaan, of niet gevoelig is voor het verwijt.