Het woord narcostaat klinkt alsof het een vastgestelde diagnose is. Een technisch oordeel, ergens tussen VN-resolutie en strafrechtelijk vonnis. Maar dat is het niet. Narcostaat is geen juridische categorie, geen internationaal erkend statuut en geen neutrale beschrijving. Het is een beschuldiging. En een beladen ook.
In de berichtgeving over Venezuela wordt dat onderscheid opvallend vaak weggepoetst. Het NOS-artikel over het Kamerdebat rond het Amerikaanse optreden neemt het begrip vrijwel probleemloos over. Venezuela is een narcostaat, en vanuit die veronderstelling wordt vervolgens besproken of begrip voor Amerikaans ingrijpen gepast is. De fundamentele vraag of die kwalificatie zelf overeind blijft, wordt nauwelijks gesteld.
Want juist over die term bestaat aanzienlijke discussie. Veel onafhankelijke onderzoekers, criminologen en Latijns-Amerika-deskundigen betwisten dat Venezuela voldoet aan wat doorgaans onder een narcostaat wordt verstaan. Niet omdat er geen corruptie of drugshandel zou zijn, maar omdat het bewijs voor structurele staatssturing van de internationale cocaïnehandel zwak, fragmentarisch en sterk gepolitiseerd is. De meeste drugs die Europa en de VS bereiken, lopen via landen die nooit dat etiket krijgen opgeplakt.
Die nuance verdwijnt zodra het woord eenmaal is uitgesproken. Narcostaat fungeert als morele snelkoppeling. Het suggereert totale morele ontwrichting, een staat die zichzelf heeft opgegeven, en dus ook het recht heeft verspeeld op normale behandeling. Soevereiniteit wordt daarmee voorwaardelijk gemaakt: geldig zolang Washington het ermee eens is.
In het Kamerdebat zien we hoe dat frame zijn werk doet. Minister Van Weel spreekt begrip uit voor het Amerikaanse optreden, terwijl hij tegelijk erkent dat het internationaal recht hier op zijn minst onder druk staat. Die spanning wordt niet uitgewerkt, maar gladgestreken. Het woord narcostaat levert de rechtvaardiging. Wie daar vraagtekens bij zet, lijkt automatisch drugscriminaliteit te relativeren.
De NOS volgt die lijn grotendeels. Kritische Kamerleden krijgen spreektijd, maar de kern van hun bezwaar, dat hier een politieke kwalificatie als feit wordt gepresenteerd, blijft onderbelicht. Er wordt niet uitgelegd dat het label vooral afkomstig is uit Amerikaanse veiligheidsrapporten, niet uit onafhankelijke internationale rechtspraak of van experts. Ook ontbreekt de vraag wie eigenlijk bepaalt wanneer een land dit predicaat verdient, en op basis van welke criteria.
Dat is des te problematischer omdat het begrip een geschiedenis heeft. Failed state, rogue state, terrorist haven, allemaal termen die steevast opduiken vóór of tijdens interventies. Ze versimpelen complexe samenlevingen tot morele karikaturen, waarin juridische bezwaren al snel als naïef of wereldvreemd worden afgedaan.
Dit alles is geen pleidooi voor Nicolás Maduro. Hij is autoritair, corrupt en heeft Venezuela in een diepe crisis gestort. Maar dat ontslaat niemand van de plicht om onderscheid te maken tussen aantoonbare misstanden en strategische etiketten. Het ene rechtvaardigt het andere niet. Zeker niet wanneer het gevolg is dat arrestaties, ontvoeringen of eliminaties buiten elke juridische procedure “begrijpelijk” worden genoemd.
Door narcostaat te behandelen als vaststaand feit in plaats van als betwiste beschuldiging, verschuift het debat ongemerkt. Niet langer gaat het over recht, maar over doelmatigheid. Niet: mag dit? Maar: komt het ons uit? Dat is een gevaarlijke verschuiving, omdat macht zelden moeite heeft met efficiëntie, maar vaak wel met begrenzing.
Juist daar zou journalistiek moeten ingrijpen. Niet door alle perspectieven keurig naast elkaar te zetten, maar door zichtbaar te maken wat een woord doet, welke belangen het dient en welke uitzonderingen ermee worden genormaliseerd. Zolang dat niet gebeurt, blijft “begrip tonen” vooral een vorm van morele outsourcing, verpakt in terminologie die doet alsof de discussie al is beslecht.