Februari 1942. De Tweede Wereldoorlog is in volle gang. Een Britse piloot met ziekteverlof maakt een rijtoer in de omgeving van een luchtmachtbasis aan de Engelse oostkust. De man weet dat hij niet meer zal herstellen en weet niet wat hij zal doen als hem binnenkort eervol ontslag wordt verleend. Misschien terug naar de oliemaatschappij waar hij voor de oorlog werkte? Misschien een diplomatieke functie in een van de Britse koloniën in Afrika? Of misschien de journalistiek?
Journalistiek
Hij denkt aan het laatste nu hij heeft vernomen dat een boer in de voorgaande maand bij het ploegen Romeins zilver heeft gevonden. Daar zit een verhaal in. Hij weet de man, een dagloner, te vinden. Die vertelt dat hij het materiaal heeft overgedragen aan de landeigenaar. De piloot-met-journalistieke-aspiraties spreekt ook de landeigenaar, die hem het zilver laat zien. Hij wil er geen afstand van doen. Bovendien: het is oorlog, dit is Oost-Engeland, sinds de Battle of Britain wagen museummedewerkers zich hier niet langer. En er is in dit gebied ook nog de herinnering aan de vondst van Sutton Hoo, toen de mensen van het British Museum hier geen al te beste indruk hadden gemaakt. De eigenaar wil het materiaal behouden.
Zwijgend constateert de piloot het bedrog: de landeigenaar berooft zijn dagloner van zijn vindersloon. Hij maakt notities voor een artikel, maar dat journalistieke stuk komt er niet, aangezien hij even later wordt benoemd tot een van de militair attachés in Washington. Daar heeft hij verantwoordelijk werk: sinds een paar maanden zijn de Verenigde Staten in oorlog met Japan en Duitsland, en de Britse en Amerikaanse legers moeten nog leren samenwerken. De nieuwe diplomaat heeft ander werk aan het hoofd, de aantekeningen over de zilverschat belanden ergens onderaan een stapel urgentere zaken.
De stof laat hem echter niet los. Als hij na de oorlog wordt gedemobiliseerd, publiceert hij alsnog het verhaal over de archeologische vondst. Daar is een aanleiding voor: de archeologische autoriteiten hebben in 1946 het zilver in beslag genomen. Omdat de landeigenaar de vondst niet heeft gemeld, krijgt noch hij noch zijn dagloner een vergoeding. Terwijl de laatste, als hij de vondst niet had afgestaan maar had gemeld, 50% vindersloon zou hebben gehad. Ook het British Museum, dat het zilver heeft verworven, vindt deze gang van zaken onbetamelijk. Men voelt wroeging en zorgt ervoor dat elke man uiteindelijk 1000 pond krijgt, wat omgerekend neerkomt op €55.000.
De Mildenhall Treasure
Een fooi. Het ging om niet minder dan vierendertig zilveren voorwerpen, waaronder een schaal van ruim acht kilo met dionysische afbeeldingen. Er zijn twee kleinere schalen, kommen, een soort dienblad, lepels. En ook al weet niemand na vier jaar de precieze vindplaats nog aan te wijzen, deze Mildenhall Treasure is een sensatie. De zilverwaarde is ongeveer 250.000 pond (omgerekend €14.000.000), maar de feitelijke betekenis is een heel andere: het materiaal komt uit de vierde eeuw en bewijst dat laat-Romeins Britannië niet zo arm was als oudheidkundigen tot dan toe hadden aangenomen. De dionysische afbeeldingen suggereren bovendien dat het heidendom nog vitaal was.
Te rijk voor dat tijdvak, te heidens voor een gekerstend keizerrijk: de twee mannen worden verdacht van fraude en het helpt niet dat ze de vindplaats niet exact meer weten. Ze worden gewantrouwd, krijgen ze te horen, en ze moeten maar dankbaar zijn voor hun fooi. Om die reden besluit de gedemobiliseerde piloot-diplomaat het verhaal te publiceren: in 1947 verschijnt het onder de titel “He Plowed Up $1,000,000”. De auteur, die zonder verder werk is en moet leven van zijn pen, staat niettemin de helft van zijn royalties af aan de dagloner die de vondst had gedaan. Hem is immers ongeveer 125.000 pond door de neus geboord.
Flauwe archeologiejournalistiek
Inmiddels weten oudheidkundigen meer – niet alleen over laatantiek Engeland, ook over de manier waarop archeologische autoriteiten het beste handelen als burgers een toevalsvondst doen. Volmaakt is het systeem nog altijd niet, maar inmiddels zien archeologen amateurs niet meer als vandalen maar als medestanders.
Dat nieuwe beleid heeft ook een nogal gênant gevolg, want het wemelt inmiddels van de flauwe archeologiejournalistiek. Steeds opnieuw lezen we hoe een voorbijganger, een ploegende boer, een spelend kind, een dienstplichtige die een schuttersputje graaft of een andere niet-specialist een vondst doet, die keurig bij de autoriteiten meldt, en dat die vondst dan ook nog belangrijk is. Dat is zelden werkelijk waar, en zulke flauwe stukjes dienen dan ook niet om u te informeren, maar om het publiek aan te sporen tot net gedrag. Nudgen is vanzelfsprekend geen journalistieke taak.
Enfin. De Mildenhall Treasure is nu dus in het British Museum. De dagloner bleef gefrustreerd achter. De piloot-diplomaat publiceerde nog negentien romans, elf verhalenbundels en zevenenvijftig filmscenario’s, waaronder de James Bond-film You Only Live Twice. U heeft vast wel eens iets gelezen van Roald Dahl.
[Dit was het 529e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]




Reacties (1)
Van Dahl’s verhalen als piloot is nog een vertaling in het Duits verschenen.
Die staat in mijn boekenkast, ik moet hem nodig eens gaan lezen.