Twijfel heeft de toekomst

RECENSIE - Waar gaat het heen met deze wereld?

Historicus en journalist Addie Schulte (1965) schreef een boek over doemdenken als reactie op actuele kwesties zoals migratie, klimaatverandering, neoliberalisme en robotisering. Hij is er aan begonnen, zoals hij zelf zegt ‘uit verbazing over de grote rol van doembeelden in het denken over de toekomst.’ Hij heeft niet de pretentie die beelden te bestrijden. Zijn doel is meer ze te beschrijven en te analyseren. Ook als er niets van klopt kan een doemscenario invloed hebben op het handelen, denken en voelen van mensen.

Ongeacht het onderwerp ziet Schulte in neergangstheorieën dezelfde ingrediënten (p.12): er gaat iets fundamenteel mis, dat kun je nu al zien, belangrijke waarden worden bedreigd en als de ontwikkeling niet gekeerd wordt komt een zinvol leven op de tocht te staan. Veel mensen willen de bedreiging niet erkennen, dat leidt tot allerlei spanningen. Maar het blijft een ontwikkeling die door mensen in gang is gezet en die dus ook door mensen gekeerd kan worden. Een betere toekomst blijft mogelijk. Veel doemscenario’s worden dan ook gekoppeld aan een positief toekomstbeeld. Angst en hoop liggen dichtbij elkaar.

De strijd om de toekomst verwijst naar een ideeënstrijd over de betekenis van het heden voor de toekomst. We krijgen dankzij Schultes belezenheid een mooi en prettig leesbaar overzicht van ideeën van een reeks van min of meer bekende publicisten en opinieleiders over thema’s die pakweg de afgelopen dertig jaar een belangrijke rol hebben gespeeld in het maatschappelijk debat. Een ‘feest der herkenning voor Sargassolezers’ durf ik wel te zeggen. Theorieën zou ik het niet allemaal willen noemen. Eigenlijk gaat het meer om ideologieën. En beschouwingen over ideologieën.

Onheil genereert aandacht

‘Nederland verdwijnt’ is het thema waar Schulte de meeste aandacht aan besteedt. Het gaat over neergangsideeën die samenhangen met migratie, culturele diversiteit, de islam en daarmee verwante onderwerpen die ons al zo lang bezighouden. Schulte begint in de jaren negentig en schetst een ontwikkeling van radicalisering en polarisatie in het denken. Van Bolkestein en Scheffer tot Bosma en Baudet. Wat opvalt is hoe lucratief het verkondigen van het onheil kan zijn. Het genereert aandacht. En om die aandacht vast te houden is het ook nodig de dreiging op te voeren. Het doemdenken escaleert. Marginale opvattingen worden gaandeweg salonfähig. Het grootste succes van Wilders en Baudet is ‘dat zij de agenda bepalen en dat het narratief van de neergang door migratie gangbaar is geworden bij andere partijen’, schrijft Schulte met verwijzing naar Balkenende, Buma, Blok en anderen.

Klimaatalarmisten

Dan hebben we natuurlijk ook nog de doemdenkers die onze planeet naar de knoppen zien gaan als er geen halt wordt geboden aan milieuverontreiniging, het gebruik van fossiele brandstoffen en CO2 uitstoot. Voorop Al Gore met zijn ‘Ongemakkelijke waarheid‘.

Er is sprake van een uniek moment in de geschiedenis, een ingrijpende, door mensen in gang gezette ontwikkeling die al tot rampen heeft geleid en die mede door plotselinge verslechteringen catastrofale gevolgen kan hebben. Daar komt bij dat de leiders blind zijn voor de gevaren en niet op tijd de nodige maatregelen nemen (p.123-124).

Toch heb ik bij Gore en andere bij dit thema besproken ‘doemdenkers’ een ander gevoel dan bij de conservatieve, nostalgische cultuurclash-denkers voor wie de Ondergang van het Avondland onvermijdelijk is. Gore werkt met Amerikaanse marketingtechnieken, dus veel show en overdrijving, aan een wake-up call. De demonstrant die ons oproept aan het milieu te denken is misschien wel moralistisch, maar minder grimmig en vijandig dan Pegida-aanhangers die weinig positiefs te bieden hebben en het geweld niet schuwen om hun punt te maken.

Schulte noemt de klimaatverandering ‘een bruikbare catastrofe’. Hoezeer er ook bij klimaatalarmisten sprake is van overdrijving en spelen op het gevoel (altijd weer die kinderen…), er blijft een perspectief op een betere wereld. En dat slaat op den duur aan. Op een enkele uitzondering na zal niemand de onderhandelaars in Parijs of aan de Nederlandse klimaattafels nog ‘doemdenkers’ noemen.

Tina

Ook de ‘doemdenkers’ die in het doorgeschoten marktdenken van het neoliberalisme een fatale ‘race naar beneden zien’, met als gevolg grotere armoede en sociale ongelijkheid, bieden uiteindelijk perspectieven op een weg omhoog. De belangrijkste ‘steen des aanstoots’ van de critici van het neoliberalisme is de stelling die ontleend wordt aan Margaret Thatcher: there is no alternative. Dit ‘Tina-syndroom’ is op zichzelf een soort van doemdenken waartegen linkse politici en publicisten ageren om hun betere alternatieven over het voetlicht te krijgen. Yes we can. Dat zij er niet in slagen is een ander verhaal, dat maakt hen nog geen neergangsdenkers. Het is de tragiek van links zoals Marcel van Dam die uiteindelijk in zijn columns liet zien: het geloof in de vooruitgang dat ten grondslag lag aan de naoorlogse verzorgingsstaat is weg. Volgens Schulte is er een leegte ontstaan door ‘het ontbreken een overtuigend en aansprekend toekomstperspectief’(p.106).

Onvervulde verwachtingen

De beschouwende laatste hoofdstukken vind ik het aardigst. Ze geven te denken. Waarom domineert het neergangsdenken, althans in verhouding tot de naoorlogse periode? Schulte wijt het vooral aan ‘niet waargemaakte verwachtingen en onvervulde positieve toekomstbeelden’. En dan geven niet de feiten of ‘de objectieve omstandigheden, maar de subjectieve ervaringen en interpretaties de doorslag’ (p.194/197). ‘De neergang is een gevoelde werkelijkheid, die per definitie is gebaseerd op een selectie van de feiten. Net als het positieve toekomstbeeld gebaseerd is op een andere selectie van feiten.’ Met die conclusie had ik dan wel wat meer aandacht verwacht voor de rol van de media als bron van somberheid dan wel optimisme.

Lof der onzekerheid

Schulte eindigt met twee relativerende adviezen voor het omgaan met toekomstbeelden. Voor het eerste liet hij zich inspireren door het filosofisch pessimisme van Joshua Dienstag en John Gray. De pessimist ziet de tragiek van de geschiedenis met een afwisseling van winst en verlies, een ‘tranendal waar we met opgewekt gemoed doorheen moeten’. Aanvaard dus ‘de betrekkelijkheid van veranderingen en de waarschijnlijkheid van goede én slechte uitkomsten’(p.220-221). Het tweede advies brengt hij onder de titel ‘Lof der Onzekerheid’. Het is een pleidooi voor scepticisme waarmee we de toekomst beter aan kunnen dan wanneer we vasthouden aan ‘bedrieglijke’ zekerheden. Leren omgaan met twijfel en onzekerheid is geboden, juist omdat, precies zoals de tegeltjeswijsheid van Johan Cruyff zegt, voorspellen zo moeilijk is omdat het om de toekomst gaat. Onzekerheid is een onmisbaar bestanddeel van democratie, zegt de Franse politicoloog Claude Lefort. Democratie ontstaat en blijft in stand ‘wanneer de bakens van zekerheid teloorgaan’. Een van de vereisten van een democratie is volgens Lefort ook dat er altijd een kans moet zijn op machtswisseling. ‘In een maatschappij waar zekerheid bestaat over de juiste antwoorden op allerlei vragen hoeven vrijheid van meningsuiting en verkiezingen niet te bestaan’ (p.224).

Addie Schulte, De strijd om de toekomst. Over doemscenario’s en vooruitgang, 272p. Uitgeverij Cossee, Amsterdam. Prijs € 22,99

  1. 1

    Ik heb ergens gelezen maar weet niet meer waar dat er maar twee perioden zijn geweest waar in de mensen echt optimistisch waren. Dat was eind 19e eeuw en in de vijftiger jaren. Sindsdien is iedere generatie pessimistischer geworden dan de vorige. Ik heb geen idee waar dit doemdenken vandaan komt maar het verklaard waarom we doemscenario’s zoals de Klimaatcrisis zo geweldig vinden. Objectief gezien is er geen enkele reden om pessimistisch te zijn. We hebben het nog nooit zo goed gehad als in deze tijd waarin we leven. Er is nooit een Aards paradijs geweest dat verloren ging. De goede oude tijd is slechts een verzinsel en toch…

  2. 2

    Het komt op mij allemaal niet zo doordacht over. Neem nu dit?

    Waarom domineert het neergangsdenken, althans in verhouding tot de naoorlogse periode?

    De naoorlogse periode was de tijd van de Koude Oorlog. Met de angst voor een allesvernietigende atoomoorlog. Dat lijkt me een veel extremer doemscenario dan alles waar mensen nu mee bezig zijn.

    Ik vind het vaak ook te makkelijk om iets te framen als doemscenario. Het menselijk vermogen om mogelijke problemen te voorzien en er op te anticiperen kan ook een reden zijn voor optimisme. En het analyseren van risico’s, inclusief worst case scenario’s, is een heel rationele manier om ermee om te gaan. Nadenken over zulke scenario’s en afwegen of je een risico wel of niet neemt is niet hetzelfde als doemdenken.

  3. 3

    @2: Naast het scenario van de allesvernietigende atoomoorlog was er in tweede helft van de vorige eeuw een optimistisch geloof in de maakbaarheid en verbeterbaarheid van de samenleving. Dat geloof is aanmerkelijk afgenomen. Dat is wel een verschil met nu.

    En is het gevaar van de atoomoorlog nu verdwenen? In de meeste hedendaagse gewelddadige conflicten spelen atoommachten nog steeds een rol.

    Een rationele afweging van risico’s is te prefereren, maar helaas spelen gevoelens, angst en hoop bij veel beslissingen toch een grotere rol, vrees ik (of is dat ook doemdenken ;))

  4. 4

    @3

    was er in tweede helft van de vorige eeuw een optimistisch geloof in de maakbaarheid en verbeterbaarheid van de samenleving.

    Ja, maar dat is wat anders. Er waren toen ook doemscenario’s die door veel mensen heel serieus werden genomen. Blijkbaar sluit het een het ander niet uit. Misschien is dat wel precies de makke van dit verhaal.

    Dat er nu in de westerse wereld minder vertrouwen in de toekomst is, of in vooruitgang, ontken ik helemaal niet. Maar ik vind het veel te makkelijk om dat op te hangen aan zoiets als doemdenken. Want dat heeft altijd bestaan.

    En is het gevaar van de atoomoorlog nu verdwenen?

    Dat zeg ik toch helemaal niet? Het gaat hier toch over doemscenario’s die aanwezig zijn in de publieke opinie en niet om welke dreigingen wel of niet reëel zijn?

    maar helaas spelen gevoelens, angst en hoop bij veel beslissingen toch een grotere rol

    Ja, dat is zeker zo. Maar ik vind dat nu net een reden om te proberen de ratio op te zoeken bij dit soort onderwerpen en de te makkelijke framing dus uit de weg te gaan. Dat is precies waarom ik reageerde.

  5. 6

    @4: Volgens mij zijn we het wel eens.
    @5: Dat 1957 een piek van gelukzaligheid laat zien hoeft, zoals Hans hierboven in @4: ook zegt, hoeft nog niet te betekenen dat er geen doemscenario’s waren. Integendeel, misschien was de angst voor het verlies van de groeiende welvaart juist ook een voedingsbodem voor een meer pessimistische kijk op de toekomst.

    Schulte schrijft in zijn boek als bron van somberheid over ‘gefnuikte verwachtingen’. Als je merkt dat de groei er uit is (althans voor jou) en de samenleving zich ontwikkelt in een richting die je zorgen baart, terwijl je ook nog eens niet ziet wat je er aan kunt doen, kun je bevattelijk worden voor een negatief toekomstbeeld. En elke tijd heeft zijn eigen doemdenkers. Alleen zijn ze op het ene moment populairder dan op het andere.

  6. 7

    tweede helft van de vorige eeuw een optimistisch geloof in de maakbaarheid en verbeterbaarheid van de samenleving. Dat geloof is aanmerkelijk afgenomen.

    onzin. alleen in de socialistische maakbaarheid wordt niet meer geloofd, want dat systeem heeft aantoonbaar gefaald. de neoliberale maakbaarheid – dat door de vrije concurrentie tussen burgers en bedrijven de maatschappelijke welvaart alsmaar zal toenemen – is nog springlevend.