"De definitie van waanzin is steeds hetzelfde doen en een ander resultaat verwachten." Het citaat wordt vaak aan Einstein toegeschreven, ten onrechte. Maar de observatie blijft staan. Wie beleid analyseert dat al decennia wordt herhaald, ziet een patroon dat weinig met ratio te maken heeft en veel met ideologie.
Neem belastingverlaging voor bedrijven en vermogenden. Het verhaal is bekend: lagere lasten leiden tot meer investeringen, hogere lonen en uiteindelijk brede welvaart. De praktijk vertelt een ander verhaal. Sinds de jaren tachtig zijn in vrijwel alle westerse landen de hoogste tarieven structureel verlaagd. De investeringen bleven achter, de lonen vlakten af, de vermogensongelijkheid groeide. Trickle-down bleef wat het altijd was: een belofte.
Deregulering van financiële markten volgt dezelfde logica. Minder regels zouden innovatie en efficiëntie brengen. Wat volgde was een reeks crises, met 2008 als dieptepunt. Banken namen risico's die uiteindelijk publiek werden afgewenteld. De reactie: tijdelijke aanscherping, gevolgd door versoepeling zodra de druk wegviel. De cyclus herhaalt zich, met dezelfde argumenten.
Hetzelfde geldt voor flexibilisering van de arbeidsmarkt, gepresenteerd als motor van dynamiek en werkgelegenheid. Wat ontstond is een groeiende groep werkenden zonder zekerheid, met lagere inkomens en zonder onderhandelingsmacht. De beloofde doorstroom naar vaste banen blijft uit. Het antwoord op deze uitkomst is opvallend genoeg: meer flexibilisering. Alsof de vorige ronde slechts half af was.
Privatisering past in hetzelfde stramien. Publieke diensten zouden efficiënter worden onder marktwerking. In de zorg, energie en het openbaar vervoer ontstond een complex stelsel van prikkels waarin winst regelmatig botst met publiek belang. Kosten dalen zelden structureel; toegankelijkheid en transparantie staan onder druk. Toch blijft de reflex bestaan om nieuwe domeinen aan de markt over te laten.
Het migratiedossier laat dezelfde dynamiek zien. Strengere regels worden telkens gepresenteerd als oplossing voor structurele problemen. In werkelijkheid verschuiven die problemen, of worden ze onzichtbaar gemaakt, terwijl de economische afhankelijkheid van migratie blijft bestaan. Het beleid produceert spanning, geen oplossing.
Het meest expliciete voorbeeld is misschien wel het uitkeringsbeleid. Onder de noemers "eigen verantwoordelijkheid" en "werk moet lonen" wordt het verlagen en conditioneren van uitkeringen al jaren gepresenteerd als prikkel tot arbeidsparticipatie. De VVD heeft hier een eigen handtekening onder gezet. De wetenschap is intussen redelijk duidelijk: financiële prikkels spelen een beperkte rol wanneer beschikbaarheid van werk, gezondheid of scholing de echte beperkingen zijn. Toch is het antwoord steevast: strenger. Alsof eerdere rondes onvoldoende streng waren.
Wat al deze dossiers verbindt, is de weigering om uitkomsten serieus te nemen. Tegenbewijs wordt weggeredeneerd als uitvoeringsfout, als tijdelijke afwijking, als gebrek aan politieke wil, of weggezet als 'linkse wetenschap'. De onderliggende aannames blijven buiten schot.
De vraag is dan ook niet waarom dit beleid faalt, maar waarom het wordt voortgezet. Ideologie biedt houvast, zeker voor partijen die hun identiteit ontlenen aan vaste economische overtuigingen. Toegeven dat een kernprincipe niet werkt is geen beleidswijziging meer. Het raakt de legitimiteit van het hele project. Zo ontstaat een situatie waarin beleid niet langer wordt getoetst aan resultaten, maar aan consistentie met het eigen verhaal. En daar krijgt die oude definitie van waanzin haar politieke betekenis.