Berusting en stampij

Nu de hoofdredacteur al bijna drie weken gevrijwaard is van dagelijkse beslommeringen, en hij door een warme Romaanse stad dwaalt temidden van andere toeristen, stelt hij zich natuurlijk existentiële vragen. Inmiddels is de hoofdredacteur 40e-jaars student Nederlands, sinds hij zich in 1986 inschreef voor die opleiding. Het is niet overdreven om te stellen dat het veertig jaar waren van voortdurende neergang. Al zat hij met ruim honderd eerstejaarsstudenten in de collegezaal, toch werd de hoofdredacteur er toen al op gewezen dat dit er veel minder waren dan tien jaar eerder. En dat bovendien de kwaliteit van de opleiding die de hoofdredacteur en die 99 anderen kregen niet bepaald vooruit was gegaan sinds de invoering van de zogeheten tweefasenstructuur enkele jaren eerder, die de maximale lengte van een studie had teruggebracht naar vier jaar. Sindsdien werd altijd alles almaar minder. Allerlei opleidingen waarbij de hoofdredacteur betrokken is geweest, leiden een kwijnend bestaan, de tak van onderzoek waarover de hoofdredacteur zo vol vuur een proefschrift geschreven heeft, bestaat niet meer, grote helden uit het verleden zijn overleden, en de hoofdredacteur kent uit zijn eigen studieperiode meerdere personen (mannen) die manager zijn geworden, maar geen grote wetenschappers. Geldschieters Ondertussen mag je blij zijn als alle opleidingen Nederlandse Taal en Cultuur samen net zoveel studenten trekken als die ene waar de hoofdredacteur zijn lange, lange studiepad op begon. Je zou misschien verwachten dat bij zoveel achteruitgang er geregeld sprake is van felle protesten, of misschien zelfs ongeregeldheden. Al is het alleen al omdat een en ander ook een slechte uitwerking moet hebben op het ene schoolvak dat iedereen in Nederland volgen moet — Nederlands. Maar de hoofdredacteur kan zich uit die veertig jaar niet dergelijke protesten herinneren. Het is, denkt de hoofdredacteur, terwijl hij een Romaans taartje eet naast een Romaanse koffie, misschien een generatiekwestie. Zijn generatie, geboren uit de laatste lootjes van de stille generatie, is altijd ingeklemd geweest tussen de groep die in de jaren zeventig studeerden of hun eerste banen kregen, overal een grote mond over hadden, maar het vak daarmee ook daadwerkelijk groot hebben gemaakt. Die af en toe rollebollend over straat gingen met twisten over het vak, maar daarmee ook lieten zien hoe belangrijk neerlandistische vragen waren. En deze zelfde polemische kracht ook wist in te zetten in manieren om geldschieters ervan te overtuigen dat het onderzoek naar het Nederlands gesteund moest worden. Onzin De hoofdredacteur heeft zijn generatie ooit weleens de generatie Isaäc genoemd, genoemd naar de schlemiel onder de aartsvaders, de man over wie zijn vader niet aarzelt om hem zo nodig te slachten, en die door zijn zoons later voor de gek wordt gehouden, en dat is zijn enige functie in de lange Bijbelse geschiedenis. ‘Ze zijn competent, mijn generatiegenoten,’ schreef de hoofdredacteur 15 jaar geleden, ‘vooral communicatief.’ Maar veel ideeën hebben ze niet en ze zullen geen geschiedenis maken. Dat lijkt hun ambitie ook niet. Ze hebben de macht, maar een macht die nog steeds aan het handje loopt van de vorige generatie, die ook nog ruim vertegenwoordigd is en die als mentor optreedt […]. Zulke constructies, van oudere mannen die over de schouder meekijken, had de vorige generatie waarschijnlijk niet toegelaten. De bestuurders in mijn generatie, of in ieder geval de mannen onder hen (opmerkelijk genoeg zijn de vrouwelijke bestuurders vaak wel uit het juiste hout gesneden — maar dat zijn er dan ook te weinig), blijken sindsdien inderdaad vooral goed in op andermans winkel passen. Mark Rutte, in Trouw indertijd al hét voorbeeld, laat dat nog steeds iedere dag zien. Zijn werk bestaat uit het slijmen bij hoger gestelden. De onderzoekers van de generatie Isaäc breken geen baan. En vergis u niet: ook de hoofdredacteur is vooral hoofdredacteur bij de gratie van anderen. Er is gelukkig wat dit betreft wel hoop. Deze generatie is het stokje aan het overdragen aan de kinderen van de naoorlogse generatie die wel stampij maakten, en die dit talent mogelijk (hopelijk) ook hebben doorgegeven aan de jongeren die nu aan het roer komen. Die hopelijk weer wat meer luidkeels durven te zeggen waar het op staat, ook als dat in de ogen van de hoofdredacteur onzin zal blijken te zijn. We hebben nu wel genoeg berust.

Door: Foto: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer (ca. 1818). Publiek domein, via Wikimedia Commons.
Foto: via Taalunie. Het Comité van Ministers met de interim-Algemeen Secretaris Foto Saycheese

Laat de Taalunie saai zijn

OPINIE - Aan sommige politicidingen zal ik nooit wennen. Het idee bijvoorbeeld om ‘verklaringen’ af te geven. Er is een evenement in Antwerpen, en je schrijft een volkomen nietszeggende tekst en noemt deze ‘de verklaring van Antwerpen’:

Als Comité van Ministers willen we daarom onze 100e vergadering aangrijpen om de Taalunie klaar te maken voor de toekomst. We bekrachtigen vandaag het belangrijke Verdrag uit 1980 en de doelstellingen in dat verdrag. Dat zijn de gemeenschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal en de gemeenschappelijke bevordering van de kennis en het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal, de Nederlandse letteren, en de studie en verspreiding van de Nederlandse taal en letteren in het buitenland. De Taalunie zal in de toekomst de verbindende rol van het Nederlands in maatschappelijke domeinen zoals onderwijs, cultuur, welzijn en de arbeidsmarkt blijven houden. Hierbij is het van belang dat de Taalunie ook bij het brede publiek een voldoende zichtbare en inspirerende rol opneemt.

Wie heeft hier wat aan? Wat stellen die ministers zich voor bij het, al dan niet gemeenschappelijk, ‘ontwikkelen’ van de Nederlandse taal? Op welke manier is de taal nog niet voldoende ‘ontwikkeld’? Gaan de ministers eigenhandig nieuwe zinsconstructies verzinnen? En wat is volgens hen eigenlijk ‘verantwoord gebruik’ van de Nederlandse taal, en hoe verhoudt zich dat tot ‘onverantwoord gebruik’? Is de taal een dodelijk instrument waarbij de overheid ervoor moet zorgen dat mensen er niet onverantwoord mee omgaan? Moet men voortaan een vergunning hebben om Nederlands te kunnen spreken?

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: copyright ok. Gecheckt 02-03-2022

Tegen de kruideniers

RECENSIE - De Vlaamse essayist Luc Devoldere bundelde een groot aantal van zijn eerder verschenen artikelen over taal, literatuur en Europese cultuur in het boek Tegen de kruideniers. Devoldere is classicus, filosoof, gewezen leraar en thans directeur van Ons Erfdeel, een instelling die de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend wil maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevordert.

Hij stelt belangwekkende vragen over talen in Europa: “Hoe blijven we overeind in Babel? Hoe gaan we om met de machtsverhoudingen die altijd bestaan tussen talen? Hoe garanderen we echte meertaligheid die meer is dan het verstaan en het spreken van Engels? Hoe gaan we om met meerstemmigheid, diversiteit en complexiteit?”

Het zijn vragen die ook terugkomen in het debat over identiteit, de nationale identiteit en de Europese identiteit die er volgens sommigen nooit zal komen. “Europa,” voorspelt Devoldere, “gaat ten onder aan zijn talen en aan de spanning tussen de mantra van ‘diversiteit’ en ‘eenheid’ die het telkens moet laten horen.”

Het zijn intrigerende openingszinnen die bij mij verwachtingen wekten die helaas niet worden waargemaakt. Devoldere is een beschouwer, iemand die zijn waarnemingen en overpeinzingen mooi kan verwoorden en prettig leesbaar opschrijft. Maar vraag hem niet wat we er morgen mee gaan doen. De vragen worden opgeworpen, niet beantwoord. Ze zijn vooral bedoeld als aftrap voor een dikke bundel artikelen, als een “inleiding achteraf”, zoals de schrijver het zelf noemt, op een potpourri aan overpeinzingen over een breed scala aan onderwerpen die alle min of meer gerelateerd zijn aan de Europese cultuur.