In het stuk “Joods-christelijke natie” reageert Peter Breedveld ouderwets venijnig op de politieke verontwaardiging rond het tijdelijk schorsen van een Kamercommissievergadering voor een iftar, en de claim dat dit het 'Joods-Christelijke' karakter van Nederland zou aantasten. Volgens hem toont de ophef vooral hoe het begrip “joods-christelijke cultuur” instrumenteel wordt ingezet: niet uit daadwerkelijke solidariteit met Joden, maar als retorisch wapen tegen moslims.
Nederlanders houden niet van Joden, ze hebben nooit van Joden gehouden, ze haten moslims, ze haten zwarte en bruine mensen, dat is wat anders.
Breedveld betoogt dat dit zogenaamde filosemitisme historisch gezien weinig geloofwaardig is. Nederland kende immers een lange geschiedenis van antisemitisme en collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In zijn lezing vormt de huidige omarming van “het joods-christelijke” daarom vooral een politiek frame: Joden worden tijdelijk in de nationale identiteit opgenomen zolang ze bruikbaar zijn in een anti-islamverhaal.
Dat je niet eens een kwartiertje wilt schorsen om je islamitische collega’s hun vasten te laten verbreken. Dat je dan maar weer van de gelegenheid gebruik maakt om het iedere moslim in te wrijven dat ze hier niet horen, dat ze weg moeten. Om een volgende keer weer te jammeren dat moslims zich niet aanpassen.
Vies, goor, weerzinwekkend tuig. Antisemitisch tuig, islamofoob tuig, racistisch tuig. Verachtelijk schorem. Lompe horken. Ongemanierde varkens.
Nederlanders.