De volkskunde, net als de archeologie, leunt sterk op vrijwilligers en amateurs (in de zin van niet-professionals) die in de regel voor de wetenschappers het 'vuile werk' verrichten: het verzamelen van data en voorwerpen en het catalogiseren ervan, digitaliseren van analoge gegevens en dergelijke. Tegenwoordig heet zoiets met een mooi woord 'Citizen Science'.
Het verschil tussen professionals en amateurs, met name bij empirische wetenschappen als archeologie, dateert pas uit het midden van de negentiende eeuw. De wereldberoemde ontdekker van het oude Troje, Heinrich Schliemann (1822-1890), was archeologisch gezien een amateur (met heel veel geld). Dergelijke 'wetenschappen' waren in die tijd hobby's voor mensen die er tijd en geld voor hadden of op slimme wijze sponsoren wisten te vinden. Pas toen 'wetenschapper' een formeel beroep werd riep men de hulp in van liefhebbers zonder of met een andere academische opleiding om met name kale gegevens te verzamelen die vervolgens door de wetenschap werden gerubriceerd, gecatalogiseerd en geïnterpreteerd. Het duurde tot het midden van de 19e voordat archeologie een wetenschap werd, te beginnen met de publicaties van de geologen James Hutton en Charles Lyell. Uiteraard liggen geologie en archeologie in elkaars verlengde.
Eenzelfde ontwikkeling is waar te nemen bij de volkskunde en de bestudering van folk-lore.