Goed volk | H.W. Heuvel, de meester van Laren

De volkskunde, net als de archeologie, leunt sterk op vrijwilligers en amateurs (in de zin van niet-professionals) die in de regel voor de wetenschappers het ‘vuile werk’ verrichten: het verzamelen van data en voorwerpen en het catalogiseren ervan, digitaliseren van analoge gegevens en dergelijke. Tegenwoordig heet zoiets met een mooi woord ‘Citizen Science‘.

Het verschil tussen professionals en amateurs, met name bij empirische wetenschappen als archeologie, dateert pas uit het midden van de negentiende eeuw. De wereldberoemde ontdekker van het oude Troje, Heinrich Schliemann (1822-1890), was archeologisch gezien een amateur (met heel veel geld). Dergelijke ‘wetenschappen’ waren in die tijd hobby’s voor mensen die er tijd en geld voor hadden of op slimme wijze sponsoren wisten te vinden. Pas toen ‘wetenschapper’ een formeel beroep werd riep men de hulp in van liefhebbers zonder of met een andere academische opleiding om met name kale gegevens te verzamelen die vervolgens door de wetenschap werden gerubriceerd, gecatalogiseerd en geïnterpreteerd. Het duurde tot het midden van de 19e voordat archeologie een wetenschap werd, te beginnen met de publicaties van de geologen James Hutton en Charles Lyell. Uiteraard liggen geologie en archeologie in elkaars verlengde.

Eenzelfde ontwikkeling is waar te nemen bij de volkskunde en de bestudering van folk-lore.

Wetenschap en amateurs

Pas onder invloed van de Romantiek ontwikkelde volkskunde zich tot een wetenschap en settelde zich aan het begin van de 20e eeuw als een formele wetenschappelijke discipline (zie mijn bijdragen op Sargasso in 2018 vanaf hier. De volkskunde was in met name in de eerste eeuw van zijn bestaan voor een groot deel afhankelijk van plaatselijke amateurs, in de meeste gevallen schoolmeesters, die niet alleen materiaal verzamelden maar dit ook omwerkte tot gepubliceerde teksten.

Eén van de bekendsten is onderwijzer-folklorist Jaq. Gazenbeek (1894-1975), die vooral en als een van de eersten over de folklore van de Veluwe publiceerde. In tegenstelling tot sommigen van zijn tijdgenoten legde hij hierbij niet de indruk op veronderstelde Germaanse elementen hiervan, een visie die nu als algemeen achterhaald wordt beschouwd. Een andere pionier was Ate Doornbosch (1926-2010) die als een waarachtig veldwerker met zijn bandrecorder door het land trok om oude volksliedjes op te nemen voordat ze uitgestorven waren. Doornbosch is voor zover ik weet de enige niet-academicus die tot de wetenschappelijk kring van het Meertens Instituut heeft weten door te dringen, dat ook zijn werk in druk en op CD heeft uitgegeven. Een derde voorbeeld betreft D.J. van der Ven (1891-1973). Van der Ven was zelf niet verder gekomen dan de H.B.S., al was zijn echtgenote dr Elise van der Ven-ten Bensel (1892-1982), academisch gepromoveerd. Het materiaal dat Van der Ven verzameld had (zo’n honderd verhuisdozen boordevol boeken, tijdschriften, foto’s, artikelen, brochures en correspondentie) kwam uiteindelijk bij het Meertens Instituut terecht die ter ere van de verworven buit op 21 november 2019 een minisymposium hield over Van der Ven.

Meester Heuvel

Deze blog gaat voorts over onderwijzer-folklorist ‘meester’ H.W. Heuvel (1864-1926), die bekend staat als ‘Meester Heuvel’ en wel naar aanleiding van de recente wetenschappelijke uitgave van zijn belangrijkste en vuistdikke werk: Oud-Achterhoeksch boerenleven – het gehele jaar rond, dat postuum in 1927 werd gepubliceerd en elf drukken beleefde, de laatste in 2001. In 2020 verscheen de twaalfde, herziene en geannoteerde (bijna 2500) druk bij uitgeverij Aspekt onder de titel Oolde, mijn Oolde – Hendrik Willem Heuvels universum, onder hoofdredactie van dr Willem Ouweneel.

H.W. Heuvel

Let op de term ‘universum’, want Heuvel schreef over veel meer dan het Achterhoeksch boerenleven. De nieuwe titel slaat op het feit dat Heuvel werd geboren op boerderij Blauwhand in de buurtschap Oolde bij Laren (Gld). Het boek is van belang voor historisch geografen, antropologen, volkskundigen en folkloristen en staat vol met gegevens over volksgebruiken, volksweerkunde, feesten en hoogtijdagen en dialect (spreuken en gezegden).

Meester Heuvel mag zich verheugen in twee studiekringen die aan hem zijn gewijd: Studiekring Meester Heuvel te Borculo, waar Heuvel schoolhoofd is geweest en die ook verantwoordelijk is voor de heruitgave van Oud-Achterhoeksch boerenleven, en de Larense Heuvel Werkgroep, opgericht naar aanleiding van de 150e geboortedag van Meester Heuvel. Beide studiekringen werken overigens nauw samen. Heuvel heeft ook de DBNL gehaald.

Boerenzoon

Hendrik Willem Heuvel was een veelzijdig mens die zijn boerenafkomst uiteindelijk behoorlijk oversteeg. Voor boer was hij bepaald niet in de wieg gelegd en hij wilde aanvankelijk dominee worden. Hij vertrok daartoe naar Doetinchem waar een gymnasiale vooropleiding theologie was gevestigd, maar keerde uit heimwee naar huis terug. Hij koos nu voor een loopbaan als onderwijzer en behaalde in 1882 in Arnhem zijn diploma en in 1887 de hoofdakte, en vervolgens nog in 1890 de landbouwakte in Wageningen. Het boerenleven zat kennelijk bij Heuvel toch dieper dan hij aanvankelijk dacht.

In 1883 werd hij als onderwijzer benoemd aan de lagere school van Laren waar hij acht jaar verbleef. Zeven jaar later werd hij hoofd van de lagere school te Gelselaar en in 1901 werd hij schoolhoofd te Borculo, wat hij bleef tot zijn dood in 1926. In Borculo was hij overigens ook president-kerkvoogd. Vele jaren verzorgde Heuvel landbouwonderwijs in Borculo, Geesteren en Haarlo voor leergierige boerenzoons. In 1891 trouwde Heuvel met de onderwijzersdochter en achternicht Derkje Wesseldijk (1869-1955), afkomstig uit Tongeren op de Veluwe, bij wie hij vier kinderen kreeg.

Zijn levensschets nodigt niet uit tot rode oortjes – hij wordt niet voor niets tot de Biedermeiercultuur gerekend – maar daarmee zouden we Heuvel toch te kort doen. De leidende functies die hij als relatief eenvoudige boerenzoon in de loop der tijd bekleedde, verraden een behoorlijke intelligentie. Na het behalen van zijn onderwijsakte maakte hij zich door zelfstudie een grote kennis van de natuur, de volkskunde en de geschiedenis – inclusief cultuur- en kerkgeschiedenis – eigen waardoor hij veel uitnodigingen kreeg voor het houden van lezingen op historisch, volkskundig, kerkhistorisch, landbouw- en zelfs sterrenkundig terrein.

Publicaties

Tijdens zijn verblijf aan de lagere school in Gelselaar begon Heuvel te publiceren. Eerst leerboeken voor het lager onderwijs: aardrijkskunde (De wijde, wijde wereld. 3 delen) maar ook historische schetsen. In 1901 verscheen Oud-Gelselaar en in 1903 Geschiedenis van het land van Berkel en Schipbeek. In 1913 schreef hij een biografie over de Nederlandse schrijfster en dichteres Elisabeth Maria Post die in haar boek Het land, in brieven (1788) het leven op het platteland had verheerlijkt. Het is in feite een fysico-theologisch werk met als conclusie: door de natuur te observeren kan men God ervaren.

Om eerst het rijtje enigszins te completeren: in 1909 publiceerde Heuvel Volksgeloof en Volksleven, waarin hij volkskundige onderwerpen breedvoerig beschrijft. Ook publiceerde hij een artikel over de 17e eeuwse schrijver Jan Luycken. Pas na zijn dood publiceerde Heuvels jongere vriend Hendrik Odink het reeds besproken hoofdwerk over Oud-Achterhoeksch boerenleven, inmiddels een klassieker in de volkenkunde.

Licht over de graven

Zijn meest oorspronkelijke werk is naar mijn mening Licht over de graven – Gedachten over onsterfelijkheid (1921) waarin hij zijn ideeën over het leven na de dood baseert op het panentheïsme en pantheïsme. Heuvel was op kerkelijk terrein, net als in de politiek trouwens (liberaal), namelijk beslist niet eenkennig. Op kerkelijk terrein had hij grote belangstelling voor alle gezindten, inclusief de afgescheidenen, al voelde hij zich persoonlijk meer thuis bij de modernen. Hij liet zich qua spiritualiteit inspireren door de Nederlandse schrijver Frederik van Eeden en de Belgische Nobelprijswinnaar (1911) schrijver graaf Maurice Maeterlinck.

Heuvel schreef Licht over de graven naar aanleiding van hem ontvallen personen waaronder zijn zusje Diekske. Het boekje is niet of nauwelijks antiquarisch verkrijgbaar, maar is dankzij inspanning van de Studiekring Meester Heuvel hier als PDF te downloaden. Heuvelkenner dr Derk Jansen publiceerde in het Jaarboek Achterhoek & Liemers nr 38 (2014) over ‘Heuvel als Mysticus’.

Wellicht nog interessanter is de tekst in ‘Heuvel hervonden’ (2009) van dezelfde auteur en de lezing ‘Het wonderland der ziel’ (1921) van Heuvel zelf, waarin hij zijn (para-)psychologische en spirituele opvattingen weergeeft over onderwerpen als het onderbewuste, slaap en dromen, hypnose, somnambulisme, magnetisme, de wichelroede, gebedsgenezing, telepathie, psychometrie en spiritisme. Wat dat betreft was Heuvel een kind van zijn tijd, maar wel opvallend voor een voorzitter van een kerkbestuur, schoolhoofd en folklorist.

Reacties zijn uitgeschakeld