Rechtspraak en de vrijheid van meningsuiting

De recente waanlink naar een artikel van onze buren over een zekere site die een dubbele moraal zou hebben, deed me denken aan een eerdere discussie hier en een halve toezegging daarin.
Een deel van de discussie draaide om de veroordeling van Ertan en de vermeende gelijkenis met andere sites die daar (nog) niet veroordeeld voor werden. Probleem bij die discussie was dat de gerechtelijke uitspraak nog niet openbaar was en er dus op basis van veronderstellingen gesproken werd.
Die uitspraak is er inmiddels wel en kan dus door iedereen alsnog gelezen worden. Ik vrees alleen dat daarmee de discussie opnieuw start. De uitspraak is namelijk dubbel, hij is schuldig bevonden op onder meer:
het in het openbaar en bij geschrift aanzetten tot haat tegen en discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid

Hij is dus zowel voor aanzet tot haat en discriminatie veroordeeld, als voor aanzet tot geweld. Deze zaken worden niet los getrokken. Aan u om te bepalen wat de exacte impact is van deze uitspraak. Ik moet de discussie nog even op mijn gemak terug lezen en de uitspraak ook nog vier keer zodat ik hem vat. Duiding van juridisch specialisten wordt op prijs gesteld.

Hieronder de volledige uitspraak (omdat ik eerst dacht dat direct linken niet mogelijk was).

LJN: BD7024, Gerechtshof Amsterdam , 23-002759-06
Datum uitspraak: 20-06-2008
Datum publicatie: 11-07-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Belediging Verdonk en aanzetten tot haat en discriminatie van homosexuelen op weblog strafbaar. Onder de in het arrest genoemde omstandigheden, waaronder het gegeven dat de uitspraken gepaard gaan met oproepen tot geweld, beroep op vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM, verworpen.
Uitspraak
arrestnummer:
parketnummer: 23-002759-06
datum uitspraak: 20 juni 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-124393-04 van het openbaar ministerie
tegen

[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1971],
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 11 mei 2006 en 18 mei 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 17 augustus 2007, 25 februari 2008 en 6 juni 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van verweren en bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman heeft in de eerste plaats –zakelijk weergegeven- betoogd dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat de onder feit 1 weergegeven uitlatingen niet beledigend zijn in de zin van artikel 266 en/of 267 van het Wetboek van Strafrecht en ook omdat bij verdachte het opzet heeft ontbroken om te beledigen. De raadsman heeft daartoe gesteld dat verdachte de bedoeling heeft gehad op humoristische wijze en in de vorm van satire weer te geven wat er mis was met de visie van Verdonk op het gebied van integratie van moslims en haar beeld van moslims, waarbij verdachte heeft gechargeerd, en sterke overdrijving als middel heeft gehanteerd om zijn visie uiteen te zetten.

In de tweede plaats heeft de raadsman betoogd dat met de vervolging van verdachte een ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op vrijheid van meningsuiting, zoals gegarandeerd in artikel 10 EVRM.
In dit verband heeft de raadsman opgemerkt dat een politicus als Verdonk meer moet verdragen dan de gemiddelde burger, te meer gezien haar eigen ferme opstelling in het publieke debat.
De uitlatingen van verdachte hebben bijgedragen aan het publieke debat, in die zin dat zijn opzet erop was gericht met zijn uitingen discussie uit te lokken.
Indien het tenlastegelegde feit wel is te bewijzen dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen omdat het feit in het licht van art. 10 EVRM niet strafbaar is.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

De raadsman heeft in de eerste plaats vrijspraak bepleit van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde omdat er geen sprake is geweest van aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen homo’s. De raadsman heeft daartoe gesteld dat verdachte zich alleen heeft uitgelaten over hoe hij zelf zal handelen en in die zin niemand heeft proberen over te halen. Bovendien betreffen zijn uitlatingen een volstrekt imaginaire situatie en alleen al daaruit volgt dat verdachte een en ander niet serieus kan hebben gemeend. Aldus ontbreekt ook de opzet van verdachte.

Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat met de vervolging van verdachte ten aanzien van dit feit ook een ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op vrijheid van meningsuiting, zoals gegarandeerd in artikel 10 EVRM.
Indien het tenlastegelegde feit wel is te bewijzen dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen omdat het feit in het licht van art. 10 EVRM niet strafbaar is.

Ten aanzien van feit 3:

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 3 wegens het ontbreken van opzet op het publiceren van de tekst, subsidiair dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat de gewraakte tekst hem niet kan worden toegerekend. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de tekst afkomstig was van een andere site en dat verdachte per abuis de knop Publish Post in plaats van Save as Draft heeft aangeklikt en dat hij kort daarop de bronvermelding en de doorstreping van de laatste zin heeft geplaatst. Door de bronvermelding en doorstreping van de laatste zin van de tekst op zijn website heeft verdachte afstand genomen van de inhoud van de tekst en er blijk van gegeven niet achter de gewraakte uitlatingen te staan, aldus de raadsman.

In algemene zin heeft de raadsman nog betoogd dat het forum waarvan verdachte zich bediende een weblog was en dat dit verschilt van een medium als televisie of radio. Verdachte mocht ervan uitgaan dat personen die van zijn teksten kennis zouden nemen dat ook wilden, dit in tegenstelling tot het gebruik bij een medium als radio of televisie. Bovendien zijn de uitingen gedaan op internet in het algemeen vaak grover dan bij radio of televisie, aldus de raadsman.
De media hebben de verdere verspreiding van de teksten van verdachte bevorderd, waarbij ook het MDI een rol heeft gespeeld. Immers de aangifte van het MDI is een nieuwsfeit geworden.
Van belang is voorts dat verdachte de uitlatingen niet anoniem heeft gedaan, maar als Nederlander met een Turkse achtergrond, over onderwerpen als integratie. Deze leverden een bijdrage aan het publiek debat.

De beoordeling

Feit 1:

Het hof stelt vast dat de bewoordingen zoals opgenomen in de tenlastelegging onder 1 naar inhoud en strekking de in haar toenmalige functie van Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie genoemde M.C.F. Verdonk aanduiden als een onreine vieze vette zeug die gestenigd mag worden.
De bewoordingen laten geen andere conclusie toe dan dat deze Verdonk aanranden in haar eer en goede naam en zij hebben derhalve een onmiskenbaar beledigend karakter.
Verdonk heeft voornoemde bewoordingen ook als buitengewoon kwetsend en beledigend ervaren zo blijkt uit de brief van het Ministerie van Justitie van 14 september 2004, inhoudende de aangifte namens Verdonk door tussenkomst van [aangever], en voorts uit een brief van 28 februari 2007 van voornoemde Verdonk aan de officier van justitie mr. P. Velleman.
De context waarin de bewoordingen voorkomen, ontneemt het beledigend karakter daaraan niet, noch valt in te zien dat een en ander satire of overdrijving betreft, waardoor het beledigend karakter aan de bewoordingen is komen te ontvallen, zoals de raadsman heeft betoogd. Daarbij weegt mee dat de beledigende tekst aan het eind van de open brief is opgenomen, daarmee in geen enkel verband staat, geen informatie biedt, geen inhoudelijke kritiek op het functioneren van de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken inhoudt en ook niet uitnodigt tot discussie en/of debat, terwijl het hof ook overigens geen satirisch gehalte in de bewoordingen –ook niet in samenhang met de voorgaande tekst uit de open brief- heeft kunnen ontdekken.
Verdachte heeft deze bewoordingen op zijn weblog op het internet geplaatst en was zich naar eigen zeggen bewust van de provocerende toonzetting. Ook het opzet is daarmee bewezen.

Feit 2:

Het hof is van oordeel dat de bewoordingen zoals ten laste gelegd naar inhoud en strekking een onmiskenbaar haatdragend en discriminerend karakter hebben, nu verdachte het vermoorden van een minderheidsgroep, te weten homoseksuelen, als uiting van zijn godsdienstige beleving propageert. De tekst kan naar haar strekking –ook in het licht van de wellicht gehanteerde beeldspraak- niet anders worden verstaan dan als een goedkeuring, maar daarnaast ook oproep en aansporing, om tegen homoseksuelen geweld te gebruiken.
Verdachte heeft aldus aangezet tot haat tegen, discriminatie van en gewelddadig optreden tegen homoseksuelen.
Immers, anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat een en ander niet een volstrekt imaginaire situatie betreft waarvan op het eerste gezicht duidelijk moet zijn dat verdachte deze niet heeft gemeend. Daarbij weegt mee dat voornoemde uitlatingen passen in het beeld van de uitlatingen van verdachte zoals geformuleerd onder feit 1 en feit 3, waarbij hij ook het gebruik van geweld propageert.
Voorts acht het hof het bepaald niet ondenkbaar dat bepaalde groepen of personen in de maatschappij in de uitlatingen van verdachte op het internet ook daadwerkelijk aanleiding zien om geweld te gebruiken tegen homoseksuelen, of zich in hun reeds bestaande voornemens daartoe aangemoedigd voelen.
Daarbij is duidelijk dat uitlatingen als de onderhavige de haat en discriminatie jegens homoseksuelen, die van tijd tot tijd ook daadwerkelijk tot uiting komen in geweld tegen hen, aanwakkeren.

Feit 3:

In het dossier bevindt zich een geschrift zijnde een kopie van een afdruk van een webpagina van verdachte (p 003)van 27 juli 2005. De laatste zin van de tekst onder het kopje “Amsterdam Pride or Hell?” luidend “Laten we er een explosief feestje van maken”, is niet doorgestreept. Ook is er geen sprake van bronvermelding.
Uit de aangiftes van het MDI van 29 juli 2005 (p 001) en [aangever2](p 013) volgt dat genoemde tekst in deze vorm op 27 juli 2005 op de webpagina te lezen was.

Over deze tekst heeft de verdachte op 6 augustus 2005 tegenover de politie het volgende verklaard:
“De tekst “Amsterdam Pride or Hell” staat op [website]. Ik heb dat gekopieerd en op mijn site gezet, op [verdachte].blogspot.com. Er was veel ophef over en de site is uit de lucht gehaald. Ik vond dat onzin en ik vond dat dit gewoon op internet moest blijven te lezen. Hierop heb ik het dus op mijn site gezet. …Ik doe me gewoon voor als moslimextremist op het internet.”
Ook is de verdachte in dat verhoor met zoveel woorden gevraagd naar (de bedoeling van) de in de tekst geplaatste zinsnede: “Laten we er een explosief feestje van maken”. Verdachte heeft toen niet aangegeven dat hij bronvermelding heeft toegepast en overigens deze zin heeft doorgestreept om kenbaar te maken dat hij niet achter de inhoud stond.

Dat verdachte bij de publicatie een vergissing heeft gemaakt, zoals verdachte in hoger beroep heeft betoogd is gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden.
Ook is niet aannemelijk geworden dat verdachte van de bewoordingen afstand heeft genomen door doorhalingen toe te passen of een bron te vermelden, waardoor het niet meer redelijk zou zijn de tekst aan hem toe te rekenen.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Met betrekking tot de inhoud van de tekst is het hof van oordeel dat daarvoor mutatis mutandis hetzelfde geldt als hiervoor ten aanzien van feit 2 is overwogen.

Voor de beantwoording van de vragen of bij de onderhavige feiten sprake is van een belediging in de zin van artikel 266/267 Wetboek van Strafrecht en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld in de zin van artikel 137d Wetboek van Strafrecht, moet niet alleen de tekst op zichzelf beschouwd beoordeeld worden. Immers, beide artikelen vormen een wettelijke uitzondering op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, zoals verankerd in onder meer artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het toetsingskader van artikel 10 EVRM

Artikel 10 EVRM beschermt de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM heeft een uitvoerige jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM. Het EHRM heeft daarin benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting een van de meest essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt en tevens een voorwaarde voor haar ontwikkeling als geheel en voor de ontwikkeling van de individuen binnen die rechtstaat.
Artikel 10 EVRM beschermt ook informatie of ideeën die “offend, shock or disturb”.
Het recht op vrije meningsuiting, als gegarandeerd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan:
“bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen”.

De term noodzakelijk houdt in dat er een dringende maatschappelijke noodzaak (a pressing social need) moet zijn voor zodanige beperking.
De rechter moet daarbij de zaak als geheel tegen het licht houden, en acht slaan op de inhoud van de bestreden bewoordingen en de context waarin deze werden gebruikt. Hij zal moeten vaststellen of de tussenkomst van de autoriteiten proportioneel was in relatie tot de legitieme doelstellingen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Artikel 10, eerste lid, EVRM laat daarbij weinig ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen over onderwerpen die het publiek belang raken.
De Europese rechtspraak laat zien dat in zodanig geval de autoriteiten zich terughoudend dienen op te stellen bij het hanteren van strafrechtelijke vervolging in gevallen waarin andere mogelijkheden beschikbaar zijn als antwoord op onterechte kritiek of aanvallen .

In het geval uitlatingen oproepen tot geweld tegen personen, – zoals in het onderhavige geval tegen ambtsdragers of groepen in de samenleving – komt de Staat een grotere beoordelingsmarge toe bij de vraag of er een noodzaak bestaat over te gaan tot een beperking van de vrijheid van meningsuiting.

In het onderhavige geval is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de (mogelijke) beperking is voorzien bij wet. Daarnaast dient een mogelijke veroordeling van verdachte in elk geval een aantal van de in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doelen, te weten de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, het belang van de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten. Dat betekent dat te dezen de vraag moet worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Het hof beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende omstandigheden en overwegingen.

-Verdachte, zonder beroep, hield op een website een weblog bij waarop hij verslag deed van zijn opvattingen, ideeën en wensen.
-Door gebruik te maken van het internet heeft verdachte welbewust gekozen voor een medium met een groot potentieel publieksbereik en kon via zijn website ook daadwerkelijk een groot publiek worden bereikt. Daaraan doet niet af dat internetgebruikers de website van verdachte moesten aanklikken en aldus “niet ongevraagd” zoals bij het medium radio of televisie, met verdachte’s opinies in aanraking kwamen. Niet gebleken is dat de website bijvoorbeeld met een wachtwoord was beschermd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van internet een enorme vlucht heeft genomen en het hof ziet geen reden voor wat het
publieksbereik betreft een onderscheid te maken tussen radio en televisie enerzijds en internet anderzijds.
-Verdachte heeft de mogelijkheid om -voor derden zichtbaar- via de website op zijn weblog te reageren afgeschermd. Verdachte heeft dit naar zijn zeggen gedaan omdat hij (het hof begrijpt: naar aanleiding van zijn uitlatingen) te vaak bedreigingen ontving. De facto heeft verdachte daarmee echter de mogelijkheid voor anderen uitgesloten om zichtbaar op de website een reactie of tegengeluid te laten horen en heeft hij ruimte voor een publiek debat, naar eigen zeggen de doelstelling van de weblog, daarmee uitgesloten.
-De teksten zoals ten laste gelegd onder 1,2 en 3 zijn niet alleen beledigend, dan wel haatzaaiend en discriminerend maar roepen ook op tot geweld ten aanzien van groepen in de maatschappij die daartegen wettelijke bescherming genieten. Daarmee heeft verdachte elke aanvaardbare grens overschreden.
-Het recht op vrijheid van meningsuiting biedt daarvoor geen vrijbrief –zeker niet voor oproepen tot geweld-, maar gaat gepaard met plichten en verantwoordelijkheden, een en ander zoals verwoord in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
-Naar aanleiding van voornoemde uitlatingen is beroering in de samenleving ontstaan waarover de media hebben bericht.
Met betrekking tot de belediging van Verdonk (feit 1) geldt nog het volgende:
Ook uitlatingen jegens politici kunnen onnodig grievend zijn. In de context van deze zaak is van een beschermingswaardige meningsuiting niet gebleken, te minder nu de beledigingen ook inhouden dat steniging en dus ernstig geweld gepast zou zijn, een en ander in lijn met de uitlatingen als ten laste gelegd onder feit 2 en 3. Dat Verdonk vanwege haar rol als politicus dit zou hebben te verduren wijst het hof van de hand.

Het hof is derhalve van oordeel dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting van verdachte door vervolging terecht is gemaakt en noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde (grond) rechten van anderen. Niet aannemelijk is dat dit voldoende op een andere wijze dan door middel van strafrechtelijk ingrijpen kon worden gerealiseerd.
Het hof is op voormelde gronden van oordeel dat artikel 10 EVRM door vervolging ten aanzien van de onderhavige feiten niet is geschonden.
Het verweer met betrekking tot artikel 10 EVRM wordt verworpen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

hij in de periode van 23 augustus 2004 tot en met 14 september 2004 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening te weten de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie mevrouw M.C.F. Verdonk, in het openbaar bij geschrift te weten via de website http://ertan.blogspot.com heeft beledigd, door op voornoemde website een tekst te plaatsen met de volgende inhoud:

Laatst was ik met mijn zoontje naar de kinderboerderij. We raakten in een
diepgaand gesprek wat ongeveer als volgt verliep:
– “He pap, wat is dat voor een vreemd dier?”
Dat, mijn jong, is een vette zeug, maar wij noemen ze een Verdonkje.
– “het is wel een erg vies dier, he pap?”
Ja jongen, Verdonkjes zijn altijd zeer onrein.
– “He pap, daar ligt een steen, mag ik ’t naar haar hoofd gooien?”
Uhh, nee, dat mag jij niet. Van wie heb je dat geleerd? Zo mag je niet omgaan
met dieren.
– “Alstublieft! Alstublieft!”
Nou, vooruit dan maar, voor deze ene keer.
– “Hoi! Hoi!”
Mik op haar voorhoofd. Kom op jongen, je kunt ‘t. Stenig haar!

Met vriendelijke groeten
[verdachte];

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

hij in de periode van 25 april 2004 tot en met 11 januari 2005 te Amsterdam, in het
openbaar, bij geschrift, heeft aangezet tot haat tegen en discriminatie, als bedoeld in artikel 90 quater Wetboek van Strafrecht, van mensen, te weten homoseksuelen en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten homoseksuelen, wegens hun homoseksuele
gerichtheid, door als internetgebruiker op de internetpagina http://www.ertanbiz/2004/04/de-weg-van-ertan.html een tekst te plaatsen met de volgende inhoud:

“Zodra de islamitische wet van kracht is in Nederland zal ik de eerste zijn die elke protesterende homo, met het hoofd naar beneden, van de Westertoren af zal duwen. De Tweede-Kamerlid Boris D. van D66 maakt daarbij goede kans om als eerste te mogen. Het stenigen daarop zou ik graag aan anderen willen overlaten, daar ik mij zou moeten concentreren op de gepaste afsluiting van deze feestelijke bijeenkomst, namelijk het opblazen van het Homomonument,
geheel zoals met de Boedha-beelden in Afghanistan.”.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

hij op 27 juli 2005 te Amsterdam, in het openbaar, bij geschrift, heeft aangezet tot haat tegen mensen, te weten homoseksuelen, en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten homoseksuelen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, door als internetgebruiker
op de internetpagina [verdachte].blogspot.com. een teksten te plaatsen met de volgende inhoud:

“27 juli 2005
Amsterdam pride or Hell?
Als het aan de Mujahideen van de Abu Hafs al-Masri ligt wordt het een hel
deze zomer. In een internetverklaring dreigen ze van Amsterdam namelijk een
hel te maken.
Onze volgende beloftes zullen tot uitdrukking worden gebracht in het hart van
de Europese hoofdsteden, in Rome, in Amsterdam en in Denemarken van wie
soldaten nog altijd in Irak zijn gestationeerd, hun Amerikaanse en Britse
meesters dienend.

Broeders, even voor de goede orde, de Canal Parade (je weet wel, homo’s die
dobberen op de Amsterdamse grachten) is op zaterdag 6 augustus 2005 vanaf
14.00 uur. Laten we er een explosief feestje van maken”;

Hetgeen onder 1, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

ten aanzien van het onder 2 subsidiair en 3 bewezengeachte, telkens:

het in het openbaar en bij geschrift aanzetten tot haat tegen en discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte -voor het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde- veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren werkstraf subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op zijn internetpagina een tekst geplaatst waarin hij zich op beledigende wijze heeft uitgelaten over de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken, Verdonk. Daarnaast heeft verdachte teksten op het internet geplaatst die aanzetten tot haat en discriminatie jegens homoseksuelen, en het gebruik van geweld tegen hen. Dit is niet alleen kwetsend voor de betreffende personen, maar wekt ook beroering in de samenleving en druist in tegen de in die samenleving gerespecteerde normen en waarden, zoals die in de betreffende strafwetgeving vorm hebben gekregen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 mei 2008 is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 137d, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 100 (honderd) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van die taakstraf, groot 50 (vijftig) UREN, in geval van niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, zulks naar de maatstaf van 2 (TWEE) UREN per dag.

Dit arrest is gewezen door de derde kamer meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van Wijnen-Vergeer, mr. L.A.J. Dun en mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen in tegenwoordigheid van mr. O. Boekraad, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2008.

Mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

  1. 2

    heb wel eens 60 dagen isolatie gezeten voor mindere uitspraken.
    Laat hij standup comedian worden kijken of hij volle zalen kan trekken met “zijn humor”.
    Laat hij in speakers corners zijn mening poneren kijken of er medestanders zijn.

    Vechten voor een goede zaak doe je met een open vizier en in het gezicht.
    Dat hij anderen kan opjutten is hem niet aan te rekenen (wilders,imams etc) that’s life. idioten die niet voor zichzelf nadenken gibt es ja überall,

    Disrespect dus voor noob ertan, net als gregorius , nephumor.

  2. 5

    Verdachte, zonder beroep, hield op een website een weblog bij waarop hij verslag deed van zijn opvattingen, ideeën en wensen.
     
    Wat heeft dat zonder beroep er nou weer mee te maken? Of mogen mensen met werk meer dan mensen zonder werk?

  3. 10

    @9: Das toch niet serieus he? (maar even los daarvan, het verkopen van de hamer an sich is geen strafbaar feit dus een verzwarende omstandigheid is het in dat geval niet).