Post-atheïst | Schelden en terugschelden
COLUMN - Wat doe je, als christelijke auteurs je beschuldigen van zo’n beetje alle delicten uit het Wetboek van Strafrecht en speciaal voor jou zelfs nog een misdrijf verzinnen? Ga je rustig uitleggen dat het allemaal berust op een misverstand? Nee natuurlijk. Dat kost teveel tijd en zou bovendien de indruk wekken dat je iets te verdedigen hebt. Dus scheld je terug. Dat is nu zo. Dat was vroeger zo.
De christelijke polemiek tegen de joden begint al in het Nieuwe Testament. De gemeenschap waarvoor Johannes zijn evangelie schrijft, had een pijnlijke breuk met een joodse gemeenschap achter de rug en de evangelist ziet er geen been in ‘de’ joden aan te duiden als duivelskinderen. In de loop van de tweede eeuw worden de verwijten nog grover. Bisschop Melito verwijt de joden – opnieuw: ‘de’ joden – het misdrijf der ‘theocide’, de godsmoord. Het is geen frisse lectuur.
Kanttekening één: dit zijn de meningen van de schrijvende klasse. Tussen de regels door valt te lezen dat gewone gelovige hun eigen plan trokken. Als Johannes Chrysostomus, de latere patriarch van Constantinopel, rond 390 niet minder dan acht preken op de joden afvuurt, doet hij dat omdat er in zijn gemeente christenen waren die aanschoven in de synagoge. Ook zijn tijdgenoot Augustinus noemt mensen die volgens hem christenen waren maar zichzelf beschouwden als joden. De gewone gelovigen hadden zo hun eigen ideeën.