Ongelijkheid doet roesten (3)

De ongelijkheid van kennis en informatie wordt door Google en Internet opgeheven, zo lijkt het op het eerste gezicht. Maar dat is niet zo. Google maakt een profiel, op basis van je zoekgedrag en levert op basis daarvan een persoonlijk antwoord op je vraag. Is dat een bezwaar? Ja, behoorlijk. Google is geen encyclopedie, met een voor iedereen op dezelfde wijze toegankelijke informatieschat. Daarmee worden mensen in hun (beperkte) kennis en opvattingen gesterkt en de confrontatie met afwijkende inzichten vermeden.De egalitaire samenleving, die de sociaal-democratie dichter bij wil brengen, wordt door Google misschien wel niet bevorderd. Google verkoopt geen informatie, geen resultaat op zoekvragen (want die is gelukkig gratis), maar Google verkoopt jouw aandacht, aan adverteerders.

De crisis in de PvdA geeft mijn greep naar hun slogan “spreiding van kennis, macht en inkomen”, een verrassende actualiteit. Wat mij interesseert is wat de geldigheid van die doelstelling nu is en wat de voortgang geweest is. Anders gezegd: hebben we het nog over de wenselijke verhoudingen in de samenleving?  Cohen gaf een impuls aan het “VanWaarde-project”  van de WBS, een poging om oude waarden te moderniseren. Bij uitblijvend resultaat is dit mijn variant daarop.

In mijn vorige post heb ik gepoogd de inkomensongelijkheid te bekijken. Het kabinet Den Uyl betoogde destijds dat de samenleving door nivellering beter af zou zijn. Onderzoek wijst uit dat daarvoor goede gronden zijn aan te voeren. “Het quotiënt van maximum-  en minimuminkomen moest zo klein mogelijk worden.” Deze elegante formulering is van Roel in ’t Veld. (Zeven jaar Paars, p.175) Inmiddels kijken we daar minder “Rijnlands” naar: het Aglo-Amerikaanse model ziet meer in inkomensverschil. Maar het resultaat lijkt niet goed.  In mijn stuk probeer ik, met moderne onderzoeken en inzichten (Wilkinson en Picket) te bezien of inkomensnivellering ook nu goed  zou kunnen werken. (minder zorg, minder criminaliteit, minder obesitas, hogere levensverwachting.)

Maar nu, hoe zit het met de spreiding van kennis?

In zijn bekende betoog over de “smalle marges”  beperkt Den Uyl zich tot het opheffen van de achterstanden in het onderwijs, die door geboorte in arme milieus of op het platteland ontstaan en die een leven lang blijven bestaan. Kinderen uit die milieus moeten bewust en positief worden gediscrimineerd. (J.M. den Uyl, “Inzicht en Uitzicht”,p. 163)

Het doet gedateerd aan. In “Tien over rood”, door Den Uyl grommend aanvaard, staat:

“Gelijkere kansen op informatie wordt verwezenlijkt door

  • Alle ambtelijke stukken in beginsel openbaar te maken en uitzonderingen daarop in de wet vast te leggen.
  • Op alle scholen voor voortgezet onderwijs de beginselen der staatsinrichting, politiek, geschiedenis van het recente verleden en economie als verplichte vakken in te voeren.” (p.70)

De  “spreiding van kennis”, zo denk ik dan,  zou kunnen worden gehinderd door:

  • Ongelijke toegang tot kennisbronnen
  • Geheimhouding door en t.b.v. machtsuitoefening
  • Verkeerde informatie en data.

Op veel van deze gebieden is er ontwikkeling. Er is een wet openbaarheid van bestuur gekomen en de WOB is nog steeds een betekenisvol instrument voor elke activist.  De toegang tot hogere vormen van onderwijs is door een toelagen systeem, later studiefinanciering, redelijk bevorderd. Het systeem is niet goed, er is op beknibbeld, zeker, maar de klassenbepaaldheid van de toegang tot opleidingen is verminderd. Er is een SCP gekomen dat veel gegevens biedt over de sociale kanten van de amenleving.

Maar er zijn ook problemen. Gaat het goed met onderwijshervorming? Nou, dat nu weer niet. Onderzoeken tonen aan dat veel hervormingen, vaak waren daar sociaal-democraten bij betrokken, slecht hebben uitgepakt, om geen radicalere formules te gebruiken. Als ideologie de spreiding van informatie bevordert, raakt de kennis vatbaar voor bederf.

Nog een probleem: in februari 2008 vroeg Sarkozy aan de nobelprijswinnaars J.Stiglitz en A.Sen te helpen bij het vinden van betere indicatoren van sociale vooruitgang, omdat het bruto nationaal product daarvoor een te onbetrouwbare indicator was. De rapportage (www.stiglitz-sen-fitoussi.fr) geeft aan dat een ontwikkeling nodig is waarbij minder productie wordt gemeten en meer het welzijn van mensen. Zonder de goede gegevens, kunnen we niet de goede dingen doen. Maar als je niet meet, kun je niet beheersen.

De komst van Internet en de ICT revolutie in zijn geheel, hebben sterk bijgedragen aan de veroudering van de oude socialistische inzichten in het onderwijs, zo lijkt het. Informatie kwam daarmee binnen het bereik van bijna iedereen. Nu is informatie nog geen kennis, want daarvoor heb je een actief ordenend brein nodig, dat de data groepeert en bewerkt. Menige scholier, die een mooi scriptie bij elkaar dacht te scharrelen van het net, heeft dat tot zijn schade ondervonden.

In de periode waarin de wereld werd veroverd door de PC, werkte ik in een grote organisatie. Ik had als stafmedewerker de techniek van informeren verworven: je zorgt dat je vriendjes wordt met zijn secretaresse en dat je memo’s voorin in het postboek van de baas krijgt. Toen iedereen een PC op het bureau had en een intern netwerk tot stand was gebracht, vond in korte tijd een omwenteling plaats waarvoor alleen het woord horizontalisering past. Berichten konden met een knopje  en compact over vele directeuren worden gespreid: het CC’tje aan de baas. Natuurlijk: iedereen die werd “ge-CC-t” verdronk in de informatiesoep, maar dat je kon aantonen dat je naar behoren iedereen had geinformeerd, betekende veel. Het leidde tot een informelere hiërarchie dan ik ooit heb gezien.  Maar de gevolgen van ‘intranet ’en e-mail voor interne verhoudingen binnen organisaties is nog maar weinig onderzocht.

Sommige effecten zijn ook minder gunstig: in de financiële wereld is de kracht van de informatieverwerking en de snelheid van de communicatie zo groot geworden dat er een nieuwe macht is ontstaan: de ‘financiële markten”. Die markten bepalen de waarde van het geld in onze zak en wie sturen de financiële markten eigenlijk?

De spreiding van kennis is al lang een globale aangelegenheid, voor de ‘global village’ waarin wij wonen.  Google is geen encyclopedie, waarin iedereen het zelfde kan vinden. Als je de zelfde vraag stelt, bepaalt het algoritme en je eerdere zoekgeschiedenis, wie je bent volgens Google en welke informatie daarbij het beste past. Google verkoopt jou geen informatie (die is gratis), maar Google verkoopt jouw belangstelling (aan adverteerders). Het is de mededeling waarmee ik dit stuk begon.

Dat is zorgelijk, want zo versterken we onze eigen vooroordelen. “Democracy requires citizens to see things from one another’s point of view, but instead we’re more and more enclosed in our own bubbles.” (Pariser, in artikel Sue Halpern, “Mind Control& the Internet, NYRB,no.11 , 2011). Cas Sunstein sluit zich in zijn boek “Republic 2.0’ daar bij aan. Hij noemt  een opmerkelijke bevinding van Amartya Sen: nooit was er een hongersnood in een land met een democratische pers  en vrije verkiezingen.  (C. R. Sunstein, “Republic. Com 2.0.”, p.97) Ook Matthew Hindman onderzoekt in zijn “The Myth of digital democracy” het resultaat van Internet en blogs op de democratie in Amerika. Het resultaat is op zijn minst ‘inconclusive’; de blogosfeer vult het medialandschap aan, maar of het leidt tot een democratischer samenleving, is nog maar de vraag.

Het voorgaande is een schetsmatige verkenning van de vraag: hebben we voortgang bereikt op een betere spreiding van kennis? Het antwoord dat ik geef: er is veel bereikt en in beweging, maar de vraag heeft een grotere urgentie dan 30 jaar geleden. Informatie en kennis en hun verdeling zijn nog steeds van levensbelang voor een egalitaire democratie.

  1. 1

    De WOB is er gekomen, alleen zul je waarschijnlijk binnenkort een advocaat moeten inhuren om de overheid zover te krijgen dat ze ook aan haar verplichtingen voldoet + de leges en griffierechten moeten ophoesten.

    De WOB voor miljonairs dus.

    Maar van het plan dat op alle scholen voor voortgezet onderwijs de beginselen der staatsinrichting, politiek, geschiedenis van het recente verleden en economie als verplichte vakken zouden moeten worden ingevoerd is nooit iets terecht gekomen lijkt me.

    Als ik tenminste mag afgaan op de ervaringen die ik had met het kennisnivo van mijn dochter, haar vriendjes en vriendinnetjes. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat mijn generatie in dat opzicht beter was geinformeerd zonder die (veronderstelde) verplichte vakken.

    PS: overigens zijn er ook andere zoekmachines dan alleen google.

  2. 2

    De vraag of ik buiten mijn internetbubble kan kijken is een interessante. Is het technisch mogelijk en welke persoonlijke inspanning kan ik leveren? Moet ik juist op zoek naar en bij organisaties die ik wantrouw? Hoe doe je dat?
    Voornaam is natuurlijk dat bronnen traceerbaar zijn, dat is nooit anders geweest. Dat je weet wie de broodheren zijn, is minstens zo voornaam.
    Je moet leren zoeken en leren oordelen over wat je aangeboden krijgt, maar wie leert je dat dan weer?
    Kritisch zijn is een kunst, een vaardigheid die niet van zelf komt, evenals openheid.

  3. 3

    Zoekmachine staat tot kennisoverdracht als de bibliotecaresse tot de hoogleraar.
    Kennis en informatie worden vaak verward. Internet biedt (net als welk ander medium dan ook) informatie, maar geen kennis. Voor kennis is persoonlijke ervaring en context vereist. Het probleem is dat veel mensen die met Internet zijn opgegroeid, bijvoorbeeld ooit mijn studenten, het idee hebben dat ze kennis hebben over zaken die ze slechts via hun beeldscherm hebben opgedaan.

    “Meneer, dat woord bestaat niet, ik kan het niet vinden in de gratis online VanDale!”

  4. 5

    @1: dat is waar, maar het principe openbaarheid van bestuur is inmiddels wel gevestigd. Het onderwijs is inderdaad een probleem: ik heb dezelfde ervaringen met mijn kinderen. Er zijn ook andere zoekmachines, maar Google ontwikkelt zich tot monopolist.
    @2: volgens mij is dat een zorgelijk punt. Je kunt het met ouderwetse broadcasting ondervangen. Ik erger mij wel eens met een Telegraaf of Financieel Dagblad, dat helpt. Of met de jonge omroepjes, die meer cabaret opvoeren dan journalistiek.
    @3: dat is ook wat ik schrijf; zit daar een nieuwe pedagogische cultuur in? Informatie zoeken is dan een techniekje leren, maar hoe gaan we die informatie verwerken tot iets met samenhang? Het lijkt me de opdracht voor het onderwijs, maar hoe geef je dat vorm?
    @4: was het maar waar…

  5. 6

    Het heeft pas zin om zefstandig informatie te vergaren en te verwerken als de persoon enigszins gevormd is, onderwijs is wat dat betreft net opvoeden en “algemeen vormend onderwijs” (veelzeggend genoeg op middelbaar niveau inmiddels omgedoopt tot “voorbereidend beroepsonderwijs” -alles voor de markt-) was dan ook helemaal niet zo’n slechte benaming.
    In dit tijdsgewricht waarin het basisonderwijs de facto is teruggebracht tot het aanleren van taal en rekenen en het zo hoog mogelijk scoren op de CITO-toets, waarin VO-scholen zich entreprenasium noemen en er prat op gaan geen boeken maar alleen nog iPads te gebruiken voor kennisoverdracht, en het al lang achterhaalde dogma van competentiegericht onderwijs rigide wordt doorgedreven in alle sectoren, zie ik het somber in voor een nieuwe pedagogische benadering.
    Zoals je goede ouders nodig hebt voor een goede opvoeding, drijft het onderwijs op onderwijzers. Onderwijs is een roeping en een vak, en niet een bijbaantje voor gesjeesde IT-ondernemers, part-time brekebenen, herintredende huisvrouwen of mensen die echt niets anders kunnen. Dit gezegd hebbende, zelf geef ik ook al jaren geen les meer. Ik ken de cultuur in zowel PO en VO als HBO van binnenuit. Die is verstikkend, het gebrek aan professionaliteit is zorgwekkend, de beloning is matig, de status van het vak is gekelderd, kortom je bent gek of volkomen passief als je langer dan vijftien jaar in het onderwijs blijft.