Het mateloze en het alledaagse

RECENSIE - Robbert Ammerlaan schreef “Zijn eigen land”, een boek over de werkkamer van Harry Mulisch. Het is een overzichtelijke introductie op Mulisch, een dikke pil bovendien.

Het verhaal geeft boeiende verbindingen met het werk van de arrogante “Homerus der Lage Landen”. Ammerlaan slaagt er in het inzicht in zijn schrijven te vergroten. Het is ook een page turner geworden.

Het opmerkelijke is dat ik onrustig sliep van het boek. Op de een of andere wijze heeft zich de mateloosheid van Mulisch in mijn hoofd genesteld. Maar misschien is het ook onvermijdelijk, als Mulisch een literaire constante in je bestaan is.

Mulisch en de oorlog

“Ik ben de tweede wereldoorlog’, zei Mulisch trefzeker en onbescheiden. Hij was kind van een Oostenrijkse militair, die fout was in de oorlog, en van een jonge Joodse moeder. Zijn vader zorgde er wel voor dat beiden, moeder en zoon, de oorlog overleefden.

Die afstamming zorgde voor een overheersende fascinatie van Mulisch voor de Tweede Wereldoorlog. Toen hij overleed heb ik zijn reportages van het Eichmann-proces een scharnierpunt in zijn werk genoemd. Ammerlaan lijkt dat ook wel te vinden.

Zijn laatste boek Siegfried is een poging om het geheim van Adolf Hitler te ontraadselen. Kon Hitler liefde voelen? Bijvoorbeeld voor een fictieve eigen zoon?

Ammerlaan maakt Mulisch’ vader en moeder belangrijker dan ik ze ken uit zijn werk. “De opdracht” is dat hij als driejarige sigaretten moet halen, zijn moeder verlaat hem drie keer, maar het contact blijft bestaan, ook als zij in de VS woont. Het sterven van vader Kurt wordt ontroerend beschreven.

Misschien speelt het een rol dat de mensen zeer aanwezig waren in zijn vormende jaren en dat zij een zeer verschillende culturele overdracht hadden. Het Stenen Bruidsbed en de Aanslag zijn nog steeds pareltjes, waarin de verbinding tussen de oorlog en de naoorlogse realiteit wordt gelegd.

Maar misschien toch ook Bericht aan de rattenkoning, want de Provo-tijd was toch vooral een generatieconflict. En Mulisch beschrijft in een lachstuip en woedeaanval de mooiste periode van het naoorlogse Amsterdam.

Hij is het allemaal zelf”

Schaker Hein Donner wist dat Mulisch zelf zijn grootste object en kunstwerk was. Soms duizelt het als lezer, alle samenhang en niets toevalligs, maar die samenhang zit in zijn hoofd.

De compositie van de wereld is de wereld gezien door mijn temperament. De Ontdekking van de Hemel is mijn temperament, gezien door de wereld.” (p.354)

Het zijn kloeke boeken, die zijn “echte biografie” vormen. Ik probeer mijn studietijd in Amsterdam terug te halen: Mulisch moest je lezen. De Zaak 40/61 vermengt zich in mijn herinnering met de onrust over de publicatie van Presser’s Ondergang. Ik schoof met vriendjes aan in een overvolle collegezaal om het magische verhaal van Presser aan te horen. Bij demonstraties kwam ik Harry tegen, in de Aula sprak hij over Amerikaans imperialisme, later over Cuba en de revolutie.

De Compositie van de Wereld heb ik verzuimd te kopen. De recensies waren nogal wisselend en de grote schrijver had tenslotte geen school afgemaakt… Nu spijt me dat. Ik heb het gevoel dat ik iets moet weten van het wonder van de octaviteit.

Maar met de Ontdekking van de Hemel was dat verzuim wel redelijk goed te maken. Prachtig boek, waarin alles met alles samenkomt en verbonden raakt; maar misschien net niet lang genoeg grandioos.

Da’s pas leven

Reve vond ‘Mulisch vullis’ en ‘Reve het echte leve’: waarom trof het verhaal mij zo intens? Dat hoeft niet voor iedereen op te gaan. Het zijn herinneringen en plekken.

“Telefoon voor de heer Mulisch” werd er geroepen in American en dan konden wij onze samenzwering even staken terwijl Harry door het looppad naar de hal liep en door iedereen werd nagestaard.

Ook aardig: in Neurenberg, op het Zeppelinfeld beklom hij het Rostrum van Hitler en bracht ook een Hitlergroet, maar werd toen door een onbestemde angst bevangen, alsof iemand hem een kogel door het hoofd zou kunnen jagen. Een jaar of tien geleden stond ik daar ook, stelde me ook een joelende massa volgelingen voor. Maar de angst kwam bij mij eerder dan bij Harry: een spottende Hitlergroet durfde ik niet te maken. Je weet niet wie er kijkt.

In een college van Prof. Frits de Jong Edz. vertelde deze over de Erinnerungen van Albert Speer (1969). Speer was intrigerend en interessant. Harry zocht hem op nadat hij was vrijgelaten uit Spandau en vond het een onwerkelijk lege persoonlijkheid, een vriendelijke directeur van een plattelandsschool (zie De Toekomst van Gisteren uit 1972). Maar, in twintig jaar gevangenis wordt een mens uitgewist.

Een keer trof ik hem zelf: boven de Bamboobar had kroegbaas Hans Gruyters nog een nachtcafé gevestigd dat C’66 heette. De uitbater heette Charley Schreiber, wat voor Harry geen toeval kon zijn. Ik verzeilde in een dronkenmansruzie met o.a Relus ter Beek, Hans Gruyters en Harry Mulisch, vermoedelijk over Vietnam.

Harry wond zich op en beet een van de aanwezigen boos toe dat hij niet kwaad mocht worden. Ik, schuchter studentje, zei: “Wat doe je zelf nu dan?” De schrijver schoot in de lach en kalmeerde. Ik kreeg een biertje.

Biografie?

De aantekeningen, de brieven van moeder Alice, het is allemaal heel bijzonder. Of Harry een aangenaam mens was om mee te leven, lijkt een puntje van twijfel. Hij schrijft zelf dat hij niets doet, dat hij werkt, schrijft of zich voorbereidt. Misschien dat de kinderen wat gemist hebben.

De vrouwen hebben dat zeker: ze waren voor de seks, voor het dragen van kinderen, maar de diepe relaties waren niet met hen, maar met Donner en enkele collega’s. Wordt een mens daar gelukkig van? Misschien was het geen getourmenteerd schrijverschap. Maar mateloos was het zeker. Omdat zijn omzwervingen en de mijne in belangrijke mate samenvielen in ruimte en tijd, was die verbinding met mijn alledaagse wereld een boeiende leeservaring.

Veel meer biografie hoeft denk ik niet meer.

– Robert Ammerlaan, Zijn eigen land, De Bezige Bij, 2016, 447 pagina’s, €30,-

  1. 1

    Mulisch werd schromelijk overschat. Het was geen onaardig schrijver, maar de na-oorlogse generatie is in zijn mythe gaan geloven.

    Mulisch was zogenaamd een van Nederlands grootste schrijvers en een genie, dus al zijn boeken waren meesterstukjes.

    Een werkelijk kritische blik lijkt te ontbreken. Dat de keizer niet in zijde liep, maar in een bevlekt colbertje mocht je blijkbaar niet zeggen.

    Neem nu ‘De Ontdekking van de Hemel’: een kitscherig, barok en overbeladen boek, waar het “Kijk mij eens!” van af druipt. Op vrijwel iedere pagina drukt de tronie van de auteur zich door de vertelling heen; hij is niet slechts de God van het verhaal; nee, hij staat zelfs boven God – doorziet zijn plannen en de hemelse machinaties.

    Bloedirritant, en het leidt verschrikkelijk af van het verhaal. Slecht schrijverschap dus. Maar iedereen riep dat het Mulisch’ Magnum Opus was, en alles wat Mulisch schreef was goud, dus moest dit wel geniaal zijn. Waar bleef toch die Nobelprijs voor de Literatuur?

    Ik heb dat boek altijd gelezen als een poging Umberto Eco met diens ‘Slinger van Foucault’ naar de kroon te steken.

    Dat doet Mulisch dan door zijn eruditie ten aanzien van wis- en natuurkunde en archeologie tentoon te spreiden; maar het is middelbare schoolkennis, volgens een natuurkundevriendje van me.

    ’t Is een vermakelijke poging om alles met alles te verbinden en zo de wereld opnieuw uit te vinden; maar levert het ook een geloofwaardige vertelling op? Meh…

  2. 2

    @1:

    Ik heb dat boek altijd gelezen als een poging Umberto Eco met diens ‘Slinger van Foucault’ naar de kroon te steken.

    Grappige associatie :-)
    Persoonlijk vindt ik Eco beter dan Mulisch, maar ik heb “De ontdekking van de hemel” met zeer veel genoegen gelezen.

    Verder heb ik niet zoveel met het wel en wee van schrijvers:
    Ik vind een boek goed, slecht of onbeduidend.
    Wie het geschreven heeft zal me worst zijn.

  3. 5

    @4 “I may not know art, but I know what I like”, kent u die uitdrukking?

    Het is heel simpel: ik heb me tijdens het lezen van De Ontdekking van de Hemel zitten ergeren, en ik vergeleek dat eens met mijn ergernis bij een bepaalde passage in De Aanslag (1982) en over Het Zwarte Licht (1956); vervolgens heb ik mij afgevraagd: wat is het nu waar ik mij zo aan stoor?

    Dan leg ik dat naast de voortdurende bewieroking van Mulisch (die ook weer uit bovenstaande bespreking schelt) en dan vermenigvuldigt mijn ergernis zich exponentieel, want dan denk ik: zien jullie nu niet dat die Mulisch een narcistische poseur is, die vooral zijn eigen godcomplex etaleert?

    En daar oogst je in dit kutlandje dan nog bewondering mee ook. Bizar.

  4. 6

    Ah, zo, @5.

    Maar als je literatuur sowieso niet de moeite waard vindt, is het dan wel helemaal eerlijk om Mulisch ervan de schuld te geven dat zijn boeken je ergerden? Ik bedoel … welke boeken ergerden je niet, immers?

    Ik zeg bijvoorbeeld ook nooit: ‘Die hondenstront van Fikkie beviel me niet’, aangezien ik überhaupt niet zo’n hondenstrontman ben.

    (laat staan een connaisseur … )

  5. 7

    @2: “De slinger van Foucault” vond ik een teleurstelling.
    In “de naam van de roos” bleek Umberto Eco heel veel feiten goed te kunnen passen in een geloofwaardig verhaal, in “de slinger van Foucault” blijkt dat hij nog meer feiten weet, ten koste van het verhaal.

    Aan “de ontdekking van de hemel” ga ik maar niet beginnen.

  6. 8

    @6 Wil dat argument werken, dan moet je wel veronderstellen dat ‘Ik geef er in het algemeen niet om’ en ‘Ik erger me groen en geel’ in elkaars verlengde liggen, zo niet equivalenten zijn.

    Dat lijkt mij niet. Ik lees een enkele keer wel eens een roman (of doe een poging daartoe; meestal raak ik na een aantal bladzijden afgeleid en laat ik het werk verder in de kast staan), maar zelden wind ik me op over allerlei storende elementen, zoals de gewoonte van de auteur Mulisch zichzelf voortdurend op de voorgrond te plaatsen met zijn gekunstelde, quasi-diepzinnige constructies van de wereld in zijn romans.

    De shtick van Harry Mulisch is dat hij een wereld creëert die een tweedimensionale en deels absurde weerspiegeling is van de onze, en dan aan de hand van zogenaamd complexe verhaalconstructies en zogenaamd fijnzinnige vertellijnen een ‘diep’ filosofisch inzicht in ónze werkelijkheid blootlegt.

    Probleem daarbij is alleen dat Mulisch het er steeds zó duimendik bovenop legt, omdat hij zijn zelfvermeende genialiteit zo graag in zijn werk tot uitdrukking brengt, dat zijn vertellingen meer weg hebben van een zorgvuldig in elkaar gestoken kijkdoos, een tweedimensionale representatie van de werkelijkheid, dan van een overtuigende vertelling.

    Het meest pregnant is dat nog wel in De Ontdekking van de Hemel, daarom snap ik ook niet dat juist dit boek zo geprezen wordt onder Nederlandse literatuurliefhebbers. Dan denk ik: ben ik nu zo slim of zijn jullie (de kenners) nu zo dom? Of zijn jullie nu gewoon zo laf, dat niemand de eerste durft te zijn die zijn mond opentrekt en zegt dat de keizer in een sjofel colbertje loopt?

    Sowieso is het Nederlandse praatjesvolk uitermate conformistisch. Iedereen spreekt met eerbied over ‘de grote drie’ (Mulisch, Hermans, Reve), en Connie Palmen wordt gezien als respectabel schrijfster, want die snijdt allerlei filosofische thema’s aan in haar werk; nou, nou, poe, poe.

    Over Heleen van Royen wordt daarentegen een beetje schamper gedaan, want die heeft dan wel succes, maar toch vooral met pikante boekjes die over seks gaan, en ze praat met een wat plat Amsterdams accent; maar ik heb de eerste vijftien bladzijden ofzo van De Gelukkige Huisvrouw er eens op nageslagen, en dat zat verdomd slim in elkaar; ze slaagt erin zelfs allerlei projecties en interpersoonlijke afhankelijkheid te suggereren in een opmerking van een personage over de hoeveelheid suiker in de koffie.

    Enfin, Mulisch is me allemaal veel teveel on the nose wat mij betreft, en dat bederft mijn leesplezier (al is het ook wel lekker om mijzelf er aan te ergeren, maar niet genoeg dat ik meer van Mulisch wil gaan lezen).

    En ik begrijp niet goed waarom niemand van de babbelende klasse dat hardop zegt, maar met zoveel eerbied blijft spreken over de zogenaamd voornaamste Nederlandse schrijver van de twintigste eeuw. Die lof verdient Mulisch helemaal niet. Ik zal niet zeggen dat ‘ie een prutser was, maar hij zat zichzelf als auteur behoorlijk in de weg. En wat ik al zei: daar krijgt ‘ie nog lof voor ook.

    ’t Is een beetje zoals Trump: als je maar luid blijft verkondigen dat je zo succesvol zakenman bent, gaan mensen het op den duur nog geloven ook. De façade houdt zichzelf in stand.

    Nou, en die ergernissen heb ik dus doorgaans bij andere schrijvers niet.

  7. 9

    @7 Ha, dat eerste hoofdstuk van De Slinger van Foucault is inderdaad niet om doorheen te komen. Het is net alsof Eco alle moeilijke woorden en buitenissige maar zinloze feitjes die hij kende, over zijn bureaublad heeft uitgestort en die vervolgens aan elkaar heeft geregen.

    Toen ik me daarover beklaagde bij mijn ouweheer, die het boek aan me had geleend, zei ‘ie: “O gelukkig! Ik dacht al dat ik dom was.”

    Iemand vertelde me ooit dat Eco dat met opzet deed, om sycofanten en luie lezers af te schrikken, of iets dergelijks. Wat daarvan waar is weet ik niet, maar ik vind het geen verdienste. Toen ik dat eerste hoofdstuk eenmaal door was, liet ‘ie die flauwekul gelukkig verder achterwege.

    Hoe dan ook: ik vind dat dus ook bij Eco irritant ja. Hij maakte het in dat eerste hoofdstuk zo mogelijk nóg bonter dan Mulisch: maar het spreekt dan weer voor hem dat ‘ie het wist te beperken tot één hoofdstuk, en dat de rest van het verhaal een amusante vertelling is over complottheoretici en esoterische sekten die verstrikt raken in hun eigen verzinsels, en elkaar voortdurend op de hielen zitten.

  8. 10

    Niemand hoeft van mij Mulisch mooi of groots te vinden.
    In de kop gebruik ik het woord “mateloos” en ook nog het begrip ‘alledaags”, het woord Homerus van de Lage Landen komt meen ik uit de New York Times.
    Ik geef ook aan dat ik de Compositie van de Wereld niet heb gekocht, omdat ik gelijk Prediker vond dat een schrijver die de HBS niet afgelopen was, zich niet aan systeemfilosofische werken moest zetten.
    Maar Mulisch was een rasverteller: Het seksuele Bolwerk dan? Ik heb het net herlezen en vind het schitterend. De Aanslag vond ik ook goed, het Stenen Bruidsbed ook.
    Ammerlaan laat iets zien over een literaire werkelijkheid, waar ik in leefde in Amsterdam van 1964 tot 1977, die daarna bleef bestaan in alledaagse ervaringen. Ik geef alleen aan dat het boek lekker werkte op mijn gemoed en herinnering.
    Eco heb ik proberen te lezen, maar ik vond er geen doorkomen aan. Dat mag gelukkig toch nog? Of ben ik nu ingedeeld bij de wezenloze napraters die de kleren van de keizer geweldig vinden?

  9. 14

    Ik wist dat Mulisch voor en tegenstanders had maar dat het voor sommigen zo diep gaat als in dit draadje wordt getoond verbaast me toch (nou ja, verbaast me steeds moet ik eigenlijk zeggen).

    @1: … en het leidt verschrikkelijk af van het verhaal.

    Het IS het verhaal. En het feit dat je dat niet ziet en begrijpt is stuitende domheid. Verder heeft #4 toch wel een mooie observatie. Je eigen arrogantie is zo nodig nog groter dan die van Mulisch.

    …maar levert het ook een geloofwaardige vertelling op?

    Alles moet alleen maar geloofwaardig zijn? Romans zijn bijna per definitie niet geloofwaardig omdat ze vrijwel altijd slechts enkele aspecten van de realiteit uitvergroten. dOvdH laat juist eenvoudig zien dat de samenhang in de wereld een vrijwel onontwarbare complexiteit en een ongeloofwaardige realiteit oplevert (en als je dat niet gelooft vertel ik je een andere waarheid). En of al die samenhang nu echt waar is? bwah… who cares. Het is een roman weet je.

    Je weerzin is niet meer dan je eigen empathisch onvermogen en overmatige wens je eigen kennis te etaleren. Ik wacht op dit soort besprekingen over Reve en Hermans, die andere twee. Religieuze rechtse conservatieve hufters die hun frustraties botvierden. Kijken hoe je daar op reageert.

    Het begint mij duidelijk te worden – was het eigenlijk al – hoe jij (#1 dus) functioneert.

  10. 15

    @1: Kijk nou ‘es – we zijn het eens: Mullis is vullis, da’s mijn motto. Het laatste hoofdstuk uit Het Stenen Bruidsbed is een poging om het laatste hoofdstuk uit Ulysses nog eens dunnetjes over te doen. Ik heb daarna nog wel eens pogingen ondernomen, maar ik heb ‘m nooit meer dan een slechte parodist gevonden.

  11. 16

    Het IS het verhaal. En het feit dat je dat niet ziet en begrijpt is stuitende domheid.

    @14 Jaja, dus dit…

    Op vrijwel iedere pagina drukt de tronie van de auteur zich door de vertelling heen; hij is niet slechts de God van het verhaal; nee, hij staat zelfs boven God – doorziet zijn plannen en de hemelse machinaties.

    …ís het verhaal. Maar dat is nu precies mijn probleem met Mulisch, want dat levert dus een slecht verhaal op. En het feit dat jij dat niet doorziet en begrijpt, lijkt mij juist weer van domheid te getuigen.

    Ik had willen schrijven ‘van een stuitende domheid’, maar je bent met velen.

    Romans zijn bijna per definitie niet geloofwaardig omdat ze vrijwel altijd slechts enkele aspecten van de realiteit uitvergroten.

    Klopt joh; en een goed verteller zorgt ervoor dat ik dat als lezer vergeet, omdat ik me verlies in de wereld en karakters die hij schept en het drama dat zich ontvouwt.

    Als ‘ie de betovering steeds doorbreekt omdat ‘ie z’n godcomplex zo nodig moet etaleren, doet dat afbreuk aan de leeservaring; nou ja, aan míjn leeservaring in ieder geval – maar ik ben blijkbaar de enige niet, getuige de bijval die mijn kritiek op Mulisch krijgt in dit draadje.

    En verder ben ik de eerste om toe te geven dat ik minstens zo stuitend arrogant ben als Mulisch; maar heb ik daarom ongelijk in mijn kritiek?

  12. 17

    @16: En verder ben ik de eerste om toe te geven dat ik minstens zo stuitend arrogant ben als Mulisch; maar heb ik daarom ongelijk in mijn kritiek?

    Haha. Ja eigenlijk wel, maar het is een begin van erkenning en maakt het iets meer te verteren.

    (de laatste zin maakt de rest van je commentaar een beetje te vreten ;)