Bij het overlijden van Harry Mulisch

Iedereen kent het begrip ‘Schreibtisch Morder’, de moorddadige ambtenaar achter een bureau. Hij is niet kwaadaardig of bloeddorstig, maar niet iedereen heeft een ingebouwde moraliteit. De ambtelijke hiërarchie is een prachtig mechanisme om de moraliteit die je misschien had, uit te schakelen, weg te organiseren: doe jij nu maar je klusje en laat de rest aan een ander over. De Duitsers wisten het: Befehl ist Befehl.

Een oude collega, met een kampverleden, die moeite had met het gedrag van collega’s, kwam bij mij om te schelden op die “Kapo’s”. “Meen je dat nu echt, Frits?” zei ik dan. En dan praatte hij een halve dag over moraal, gedrag en wangedrag. Later herkende ik veel bij Primo Levi. Maar de ontvankelijkheid voor deze manier van denken kwam van Harry Mulisch.

Op 13 augustus 1961 schrijft Mulisch over de aanklager van Eichmann:
Daar moet zich zijn romantische voorstelling der Nazi’s ontwikkeld hebben: een bende woeste gangsters, die ongebreideld hun besstachtige moordlust bevredigden. Het proces zal nu ook hem geleerd hebben, dat het een dorre groep godvergeten ambtenaren was, die hun godvergeten plicht deden.” (De Zaak 40/61, p.161)

Dat is een onwaarschijnlijk trefzekere aanduiding van de betekenis van het proces. Ik heb in mijn late pubertijd vol afgrijzen gekeken naar “Opmars naar de galg” en soortgelijke oorlogsdocumenten. Maar met het proces tegen Eichmann werd een nieuwe dimensie toegevoegd, door Harry Mulisch en Hannah Arendt, die er de woorden “banaliteit van het kwaad” aan gaf: het monsterlijke als uitvloeisel van het alledaagse. Arendt schrijft over “the Dutch correspondent Harry Mulisch, who is almost the only writer on the subject to put the person of the defendant at the center of his report and whose evaluation of Eichmann coincides with my own on some essential points”… (p.282, Eichmann in Jerusalem)

Zoals gezegd: het process veranderde mijn oordeel over schuld, goed en fout aanzienlijk. Mulisch begreep de kans die het proces van Eichmann hem bood om zijn thema te vinden en te verdiepen. Na een zwerftocht langs redacties kwam hij volgens zijn eigen verhaal in Bericht aan de rattenkoning bij Elseviers Weekblad uit, bij H.A. Lunshof, een reactionair waarmee hij uitstekend kon opschieten. “U moet toch een fles champagne kunnen bestellen. Alleen zouden wij het op prijs stellen. Wanneer u minder opzichtige overhemden gaat dragen als u voor Elseviers weekblad werkt.” “Ja meneer, natuurlijk meneer,” zei ik dan, terwijl hij begon te lachen, “Als U het op prijs stelt zal ik zwarte overhemden dragen in Jerusalem.” (Bericht aan de rattenkoning, p.27)

In de jaren zestig verdiende ik bij door rondleidingen te geven op Schiphol. Tusse de ritten luisterden we naar de radio en de berichten over de provo’s en de prognoses voor nieuwe rellen, waarbij ook ‘relvoyeur’ Mulisch verscheen. In de avond was het feest, rennen voor het waterkanon, volstrekt de slappe lach over de krenten van Koosje Koster, dan weer de woede als de politie met blanke sabel charges uitvoerde. Het boek Bericht aan de Rattenkoning schreef Mulisch in een enkele weken durende woede en lach-aanval. Het is nog steeds een perfecte herinnering over hoe het was.

Zijn boek over het bombardement op Dresden (Het Stenen Bruidsbed) opende mijn ogen voor de manier waarop geschiedenis levend blijft in de ziel. Zoals de chroniqueurs van de Waarheidscommissies zeggen: “alles gaat voorbij, behalve het verleden”. Veel werk van Mulisch roept dit gevoel op, zoals “de Aanslag”. Wie mee liep met de grote demonstratie tegen de kruisraketten in Amsterdam, herkent dit motief. Harry Mulisch verbond alles met alles. Soms was dat een beetje veel, maar meestal construeerde hij een wereld van betekenis.

Terug naar de Eichmann reportage, waar de sleutel ligt van Mulisch schrijverschap.
Ik ben niet uitgenodigd voor deze reportage, ik heb mijzelf aangeboden, de zaak Eichmann heeft meer met mij te maken dan ik zelf weet; en deze relatie gaat verder dan een thematisch verband met ander werk, dat ik heb geschreven of nog zal schrijven; met mijn werk wijst zij naar iets dat ik zoek. Ik kan natuurlijk zeggen: Eichmann is mijn vader. Maar dat is vervelend, dat moeten anderen maar zeggen. Ik zou ook kunnen zeggen: ik ben het zelf. Maar dat is te fraai. Ik kan ook zeggen: in het proces openbaart zich het mysterie der werkelijkheid. Maar dat heb ik al gezegd. Ik zou nu willen zeggen: hij hoort tot de twee of drie mensen, die mij veranderd hebben.” (p.181)

  1. 1

    Binnen het universum van tekst dat men kan schrijven als het om Mulisch gaat is dit een aardige noot die dicht bij de kern van de man komt.

    Of de Zaak 40/61 werkelijk het draaipunt van Mulisch was, met een leven ervoor en erna weet ik niet. Zelfs al geeft hij het zelf aan, ik twijfel daaraan.

    Maar al met al was het wel een draaipunt.

    Voor hem en – na lezing – ook voor mij. Zoals veel van zijn boeken trouwens. Hij heeft mij Nederland leren kennen. Of je daar blij mee moet zijn is een tweede, maar leerzaam was het wel. Altijd een andere kijk op de zaak.

    Vooral die parallel tussen Nederland en het ambtenarendom waar hierboven op wordt gewezen. Ook vandaag de dag nog.

  2. 2

    Tom van Doormaal: “Iedereen kent het begrip ‘Schreibtisch Morder’, de moorddadige ambtenaar achter een bureau.”

    Nee sorry, het begrip “Schreibtisch Morder” kent bijna niemand. Ik heb het gegoogled, en deze pagina staat dan zelfs bovenaan de 144 resultaten die het oplevert; en in de meeste andere resultaten is dan tenminste nog sprake van “Mörder”.

    Maar dat maakt het er niet beter op. Wat natuurlijk bedoeld wil worden, is “Schreibtischtäter”, dat dan ook 241.000 Googleresultaten oplevert:

    http://de.wikipedia.org/wiki/Schreibtischtäter

  3. 4

    @1,2: In de stortvloed aan herinneringen heb ik geprobeerd een accent te leggen. Ik geef aan waar Mulisch voor mij zijn betekenis had: daarin speelt het gelijktijdige oordeel van hem en Arendt over Eichmann een hoofdrol: de banaliteit van het kwaad.
    Dat die alledaagsheid van het kwaad overal voorkomt en geen Duits monopolie is, is geen klein thema.
    Later heeft hij zich daarvan wel bevrijd en andere dingen geschreven (De Pupil, Twee Vrouwen, de Ontdekking van de hemel). Maar met Siegfried, zijn laatste boek, is de fascinatie met het kwaad terug.

  4. 6

    Eichmann had overigens al veel eerder opgepakt kunnen worden. De Duitse geheime dienst BND wist al in 1952 waar ie verbleef. Op zich niet raar want deze dienst recruteerde vnl. voormalige leden van naziorganisaties als NSDAP, SS, SD en Gestapo…