Goed volk: De evangelist Marcus (2)

ACHTERGROND - Vorige week heb ik geschreven over de figuur van de evangelist Marcus – waar bitter weinig over bekend is – en wat de kerkelijke traditie hiervan vervolgens gemaakt heeft. We vervolgen nu met de reliekengeschiedenis van Marcus en sluiten af met voorbeelden van de wijze waarop Marcus voorkomt in volksdevotie en bijgeloof.

De Koptische kerk

De opvolger van Marcus was de schoenmaker Anianus, die als tweede patriarch/paus van Alexandrië de geschiedenis is ingegaan. Egypte maakte sinds 323 deel uit van het oostelijke gebied van het inmiddels gesplitste Romeinse Rijk, het latere Byzantijnse Rijk, en viel daardoor onder het edict Cunctos populos (380) van keizer Theodosius de Grote, waarmee hij het trinitair christendom dwingend oplegde aan christenen.

In de vijfde eeuw ontstonden geschillen tussen de patriarchen van Alexandrië en van Constantinopel. De Egyptenaren ervoeren de richtlijnen uit Constantinopel als bemoeizuchtig en onderdrukkend en als reactie daarop groeide de Koptische kerk steeds meer uit tot een nationale kerk met eigen liturgische, theologische en spirituele kenmerken. Tenslotte verwierpen de Kopten het Grieks, de taal van de Byzantijnse ‘onderdrukkers’, en namen de toenmalige Egyptische volkstaal als kerkelijke taal aan. In de tussentijd had de Koptische kerk de uitspraken van het Concilie van Chalcedon (451) verworpen en zich uiteindelijk afgescheiden van het Patriarchaat van Alexandrië, dat men beschouwde als verlengstuk van Constantinopel.

Na de Arabische inval (639-642) en de vlucht van de laatste melkitische (pro-keizerlijke) patriarch naar Constantinopel, kon de Koptische Benjamin I (r.626-665) de patriarchaatszetel innemen. De verovering door de Arabieren resulteerde niet in een onmiddellijke islamisering van Egypte omdat de christenen de Arabieren als ‘bevrijders van het Byzantijnse juk’ zagen en hen aanvankelijk verwelkomden. Echter, reeds onder de Omajjaden-dynastie (658–750) bleek dat de islamieten de Kopten niet gunstig gezind waren. De Kopten, die toen nog in de meerderheid waren, probeerden in zes opstanden tussen 725 en 773 zich van het Arabische juk te ontdoen, hetgeen mislukte. In het daaropvolgende kalifaat van de Abbasiden (750-1258) werd het niet veel beter. Patriarch Christodulos (r. 1047-1077) verlegde de patriarchaatszetel van Alexandrië naar Caïro.

Ontstaan van Venetië

Intussen, aan de andere kant van de Middellandse Zee: het Romeinse Rijk had in 452 last van invallen van de Hunnen (Atilla) en in 568 van de Longobarden (Alboin). Stadsbewoners zochten onder meer hun heil in de veilige lagune van Venetia, het hedendaagse Venetië. In het midden van de zevende eeuw was de strijd om Italië min of meer beslist in het voordeel van de Byzantijnen, die in Italië de regio Venetië behield. Aan het hoofd van dit Byzantijns gedeelte stond de exarch van Ravenna, tot wiens machtsgebied ook het hertogdom Venetië behoorde.

De op zee sterke Venetianen moesten met hun vloot vaak Byzantijnse belangen verdedigen en kregen in ruil meer onafhankelijkheid en handelsprivileges. Geleidelijk nam de macht van de Byzantijnse keizer af en daardoor kon Venetië zich in 841 feitelijk onafhankelijk maken.

Tot dan toe was de stadspatroon van Venetië de heilige Theodoros geweest, een vierde-eeuwse Romeinse soldaat die de marteldood was gestorven omdat hij weigerde de Romeinse goden te aanbidden. Deze Theodoros was een vage heilige waaraan een stad met aspiraties weinig eer kon behalen. Venetië wilde zich meten met Rome en Constantinopel en een nieuwe stadspatroon van stand was daar onderdeel van. De evangelist Marcus, die volgens de traditie ook nog bisschop van het nabijgelegen Aquileia was geweest, bleek de ideale kandidaat.

Sinterklaas

Na de slag bij Manzikert in 1071 viel Myra in Klein-Azië, waar de populaire Sint-Nicolaas begraven lag, in handen van de islamitische Turkse Seltsjoeken en begonnen de Byzantijnen in de hiel van Italië zich zorgen te maken over de relieken van deze heilige en de toegang tot zijn graf. In 1087 landde een stel zeelieden uit Bari in Myra en kaapte, tegen de wil van de Grieks-Byzantijnse monniken in de kerk waar Nicolaas begraven lag, zijn lichaam (of het grootste deel hiervan) en namen dat mee naar Bari waar het tot op de dag van heden berust.

De motieven van de kapers waren wellicht divers. Ze zullen best van religieuze aard geweest zijn, maar economische motieven zullen ook een rol hebben gespeeld: de relieken van zo’n populaire heilige binnen je stadsgrenzen trekt heel wat pelgrims en de kapers kunnen van de nood een deugd gemaakt hebben. Ook religieus-politieke motieven kunnen een rol gespeeld hebben: 33 jaar eerder in 1054 had tenslotte het oosters schisma plaatsgevonden.

Marcus geroofd

Hoe dan ook, het lijkt wel of de Barijnen het kunstje, inclusief de motieven, hadden afgekeken van collega’s die 259 jaar eerder het lichaam van Marcus (of het grootste deel hiervan) uit Alexandrië hadden gekaapt en in 828 naar Venetië overgebracht. Deze diefstal staat verwoord in de Translatio (een algemene term voor de overbrenging van relieken naar hun definitieve rustplaats) uit 1050, dus 222 jaar na dato, en het verhaal is een legende (lees: mystificatie) op zich.

De diefstal van het lijk van Marcus (mozaïek uit de San Marco in Venetië)

Een groep Venetiaanse zeelieden vervoerde de relieken per schip naar Venetië onder een stapel varkensvlees om zo de islamitische douane te misleiden. Eenmaal in Venetië werden de relieken ceremonieel door doge Giustiniano Particiaco onthaald en in het paleis van de Venetiaanse heerser gestald, in afwachting van de bouw van een speciaal voor deze relieken te bouwen kerk die in 836 gereed kwam. Deze brandde later af, maar de Venetianen herbouwden het godshuis en tenslotte kwam in 1060 de huidige Patriarchale Kathedrale Basiliek van San Marco gereed. De sarcofaag met de veronderstelde overblijfselen van Sint Marcus staat achter het altaar.

Het hoofd van de heilige

Intussen claimen de Kopten dat het hoofd van Marcus in Egypte is achtergebleven, hoewel het niet bepaald voor de hand ligt dat de Venetiaanse kapers de relieken zonder hoofd zouden hebben meegenomen. Volgens de Kopten is het hoofd een slordige 250 jaar zoek geweest, totdat het op miraculeuze wijze verscheen in Alexandrië, waar het tot op de dag van vandaag bewaard wordt in de nieuwe kathedraal , gebouwd op de plek van de oorspronkelijk door Marcus gebouwde kerk.

Wat er precies in deze kerk aan overblijfselen van wie ligt is een goed bewaard geheim. De Kopten gaan nogal fantasievol met relieken om. Zo beweert de Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk, een afscheiding (1959) van de Koptische kerk, dat de joodse Ark van het Verbond in de kathedraal van Onze Heilige Maria van Zion in Aksum gehuisvest is, terwijl er over het algemeen van wordt uitgegaan dat de ark is vernietigd bij de verwoesting van de eerste tempel door Nebukadnezar II in 587/586 voor Christus.

Hoe het ook zij, ter gelegenheid van het negentienhonderdjarig bestaan van de Koptische Kerk ontving deze op 22 juni 1968 uit handen van paus Paulus VI een (of meerdere, daarover zijn mijn bronnen verdeeld) stukje bot van de relieken van Sint-Marcus uit Venetië. De Kopten kwamen het reliek in Rome ophalen met een delegatie tien metropolieten en bisschoppen, waarvan zeven uit de Orthodox Koptische kerk van Egypte en drie van de Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk. Ik veronderstel dat ze in Alexandrië bij de schedel van Marcus zijn gevoegd. Of de Ethiopiërs ook in het geschenk hebben gedeeld is mij niet bekend.

Conclusie

Hamvraag is inmiddels waar de overblijfselen van de echte Marcus de evangelist zijn gebleven en welke relieken nu eigenlijk berusten in de San Marco van Venetië. Over de evangelist Marcus is zo goed als niets bekend dus over zijn stoffelijke resten kan in feite ook niets gezegd worden. De in het Nieuwe Testament voorkomende Marcus en Johannes Marcus kunnen met geen enkele zekerheid geïdentificeerd worden met de evangelist. Het is mogelijk dat het één en dezelfde persoon betreft, maar dat zegt nog niets over een identificatie met de evangelist Marcus.

Het is mogelijk dat de Marcus die in het Nieuwe Testament een metgezel van Petrus was, maar over een verblijf en martelaarschap van Petrus is Rome en de gedachte dat Marcus op basis van de prediking van Petrus zijn evangelie zou hebben geschreven, is niets aan te tonen. Het zou ook mogelijk zijn dat (Johannes) Marcus een metgezel c.q. neef van Barnabas is geweest en met deze naar Cyprus is vertrokken, maar na deze reis verdwijnt deze Marcus uit beeld. Dat hij vanaf Cyprus naar Egypte zou zijn vertrokken is legendevorming die mij doet denken aan de buitenbijbelse legendevorming rondom de Nieuw Testamentische figuur van Lazarus.

Op zijn gunstigst kan het stoffelijk overschot van (Johannes) Marcus, de neef van Barnabas, in de kerk in Alexandrië terecht zijn gekomen, maar dat is allerminst zeker en niet aantoonbaar. We kunnen er gevoeglijk wel van uitgaan dat deze relieken in de negende eeuw naar Venetië zijn verhuisd. Van welke persoon de relieken afkomstig zijn blijft een bron van speculatie. Er zijn zelf lieden die beweren dat het Alexander de Grote is.

De leeuw: het symbool van de evangelist Marcus én het wapen van Venetië. Gevelsteentje in Amsterdam (Stromarkt 7).

Marcus in het volksgeloof

Naast deze verwarring omtrent de persoon van de evangelist en de hoedanigheid van de met hem in verband gebrachte relieken, heeft Marcus zich ook een plek veroverd in de volkscultuur. Zoals gezegd is zijn feestdag op 25 april. De Venetianen vieren deze dag traditioneel met het Festa del bócoło, het rozen(knop)festival. Op deze dag geven mannen aan de vrouw of het meisje waar zij verliefd op zijn een enkele rozenknop in de hoop dat deze knop tot een wederzijdse liefde opbloeit. Italiaanser kan het bijna niet.

De traditie zou ontstaan zijn in de achtste eeuw, toen een man van lage sociale status verliefd werd op een edelvrouw uit Venetië. Om de goedkeuring van haar vader te verkrijgen, verwikkelde hij zich in een verre oorlog. In de strijd raakte hij echter dodelijk gewond, maar slaagde erin een roos uit een nabijgelegen rozenstruik te plukken. Een metgezel bracht de met bloed besmeurde roos naar zijn geliefde.

Vruchtbaarheidsrituelen

Nu valt 25 april in de lente en je kunt er dus donder op zeggen dat voorchristelijke voorjaars- en vruchtbaarheidsrituelen een plaats hebben gekregen op deze feestdag. Zo vindt in het dorpje Tresnuraghes op Sardinië op deze dag het jaarlijkse festival plaats. In deze pastorale omgeving bieden plaatselijke herdersfamilies schapen en brood aan en vieren vervolgens honderden dorpsbewoners feest met veel eten en drinken. De traditie is waarschijnlijk ontstaan uit het offeren van schapen en brood aan de goden in de hoop op voorspoed in het nieuwe seizoen.

De Litouwers beschouwen Sint-Marcus als de hoeder van de aarde en de oogsten. Ze vastten, met name onthield men zich van vlees, in de hoop op een rijke oogst. Men vermeed “de aarde aan te raken”, dat wil zeggen: niet ploegen of graven, om de aarde rust te geven vóórdat het planten begon.

Saint Mark’s Eve

In Engeland kende men een wat lugubere traditie die eerder doet denken aan het Keltische Halloween / Samhain maar waarschijnlijk verwijst naar Beltane op 1 mei. Bij beide feesten liep het rijk van de levenden over in dat van de doden.

In heel Engeland, maar vooral in de noordelijke en westerse graafschappen, werd van de zeventiende tot achter in de negentiende eeuw aan de vooravond en nacht van de feestdag van Sint-Marcus ‘Saint Mark’s Eve’ gehouden. Enkele dorpelingen verzamelden zich dan in het open voorportaal of de trappen van de kerk. In bepaalde tradities moesten de deelnemers vooraf vasten of eenmaal de kerk lopend omcirkelen. Voorafgaand aan de sessie werden de vigiliën van Saint Mark gezongen, in Yorkshire zelfs drie avonden achtereen. Tussen de klokslagen van 23.00 en die van 01.00 uur moesten de deelnemers in doodse stilte in het voorportaal verblijven. De zielen van de dorpelingen die dat jaar (seizoen) zouden sterven zouden dan voorbij lopen, in volgorde van sterfdatum. Andere tradities beweren dat bij jonge vrouwen het gelaat van haar aanstaande man op hun blouses zouden verschijnen.

Over deze traditie heeft de Engelse Romantische dichter John Keats een gedicht geschreven onder de titel ‘The Eve of St. Mark‘. De Amerikaan Washington Irving, die wij al tegenkwamen in mijn blog over het Alhambra, schreef het verhaal ‘St. Mark’s Eve’ voor zijn tweedelige bundel uit 1822, Bracebridge Hall, die Irving schreef toen hij in Engeland verbleef en waarin hij diverse Engelse tradities van ‘superstition’ beschrijft.

Als de evangelist wist wie zich allemaal voor hem hadden uitgegeven, zou hij zich omdraaien in zijn graf. Of toch in zijn met goud afgezette reliekschrijn in de San Marco van Venetië.