Goed volk: De evangelist Marcus (1)

ACHTERGROND - Het evangelie naar Marcus is door zijn beknoptheid bij de gemiddelde gelovige altijd minder populair geweest dan de drie andere evangeliën. Vanaf het midden van de negentiende eeuw kreeg dit evangelie weliswaar een herwaardering, maar die was vooral van wetenschappelijke aard, in het kader van de historisch-kritische exegese. Het zal dan ook weinig West-Europeanen zijn opgevallen dat het vorige week, 25 april, de feestdag van Sint-Marcus was. Zo niet in de Oosters-Orthodoxe en zeker niet in de Koptische kerk, waar Marcus geacht wordt de stichter van te zijn. Wat weten we eigenlijk van deze evangelist? Zeker dit: dat de traditie en de volksdevotie behoorlijk met hem aan de haal zijn gegaan.

De historische Marcus (en Paulus)

Marcus heeft zijn evangelie waarschijnlijk rond het jaar 70 n.Chr. geschreven. Waar is niet bekend; in eerste instantie dacht men aan Rome, maar later onderzoek verwijst ook naar (de Romeinse provincie) Palestina of Syrië. Het vervelende is dat noch het evangelie zelf noch buitentekstuele bronnen iets verraden over het ontstaan of de auteur. Hooguit kan men concluderen dat het een joodse (en geen heidense) volgeling van Jezus van Nazareth is geweest.

Sommigen vereenzelvigen Marcus met Johannes Marcus, een metgezel van Paulus (Handelingen 12 en 1 Petrus). Historisch-kritisch onderzoek wees al snel uit dat deze identificatie onhoudbaar is. Bovendien werd nadat Johannes Marcus met Barnabas naar Cyprus vertrok (Handelingen 15) niets meer van hem vernomen.

De vereenzelviging van de evangelist Marcus met Johannes Marcus, de neef van Barnabas, kent tot op de dag van vandaag de nodige aanhangers. Echter Hippolytus van Rome (ca. 170-235) maakte in zijn boek Over de zeventig apostelen al onderscheid tussen de evangelist en Johannes Marcus – daarover straks wat meer. De laatste heeft overigens in de kerk van Rome zijn eigen feestdag op 27 september.

De historische Marcus (en Petrus)

Ook is geopperd dat Marcus een metgezel van de apostel Petrus zou zijn geweest en dat zij samen naar Rome zouden zijn getogen. Petrus zou de marteldood zijn gestorven waarna Marcus de herinneringen van Petrus aan Jezus (Marcus heeft hoogstwaarschijnlijk Jezus zelf niet gekend) op schrift zou hebben gesteld.

Later onderzoek heeft deze verbintenis stevig op losse schroeven gezet, nog afgezien van het feit dat Petrus in tegenstelling tot Paulus waarschijnlijk nooit in Rome is geweest, ondanks de twee indrukwekkende kerken die successievelijk boven zijn veronderstelde graf gebouwd zijn. Ik concludeer in de woorden van Den Heyer uit 1985:

We kunnen alleen maar met zekerheid zeggen dat een onbekende christen van de tweede generatie, die vermoedelijk de naam Marcus droeg, verantwoordelijk is voor het tot stand komen van het oudste evangelie. Verdere gegevens over zijn persoon en over zijn achtergrond ontbreken.

Terug naar af dus, maar daar weet de traditie en zeker het volksgeloof wel raad mee.

Ikoon van Sint-Marcus met zijn symbool, de leeuw

Eusebius’ Marcus

De protestantse kerken erkennen alleen de Bijbel als gezaghebbende bron van de heilsgeschiedenis, bij de vroegere kerken komt daar ook nog de traditie van met name de kerkvaders bij zoals die door de eeuwen heen gestalte heeft gekregen.

De traditie omtrent Marcus begint bij de bisschop en kerkhistoricus Eusebius van Caesarea (ca 263-339). Merk op dat we inmiddels bij een slordige 200 tot 300 jaar na het leven van Jezus beland zijn. In zijn Griekstalige Geschiedenis der Kerk beschrijft hij Marcus als de tolk van Petrus die de Heer niet gehoord had maar later volgeling van Petrus geworden was. De auteur van de Eerste Petrusbrief noemt ene Marcus inderdaad “mijn zoon” (5.13). Marcus zou de prediking van Petrus na diens marteldood hebben opgeschreven.

Deze beweringen lijken logisch: als Marcus de tolk van Petrus is geweest moet hij op zijn minst het Grieks hebben beheerst (het evangelie naar Marcus is in het Grieks geschreven) en bovendien verklaart dat de nodige hiaten in het evangelie. Het zou gebaseerd zijn op de prediking van Petrus en niet op een chronologische heilsgeschiedenis. Logisch, maar onderzoek heeft allang uitgewezen dat de historiciteit naar onze huidige maatstaven behoorlijk rammelt en dat veel zijn beweringen zijn te beschouwen als rechtvaardigingen achteraf. Maar hoe kwam Eusebius aan zijn wijsheden?

Vóór Eusebius’ Marcus

Eusebius noemt als zijn bron het getuigenis van Papias, bisschop van Hiërapolis in Klein-Azië (65-ca 130). Vanwege zijn rol in het vroege christendom en zijn contact met mensen die de apostelen nog hadden gekend, wordt hij tot de Apostolische Vaders gerekend. Volgens kerkvader Ireneüs (ca 140-202) was hij een tijdgenoot en vriend van Polycarpus van Smyrna (ca 69-156), die de apostel Johannes nog gekend zou hebben.

Papias, ook de beroerdste niet, noemt op zijn beurt ook zijn bron, ene presbyter Johannes, een nogal schimmige figuur die in de onderzoeksliteratuur regelmatig genoemd wordt omdat hij een rol speelt in de discussies over het auteurschap van de geschriften van het Nieuwe Testament die op naam van Johannes staan. Waarschijnlijk leefde hij aan het einde van de eerste eeuw in Efeze in Klein-Azië. Wie al de overhaaste conclusie trekt dat hij de auteur van het bijbelboek Openbaringen is en misschien zelfs die van het evangelie naar Johannes moet ik teleurstellen, deze veronderstellingen zijn reeds door onderzoek ontzenuwd.

Nu mag een getuigenis uit de eerste eeuw omtrent de figuur van Marcus plausibel klinken, we zijn inmiddels wel aangeland op het niveau van Annie M.G. Schmidt’s “Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan heeft de kraan open laten staan”. Vanuit Eusebius geredeneerd is dit informatie uit de zoveelste hand, dus voor wat het waard is. Wetenschappelijk gezien naar de huidige maatstaven bijzonder weinig.

En dan is er ook nog het reeds genoemde boekje over de Zeventig Apostelen van Hippolytus van Rome. Die onderscheidt hierin drie Marcussen: Marcus de Evangelist (genoemd in 2 Timoteüs 4.11), Marcus de neef van Barnabas (genoemd in Kolossenzen 4.10) en Johannes Marcus. In de moderne Bijbelwetenschap wordt ook wel beweert dat het steeds om dezelfde Marcus gaat, die een paar keer anders wordt genoemd. Dat is maar de vraag, want waarom zou de veronderstelde evangelist de ene keer alleen Marcus genoemd worden en de andere keer Johannes Marcus (Johannes is een Joodse naam, Marcus een Romeinse). Verwarring en onzekerheid alom.

Marcus in het Synaxarion

Een martyrologium (Latijn voor martelarenboek) is een catalogus van hagiografische gegevens over de martelaren in de Westerse Kerk, geordend volgens de kerkelijke kalender. De Oosters-Orthodoxe Kerk kent een equivalent, het Synaxarion. In een actuele inleiding tot het Synaxarion door hiëromonnik Makarios van het Simonos Petros-klooster op Athos schrijft deze auteur:

Net zoals een icoon alleen kan worden vereerd in de context van aanbidding met de juiste disposities, zo kan het leven van een heilige alleen in de kerk worden gelezen met de ogen van het geloof en niet volgens de criteria van seculiere wetenschap. Dit betekent niet goedgelovigheid, maar spiritueel bewustzijn van het mysterie van Christus in ons.

Makarios maakt onderscheid tussen enerzijds wetenschap die zich op de feiten richt en anderzijds spirituele benadering. Hetzelfde geldt niet alleen voor iconen, maar ook voor relieken en zelfs voor de Bijbel, een ‘verbale icoon’, die als het Woord van God moet worden beschouwd dat direct tot het hart spreekt.

Het Synaxarion is in de loop der eeuwen tot stand gekomen en hoewel het kritische teksten bevat is het wel een weergave van kerkelijke traditie. Over Marcus zegt het:

Marcus was een afgodendienaar uit de Pentapolis van Cyrenaica in Oost-Libië. Nadat hij door de apostel Petrus tot het geloof in Christus was gekomen, volgde hij hem naar Rome. Terwijl hij daar was, schreef Marcus, op verzoek van Petrus zelf en op verzoek van de christenen die daar woonden, zijn evangelie in het Grieks. Daarna reisde hij naar Egypte, predikte daar het evangelie en vestigde als eerste de kerk in Alexandrië. De afgodendienaren, die zijn prediking niet konden verdragen, grepen hem vast, bonden hem vast met touwen en sleepten hem door de straten totdat hij, in stukken gehakt op rotsen, zijn ziel opgaf. Er wordt gezegd dat hij zijn leven in martelaarschap rond het jaar 68 voltooide.

Er worden hier ‘feiten’ weergegeven, zoals het volgen van Petrus naar Rome, waar de wetenschap inmiddels korte metten mee heeft gemaakt. Maar zoals gezegd gaat het in eerste instantie niet om de feiten maar om de spiritualiteit, zoals een verslaggever bij een recent Europees voetbalkampioenschap opmerkte dat de Grieken speelden “met het hart” en niet volgens tactiek. Bronnen noemt het Synaxarion niet, maar het baseert zich ongetwijfeld op een orale traditie zoals die in de loop der eeuwen gestalte heeft gekregen en later schriftelijk is vastgelegd. Met andere woorden: Annie M.G. Schmidt.

Andere tradities

De geschiedenis van Marcus komt als hagiografie ook voor in de Gulden Legende (1259–1266 met latere aanvullingen), net als overigens de andere drie evangelisten. Hoe het Romeinse martyrologium en de Bollandisten over de Marcus-traditie oordelen laat ik vanwege plaatsgebrek achterwege.

Het Synaxarion van de Orthodoxe Koptische kerk vertelt een ander en veel gedetailleerder verhaal. Marcus reist nu niet met Petrus maar met Paulus en is dus dezelfde als Johannes Marcus, de persoon waarvan al is vastgesteld dat hij niet dezelfde kan zijn als de evangelist.

Tot zover is de geschiedenis van Johannes Marcus nog redelijk te volgen in het boek Handelingen, maar hierna neemt de Koptische traditie het over. Hoe deze kerk aan de gedetailleerde feiten uit zijn Synaxarion kwam is niet bekend; de commentaren verwijzen slechts naar een aloude traditie. Het gaat hier dus kennelijk om een mondelinge, steeds verder uitgebreide traditie.

Om de draad weer op te pakken: volgens de Kopten vergezelde Johannes Marcus zijn neef Barnabas na het apostelconcilie van Jeruzalem, gehouden ergens tussen 44 en 49, naar Cyprus om het evangelie te verkondigen. Na het vertrek van Barnabas uit Cyprus reisde Johannes Marcus (door de Kopten nog steeds geïdentificeerd met Marcus de evangelist) door naar Afrika, naar de stad Berka en naar zijn geboortestreek, de Pentapolis. In 61 trok hij naar Alexandrië.

Martelaarschap

Het aardige verhaal over de wonderbaarlijke genezing van de vinger van schoenmaker Anianus laat ik even voor wat het is, feit is, volgens het Koptische Synaxarion, dat Johannes Marcus behoorlijk succesvol was in het bekeren van heidenen tot volgelingen van Jezus Christus, dit tot groot ongenoegen van de heidenen die zich niet lieten ompraten.

De paasviering van het jaar 68 viel op dezelfde dag als de feestelijkheden rondom de god Serapis, een nogal complexe godheid van Oud-Egyptische origine wiens verering in het Romeinse rijk wijd verbreid was. Heidenen vielen tijdens de paasviering de door Johannes Marcus gebouwde kerk in Bokalia aan, sleurden Marcus aan een touw door de straten en wierpen hem vervolgens in de gevangenis, waar een engel en Christus zelf die nacht aan Marcus verschenen.

De volgende dag voerden de heidenen hetzelfde kunstje met Marcus uit en wilden hem tenslotte op de brandstapel gooien, maar dankzij een heftige storm en een flinke bui doofde het vuur. De heidenen deden het in hun broek en vluchtten alle kanten op. Marcus had echter de tweede sleurpartij door de stad niet overleefd.

Zijn volgelingen droegen hem de kerk van Bokalia binnen en legden hem in een kist die zij vervolgens op een geheime plek in de kerk verborgen. Hier eindigt het verhaal in het Koptische Synaxarion, want die willen het graag zo houden. Ze beschouwen Johannes Marcus, in hun ogen de evangelist Marcus, als de stichter en eerste paus (Koptische patriarchen heten ook pausen) van de Koptische kerk. Maar het gebeente van Marcus had nog geen rust gevonden.

[Wordt volgende week maandag vervolgd]

  1. 1

    Paulus zag ik op een hobbyforum ooit treffend omschreven als “The weeny guy with al the letters.” ;)

    Barnabas heb dankzij Giovannino Guareschi leren kennen. Het betrof een in de weg staand en door de tijd aangevroten beeld, waar Don Camillo van af wil en het ergens dumpt. Door de dorpelingen wordt het echter gevonden, als teken gezien en het moet dan ook een prominente plaats krijgen…