dossier

WOB

Foto: Sebastiaan ter Burg (cc)

Openbaarheid van bestuur in de verkiezingsprogramma’s

ANALYSE - Openbaarheid is niet de sterkste kant van de Nederlandse overheid. Met de nieuwe, eigentijdse wetgeving op dit gebied wil het maar niet vlotten. Wat beloven de partijen op dit punt in hun verkiezingsprogramma’s?

In de zomer van 2012 dienden de Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) een initiatiefwetsontwerp in voor een nieuwe wet op de openbaarheid van bestuur. Het was de voortzetting van een initiatief van voormalig Kamerlid Mariko Peters uit 2011 dat grote bezwaren ontmoette bij toenmalig minister Donner (Rutte I). De nieuwe wet is op 19 april vorig jaar door de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu nog steeds bij de Eerste Kamer. Opnieuw stribbelt de regering tegen. Een quick scan over de implicaties van de wet in opdracht van minister Plasterk (Rutte II) voorspelt hoge kosten. “Het ministerie van BZK en de VNG draaien de Wet open overheid (Woo) langzaam maar zeker de nek om”, zeggen gemeenteraadsleden van GroenLinks en D66.

De reserves tegen grotere openbaarheid van bestuur klonken al door in het behoudende advies van de Raad van State bij het initiatiefwetsontwerp. Het bestuur kiest voor zijn eigen belangen (veel werk, hoge kosten, vervelende burgers buiten de deur houden) en niet voor de rechten van burgers. Dat wringt in tijden waarin alle politici braaf hun zorgen uiten over de toenemende onvrede van burgers met de overheid. De politiek zou daar nu wat kunnen aan doen door de burger tegemoet te komen met meer openheid, minder achterkamers en de inzet van meer moderne middelen om verantwoording af te leggen.

De geest van Drees

ANALYSE - De verhouding tussen de pers en de overheid is altijd spannend geweest. Openbaarheid blijft een lastig onderwerp voor regeringen en gemeentebesturen. Openheid en transparantie zijn buzz-woorden maar de praktijk laat veel te wensen over. Nieuwe wetgeving laat al jaren op zich wachten.

Onlangs las ik een beschouwing over journalistiek in de jaren vijftig van Paul Koedijk*. Het beeld dat hij schetst geeft te denken over de tegenwoordige tijd. Op het eerste gezicht lijkt het een totaal andere wereld. Wat zestig jaar geleden geheim was moest geheim blijven totdat de minister zei dat er over gesproken kon worden. En wat de minister wel kwijt wilde moest bij voorbaat letterlijk en zo uitgebreid mogelijk geciteerd worden. Over minister-president Drees (foto) schreef een kritische journalist in die tijd: “[Men ontkomt] niet aan de indruk dat dr. Drees alle kranten het liefst zou zien als voorlichtingsorganen.” Voorlichting en p.r., dus communicatie die door de overheid zelf wordt geregisseerd, bloeide op in de jaren vijftig. De pers dreigde geplet te worden  “tussen de hamer en het aambeeld van de geheimzinnigheid en de voorlichting” schrijft Koedijk over deze periode. Of veel journalisten dat toen ook zo gevoeld zullen hebben is de vraag, want hij laat ook zien dat de meeste kranten bijzonder coöperatief waren met hun in politiek opzicht verwante ministers. De journalisten van de grote media verschilden in hun wereldbeeld ook niet zo veel van de politici van verschillende brede coalities na de oorlog. Ze toonden de lezer, luisteraar en kijker een tamelijk eensgezinde interpretatie van het algemeen belang min of meer conform de geest waarin de regering het volk toesprak.

Wob-verzoek ingediend? Kan je wachten tot je een ons weegt!

ACHTERGROND - Elke journalistiek begint met toegang tot gegevens. Geen toegang, geen gegevens, geen verhaal. Dat kan met een belletje richting communicatieafdeling of, zwaarder, een Wob-verzoek. Dan moet de overheid dat verzoek wel honoreren. En dat gebeurt niet altijd even doortastend. Een dwangsom om binnen een termijn te reageren, is dan een prettige stok achter de deur. Maar die stok neemt Plasterk burgers nu af.

Eerlijk is eerlijk: verdienen aan de Wet openbaarheid van bestuur is van de zotte. Complexe verzoeken indienen in de hoop dat gemeenten een verplichte termijn overschrijden, is buitengewoon onwenselijk. Net zo onwenselijk als het dan maar rigoureus schrappen van deze financiële stok achter de deur door minister Plasterk. In een brief aan de Kamer belooft de minister eind van dit jaar met een nieuwe Wob te komen, waarin die dwangsom niet meer is opgenomen. De maatregel-Plasterk – schrappen – heeft twee werkbare alternatieven. Zo kunnen de dwangsommen in een speciaal fonds worden gestort om zo persoonlijk gewin teniet te doen. Het kabinet is daarvan geen voorstander in verband met de hoge uitvoeringslasten. Die kosten worden overigens nergens onderbouwt, maar zijn waarschijnlijk lager dan de totale dwangsommen die gemeenten nu moeten betalen. De VNG kreeg eerder al ruim vijfhonderd klachten binnen op een Wob-misbruik-meldpunt. Vijfhonderd redenen om te pleiten de dwangsom uit de Wob te slopen. Als al die dwangsommen nu eens zouden terugvloeien naar gemeenten om daarmee te helpen dat verzoeken op tijd worden behandeld, dan hoeven de goede niet onder de slechten te lijden.

Foto: Jeroen van Lieshout (cc)

Bordendiarree (3)

De volgende etappe in de poging een weg te kappen door de Grote Snelheidsjungle.

Op 16 januari diende ik een WOB-verzoek in waarin ik Rijkswaterstaat vroeg om de plaatsaanduiding van alle snelheidsborden langs de A4. Op 14 maart een tussenstand en nu is er dan een besluit. Let wel: niet het besluit, maar een besluit. We zijn er nog lang niet want de gevraagde informatie is niet geleverd.

Uit de documenten die wel alvast zijn geleverd, valt echter al wel het een en ander te destilleren. Wist u, dat de 56,7 kilometer lange A4 in elke rijrichting is opgedeeld in zeventien (!) verschillende snelheidsvakken? Dat is een gemiddelde van 3,3 kilometer per snelheidsvak. Dat is overigens de situatie zoals die gold op 1 september 2012, de dag dat de snelheid ‘overal’ omhoog ging naar 130.

Sommige vakken met gelijke snelheid grenzen aan elkaar, dus daar hoeft niet te worden geremd (of versneld). In totaal gelden overdag op dat stukje snelweg in elke rijrichting vier verschillende snelheden. ’s Avonds en ’s nachts moet de Wakkere Rijder vijf keer wisselen van snelheid. Het kortste vak is 1,0 kilometer ‘lang’: van 100 kilometer per uur naar 100-130 km/per uur, en weer terug naar 100.  Die ‘100-130 km’ is, uitgedrukt in Rijkswaterstaat-jargon: ‘Snelheidslimiet na wegnemen voorbehoud’.