Maurits de Groot

7 Artikelen
13 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Na een carrière als tekstschrijver woont Maurits de Groot op het Spaanse platteland, waar hij vooral heel veel leest.
Foto: Arctisch onderzoek (foto Fridtjof Nansen,1861–1930)

Onder het ijs

RECENSIE - Ik lees de laatste jaren steeds minder fictie. Ik probeer het wel, maar haak vaak na een bladzijde of twintig alweer af. Soms is zelfs de flaptekst al voldoende om er niet aan te beginnen. Weer zo’n verzonnen verhaal waarin ik mezelf niet herken, waarin ik me niet met iemand kan identificeren. Vooral Nederlandse schrijvers boeien me steeds minder. Zelfs het bejubelde Kwaadschiks van Van der Heijden verveelde me al na tien minuten. Zo bedacht, zo kunstmatig, zonde van mijn tijd. Terwijl die man echt wel kan schrijven.

Het fijne van Google Play Books is dat je het eerste hoofdstuk van een boek gratis kunt downloaden. Zo scheid ik snel het kaf van het koren. Dat deed ik ook bij de nieuwe roman van Ellen de Bruin. Waarschijnlijk zou het boek me niet eens opgevallen zijn, ware het niet dat ik vorig jaar een uitstekende non-fictie van haar las, Onsterfelijkheid voor beginners, dat ik in een eerder blog besprak. Nu hoeven goede non-fictieschrijvers geen goede romanciers te zijn, maar mijn belangstelling was gewekt. De flaptekst leek een dertien-in-een-dozijn-boek aan te prijzen, doch ik negeerde mijn weerzin en begon aan hoofdstuk 1.

Dat viel niet tegen. Genoeg identificatie voor deze jongen. Zeker, Onder het ijs gaat over wetenschap, over reizen, over onbeantwoorde liefde, over jezelf ontdekken. Maar wat mij betreft gaat het vooral over rouw. Geen zwaarmoedig geneuzel, maar rouw zoals ik die zelf ook heb ervaren. Over een constante knoop in je maag. Over een dikke mist in je hoofd. Over het niet kunnen geloven en accepteren dat iemand er niet meer is en daardoor een beetje losgezongen raken van de werkelijkheid. Het is een soort depressiviteit, maar dan anders. Lastig in woorden te vangen, maar dat is dus net het knappe van deze roman.

Foto: Slava Murava Kiss (cc)

Ik tweet, dus ik ben

Ik ben niet zo van de social media, omdat ik ten eerste zelf niet zo sociaal ben en ten tweede omdat er eigenlijk weinig sociaals aan die media is. Facebook en Instagram en dergelijke gaan en gingen dus fijn aan mij voorbij. Maar ik zit wel op Twitter. Inconsequent? Zeker. Maar je hoort mij ook niet zeggen dat ik altijd consequent ben.

In elk geval ben ik vermoedelijk geen typische Twitteraar. Ik volg slechts een gering aantal mensen, 24 op dit moment, en dat zijn voornamelijk journalisten en wetenschappers. Die wijzen me de weg naar interessante artikelen en blogs. Zodra ze teveel over zichzelf tweeten, prietpraat en – godbewaarme – poezenplaatjes, dan haak ik weer af. Van sommigen ontvang ik inmiddels een nieuwsbrief per mail, dus die schrap ik dan ook. Hoe iemand 1000 mensen kan volgen was mij altijd een raadsel, maar inmiddels begrijp ik dat ze gewoon lang niet alle tweets zien. Dat snap ik niet. Als ik iemand interessant genoeg vind om te volgen wil ik alles van hem/haar/het lezen en ook de retweets zien.

Al mijn zorgvuldigheid ten spijt moet ik mij dagelijks evengoed nog door veel onzin heen werken. Dat komt omdat sommigen nogal lukraak retweeten. En ook wat iemand ‘leuk’ vindt verschijnt vaak in mijn tijdlijn. De meest interessante mensen vinden de raarste dingen ‘leuk’. Maar zoals ik al zei, ik ben ook niet altijd consequent. Verder is Twitter zelf nogal scheutig met ‘uitgelichte’ tweets, die doorgaans gewoon ordinaire reclame bevatten. En zelf ben ik ook schuldig aan het genereren van flauwekul, want ter verstrooiing volg ik @DingemanAnton en @Heinvandebuis en @FenS_fans. Maar zo zit er tenminste nog wát grappigs tussen al het leed dat dagelijks binnenstroomt. De enige die ik volg om persoonlijke redenen is mijn zoon.

Foto: Elon Musk (photo Wikimedia Commons | Steve Jurvetson)

Musk

RECENSIE - In de gebruikelijke stroom journalistieke bagger waar ik dagelijks doorheen waad, op zoek naar die paar pareltjes die het lezend leven de moeite waard maken, kwam ik een tussengevalletje tegen. Op zich een prima geschreven stuk, maar wat proefde ik daar nou toch tussen de regels door? Jaloezie? Nu is Elon Musk een controversieel figuur, zoals vrijwel iedereen die een visie heeft én succes, maar om hem nu als een doodordinaire kapitalist weg te zetten, die het alleen maar om de poen gaat, is me wat te gortig.

Ik steek mijn bewondering voor Musk niet onder stoelen of banken. Net als Steve Jobs is hij wellicht geen ideale werkgever, geen prettig sociaal persoon en misschien wel een hork of zelfs een klootzak, maar dat doet niets af aan het feit dat hij zo’n beetje in zijn eentje hele technologische revoluties op gang brengt. Ja maar, stond er in het stuk, hij vindt die technologie niet zelf uit. Nee, Jobs heeft de smartphone ook niet bedacht, maar wel de smartphonerevolutie ontketend. Trouwens, de meeste hedendaagse technologie is er dankzij de door de overheid gesponsorde wetenschap gekomen. Bedrijven maken die vervolgens commercieel. Je leest hier een goed verhaal over hoe dat zit.

Foto: Hunebed D15

De stenen van Stonehenge

RECENSIE - Ergens halverwege de jaren ’80 ging ik met een vriendin voor een weekje naar Engeland. Zij had in Londen gewoond en wilde wat vrienden opzoeken, ik had Oxford en Stonehenge op mijn bucketlijstje staan. Behalve dat je links moet rijden, het belabberde eten en de Britten zelf natuurlijk, is het best een aardig land. Londen vond ik niks, behalve het Hampstead Heath park, en Oxford was geweldig, maar vooral die paar uur bij Stonehenge zijn 30 jaar later nog steeds een aangename herinnering. Al wist ik er nauwelijks veel meer van dan de gemiddelde toerist, het maakt indruk en smaakte eigenlijk naar meer. Ik zag weliswaar nog een paar andere steencirkels en had daarvoor al eens een verdwaalde hunebed in Drenthe gespot, je rijdt daarna weer naar huis en bent al snel weer met andere dingen bezig.

Gelukkig is een mens nooit te oud om te leren en attendeert iemand je wel eens op een interessant boek. Zo las ik een tijdje terug een uitstekende recensie van ‘Een paleis voor de doden’ van de Belgische wetenschapsjournalist Herman Clerinx. Kijk, die man neemt geen halve maatregelen. Als er ergens in Nederland, België, Frankrijk of Engeland een interessante steen staat, dan staat die in het boek en vertelt hij je niet alleen een korte geschiedenis en de nodige anekdotes, maar ook waar je dat ding precies kunt vinden. Een veldgids. Om blij van te worden.

Zen

RECENSIE - Ik las een paar droevige berichten deze week. Eerst overleed Robert M. Pirsig, een schrijver aan wie ik veel heb gehad. Vervolgens verschenen er diverse zure stukjes naar aanleiding van zijn overlijden, over wat er eigenlijk allemaal niet deugde aan het boek waarmee hij beroemd werd.

Sukkels.

Zen en de kunst van het motoronderhoud’ verscheen in 1974 (de Nederlandse vertaling is van 1976). Ik las het een jaar later, toen ik negentien was, en het boek zette in mijn leven heel veel dingen in gang.

Pirsig bracht een aantal zaken samen in één verhaal. Allereerst is hij op reis, op de motor, met zijn zoon. Je leert iets over Amerika, je leert iets over motoren, je leert iets over relaties, vooral over de relatie met jezelf. Want Pirsig had een troebel verleden en worstelde nog met zijn oude ik, uit de tijd dat hij aan schizofrenie leed. Hij vertelt daar open en helder over en alleen dat maakt het boek al bijzonder.

Maar het belangrijkste gebeurt daar tussendoor. Terwijl hij motorrijdt, afwast, aan zijn motor sleutelt, filosofeert hij over het begrip kwaliteit. Wat is dat nou precies? Of eigenlijk, wat maakt het leven boeiend en bijzonder? Of nog beter, hoe maak je je leven boeiend en bijzonder? Zelf geeft hij het boek als ondertitel mee: een onderzoek naar waarden.

Foto: Blaise Alleyne (cc)

Het laatste nieuws

OPINIE - Ik mag graag het nieuws een beetje volgen. Maar er is iets raars gebeurd met de journalistiek de laatste jaren. Even los van kwalijke ontwikkelingen als fake news en framing en clickbait, vind ik dat de kwaliteit van de gewone verslaggeving in het algemeen behoorlijk is gedaald. Ik ben altijd op zoek naar informatie, niet zozeer in de zin van wat er nu weer net gebeurd is, maar voorbij de waan van de dag: achtergrondartikelen, analyses en goede verhalen over dingen waar je eigenlijk zelden over nadenkt. Een perfect voorbeeld van het laatste en tevens één van de beste verhalen die ik in 2016 las, is deze uit de New York Times. Journalistiek van de allerbovenste plank. Een (behoorlijke) longread, maar de moeite waard. Een genot om te lezen, echt.

Maar dat is een buitenlandse krant! Ja, sorry mensen, maar de vaderlandse journalistiek is echt niet meer wat het ooit was. In een aantal opzichten. Ik geloof bijvoorbeeld niet dat ik de laatste vijftien jaar nog een krant heb gelezen, die foutloos Nederlands bevatte. Of een tijdschrift. Of een boek. Een tikfoutje, alla, dan kan gebeuren, maar kromme zinnen, contaminaties, pleonasmen, d’s en t’s op de verkeerde plekken, die ipv dat en vice versa en ga zo maar door. Taalpuristisch gezeur? Hee, dit zijn broodschrijvers, goed (nou ja, niet altijd) betaalde professionals, vaak ook nog gesuperviseerd door redacteuren, geen hobbybloggers zoals jij en ik. Ze moesten zich kapotschamen.

Boekenweek! | Tom Wolfe

RECENSIE - De organisatoren van de Boekenweek hebben in hun oneindige wijsheid besloten ‘Verboden Vruchten’ tot het thema van 2017 te maken. Conny Palmen doet er een boekje over open en vermoedelijk weet Herman Koch er ook wel raad mee in zijn Boekenweekgeschenk. Plus natuurlijk volop aandacht voor een vloed van schrijvers en schrijfsters die zich al ooit aan het onderwerp wijdden (of vertilden). Ik ging nog iets verder terug, naar 1968,  en vraag je aandacht voor een meesterwerk, dat helaas in de vergetelheid raakte.

Tom Wolfe, een icoon in Amerika, is in ons land vooral bekend door zijn romans, waarvan Het vreugdevuur der ijdelheden de meest opvallende is. Maar voor hij fictie begon te schrijven, was Wolfe eerst jarenlang journalist. En wat voor één. Zijn reportages, waarvan er een aantal ook in boekvorm uitkwamen, leken in niets op alles wat er daarvoor geschreven werd. Wolfe dompelde zich helemaal onder in zijn onderwerp en beschreef wat hij meemaakte op een uiterst persoonlijke, rauwe en buitengewoon beeldende manier. Bijna in zijn eentje zette hij een compleet nieuwe vorm van journalistiek op het menu van bladen als Vanity Fair en The New Yorker.

Zijn bekendste reportage in boekvorm ken je wellicht, omdat het later verfilmd werd: The right stuff, een heldenepos over het begin van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Maar al veel eerder ging Wolfe, aanvankelijk eigenlijk nauwelijks geïnteresseerd, op gevangenisbezoek bij Ken Kesey, de schrijver van One flew over the cuckoo’s nest, die was aangehouden voor het bezit van marihuana, in 1966 nog een ernstig misdrijf in de Verenigde Staten. (Hier is een leuk filmpje over Kesey.)