Ik heb toch niets te verbergen!
Bovenstaande zin hoor ik vaak als we het hebben over de steeds meer aanwezige bewakingscamera’s. De meeste mensen gebruiken het argument om aan te geven dat als je tegen bent je vast iets te verbergen hebt, en kijken mij dan aan met een blik van “en jij”?
Ik sputter dan meestal iets in de geest van “Als ik niets fout doe, hoeft de regering mij niet te bekijken” en “De regering bepaalt wat fout is en zij kunnen de definitie aanpassen. In feite doen ze dat al”. Een ander argument is dat de regering misschien foute dingen zou kunnen doen met onbewust door mij gegeven informatie. Leuke argumenten, maar ze overtuigen de gesprekspartner meestal niet.
Op een Amerikaans weblog ontstond een interessante discussie hierover. De auteur van het stukje haalt daar nog een ander, voor mij tot nog toe onbekend argument aan: privacy is een onvervreemdbaar mensenrecht en een voorwaarde voor een waardig en respectvol bestaan.
Het interessante van deze uitspraak is dat het geen verdediging is op de inherente beschuldiging uit de titel van deze post: als jij ertegen bent heb je vast iets te verbergen. Zou jij het leuk vinden dat er iemand meekijkt terwijl je op een bankje een zoen geeft aan je geliefde? Daar even lekker op inzoomed? Of dat je denkt onopvallend even in je neus te kunnen pulken? Dat brengt me meteen op een ander goed argument dat wordt aangehaald in de discussie: onafhankelijk van of je iets doet dat legaal is of illegaal, alleen al het gevoel dat je bekeken wordt verandert hoe je je gedraagt. Daarom is het een gevaar voor de authenticiteit en autonomie van de individuen in een samenleving (Beate Rössler in haar boek “The Value of Privacy”). Als je dit doortrekt is privacy dus nodig voor voor vrije meningsvorming en dus democratie.
Wat honderden kinderen die in kleine groepjes of alleen sterven niet voor elkaar krijgen, krijgen 30 kinderen die er in één klap aangaan wel voor elkaar. Israël