Hufterisme
Voorstanders van de Europese Grondwet doen hun best om, aan de vooravond van het eerste referendum in de Nederlandse geschiedenis, een “nee”-stem bij voorbaat in de hoek van de proteststemmen te zetten. Tegenstanders van de Europese Grondwet, SP en Wilders voorop, doen hun uiterste best om munitie aan te dragen voor die stelling.
Dat voorstanders zo graag horen dat het proteststemmen zijn is logisch. Zo kunnen ze immers blijven denken dat mensen het eigenlijk wel met hen eens zijn. “Ach, ze hebben nee gestemd, maar dat ging over de Euro en de Turkse toetreding, dus eigenlijk waren ze vóór.” Ongetwijfeld zal een deel van de kiezers vanwege de euro en Turkije tegen stemmen, maar een deel stemt wel degelijk tegen deze grondwet. De “Nieuwe Politiek” die na Fortuyn zou volgen is er wel gekomen, maar het ene -isme is vervangen door het andere. Vroeger was de moderne politicus socialist, liberaal of conservatief, nu zijn alle politici die er toe doen hufteristen.
Fortuyn gebruikte het al als leus: “Ik zeg wat ik denk!” Dat het soms verstandiger is je formulering wat aan te passen is geen onderdeel van die leus. Het gevolg was dan ook dat, om een graantje mee te pikken van Fortuyn, politici van links en rechts hun gal over de massa’s sproeiden.
Herman Heinsbroek brulde bijvoorbeeld dat er meer respect moest zijn en vertelde tegelijkertijd dat hij agenten die hem bekeurden had verteld dat ze eens boeven moesten gaan vangen. En Arnold Heertje was geen bekende econoom, want dan had hij hem wel gekend. Hij was de minister, dus hij wist het beter. Johan Cruijff had het hem niet kunnen verbeteren.
Maar tot op de dag van vandaag is het in de LPF, maar zeker ook in andere partijen, bon ton om politieke tegenstanders niet te bediscussiëren, maar gewoon te beledigen. Laurens-Jan Brinkhorst is van salonsocialist naar hyperconservatief geglibberd maar heeft net zoals vroeger altijd gelijk. Een uitspraak als “eens een rat, altijd een rat” over Ed van Thijn wordt nu echter voor kennisgeving aangenomen, waar dat tien jaar geleden toch op zijn minst een stevige rel had opgeleverd.
Jan Marijnissen doet aan de andere kant van het spectrum precies hetzelfde. Hij spreekt “de taal van het volk”, zo vindt hij, maar doorspekt die taal van het volk wel met eindeloze reeksen subtiele en minder subtiele beledigingen.
Dezelfde politici die in koor roepen dat ze geleerd hebben naar de mensen te luisteren staan vooraan om niet-gerelateerde zaken te bedenken waarom iets niet zo loopt als ze zelf verwacht hadden. En dus loopt Balkenende te vertellen dat het allemaal proteststemmen zijn en is Wouter Bos van mening dat als we niet goed (!) stemmen we dat nóg maar eens moeten doen.
Voor Fortuyn heette een politicus een regent als hij meende het beter te weten dan de rest en hoe dan ook zijn mening probeerde door te drukken, nu noemt hij zichzelf een Nieuwe Politicus en zijn tégenstander een regent. Fortuyn heeft alleen de toon veranderd, niet de denkwijze. Politici weten het nog altijd beter, alleen de kiezers kunnen ongelijk hebben.

