Colombia is aan de beterende hand. Er kan tussen vrijwel alle steden weer gewoon, veilig, met de bus gereisd worden. De bananen- en koffieplantages liggen er mooi bij, de bruinkoolmijnen draaien, het toerisme zit voorzichtig in de lift. Maar iedere medaille heeft een keerzijde: de positie van de Colombiaanse vrouw is weinig begerenswaardig.
Op het oog is Colombia een zeer geëmancipeerd land. Vrouwen bezetten functies in de regering, bij het leger en de politie en door de trieste historie van geweld staat aan het hoofd van heel wat families een vrouw, weduwe van een geliquideerde patriarch. De negentiende-eeuwse vrijheidsstrijdster Policarpe Salavarietta siert het biljet van 10000 pesos en is daarmee een van de weinige burgervrouwen ter wereld die het schopt tot papiergeld. In Nederland is zelfs voor de koningin muntgeld het hoogst haalbare.
Onder de oppervlakte is Colombia een van de meest ‘machismo’ samenlevingen van Zuid-Amerika. De eerste vrouw studeerde in 1936 af. Stemmen mocht ze pas in 1957.
Een gevaarlijkere kant van het machismo is het geweld tegen vrouwen. Media berichten er dagelijks over en de algemene opinie is dat het geweld toeneemt. Naar schatting heeft 60 tot 70 procent van de Colombiaanse vrouwen te maken gehad met verkrachting, fysiek of verbaal geweld of intimidatie. Sinds de militaire ‘crack-down’ tegen de gewapende rebellengroepen in het land is het aantal incidenten waarbij vrouwen lastig gevallen werden door militairen verdrievoudigd.