WW: Eisprong of carrieresprong

De woensdagmiddag is op GeenCommentaar Wondere Woensdagmiddag. Met extra aandacht voor de nieuwste ontwikkelingen in Wetenschap- en Techniekland.

Competitie in bedrijfskleding (Foto: Flickr/Search Engine People Blog)

Het is een lastig debat: iedereen is het erover eens dat er te weinig vrouwen in topfuncties terecht komen, maar wat de redenen hiervoor zijn en wat eraan gedaan moet worden, dat is minder evident. De publieke discussie focust zich doorgaans op het laatste aspect. Moet er wel positief gediscrimineerd worden? Schaadt deeltijdwerk niet meer dan dat het goed doet? Maar ook hier kan het helpen als goed naar de onderliggende oorzaken gekeken wordt.

Als één van de voornaamste oorzaken van het ‘glazen plafond’ wordt genoemd dat de weg omhoog op de maatschappelijke ladder veel competitief gedrag vereist. En daarbij valt te observeren dat vrouwen minder competitief zijn ingesteld dan mannen en dat ze daardoor inderdaad minder topfuncties bekleden. Maar er valt nog preciezer te kijken naar de fysiologische oorzaken van dit fenomeen.

En dat deed Thomas Buser, promovendus aan de Amsterdam School of Economics van de Universiteit van Amsterdam. Hij is geinteresseerd in de rol die hormonen spelen in het economische gedrag van vrouwen. Om dat te onderzoeken vroeg hij 120 vrouwelijke studenten of ze aan de pil waren en wanneer ze ongesteld zouden worden. Op deze manier was hij in staat voor elk van hen de huidige positie in de menstruatiecyclus te bepalen. Hieruit kon dan weer opgemaakt worden hoeveel Oestrogeen en Progesteron er op dat moment in het lichaam aanwezig was.

Hij liet de vrouwen vervolgens een taak oplossen en de keuze maken hoe ze daarvoor beloond wilden worden: Bij de ‘niet competitieve optie’ verdienden ze 1 euro per goed opgeloste som, bij de competitieve optie was dit 4 euro per som als ze beter dan de anderen waren. Deze setup verleende Buser informatie over de competitiviteit van de vrouwen.

Uit een flinke analyse van de uitkomst (.pdf) blijkt dat vrouwen significant minder competitief zijn wanneer ze aan de pil zijn en dat de hoeveelheid progesteron een zeer significant negatief effect heeft op de competitiviteit. Het effect is volgens Buser zo groot, dat het een groot deel van het verschil in competitiviteit dat al gevonden werd in eerdere experimenten kan verklaren.

Busers ondezoek laat mooi zien hoe fysiologische effecten door kunnen werken via psychologisch tot een sociologisch niveau. De conclusies die je moet trekken op dat hogere niveau – wel of geen positieve discriminatie of deeltijdwerk – kunnen op een stevigere basis genomen worden als de onderliggende processen duidelijker in beeld zijn.

Overigens is meer competitiviteit niet altijd beter: zo kwam in 2008 naar buiten dat sommige aandelenhandelaars gedwongen werden om vrouwelijke hormonen te slikken om op die manier er voor te zorgen dat ze minder competitieve en riskante beslissingen nemen. Hormonen en economie gaan soms iets meer hand in hand dan we zouden willen.

  1. 1

    De “mensch” is een chemisch vat. Leuk om te weten dat de toon van deze reactie mede wordt bepaald door mijn hormoonspiegel. Nu zou ik een pilletje kunnen slikken om er voor te zorgen dat ik een eventueel navolgend debat ga winnen.

    Dan kom je op de, vaak in allerlei ethiek gehulde discussie over de maakbare mens.
    Of je daarmee ook de maakbare maatschappij naar je hand kan zetten? Vind ik ook erg lastig te bepalen. Dat veel vrouwern minder competief zouden zijn, wil nog niet zeggen dat ze daarom minder geschikt voor topfuncties zouden zijn. Er zijn immers voorbeelden te noemen waar competiedrang niet bijster jofel is voor de samenleving. Dan zoiu het juist goed zijn mindeer competieve mensen aan het roer te hebben.

    Die laatste zinnen komt voort uit mijn opvatting over hoe die samenleving er uit zou moeten zien. Wellicht kom ik tot zo’n opvatting, als gevolg van een teveel of tekort van een of ander stofje.

    De vraag is trouwens nog maar wat het aan waarden en normen zal veranderen. Een onderzoek uit 2003 in de VS concludeerde dat vrouwelijke rechters juist harder straften dan hun mannelijke collega’s (Ulrike Schulz en Gisela Shaw, Women in the world?s legal professions). Eens mannelijke, frauderende topbestuurder zal daar niet blij mee zijn.

    Afrondend: wat kunnen we met de conclusies uit Victor’s artikel? De mens een chemisch vat en wilen we via die mens de samenleving maakbaar maken, dan een paar staatsoperators aanstellen die de chemische huishouding reguleren?

  2. 2

    De mens is dan wel een chemisch vat maar we hebben zoiets als een hoger cognitief apparaat waarmee we allerlei bewuste beslissingen kunnen nemen. Een overtreffende trap is dan het maken van beleid als samenleving. Die hoeft vervolgens helemaal niet ´in de chemische lijn te liggen´, we kunnen wel of geen positieve discriminatie toepassen, wel of geen probleem maken van het feit dat er niet genoeg vrouwen doorstromen.

    Ik ben van mening dat hoe meer kennis je hebt, hoe beter ondersteund je uiteindelijke beslissing zal zijn.

  3. 3

    @Victor: Moet nog wel melden dat ik het grotendeels met je eens ben. Mijn #1 was meer bedoe3ld als “voortborduren op…”

    Hoe meer kennis, hoe beter de beslissing ondersteund? Dat denken wij wel. Ap Dijksterhuis meent dat het niet altijd tot de beste beslissing leidt en je het kan overlaten aan je onderbewuste.

    Terug on topic: hoe relevant is de kennis dat hormonale huishouding tot verschillen tussen mannen en vrouwen leidt, als het gaat om de kwaliteiten van leidinggevenden?
    Zowel jij als ik stellen dat competitiedrang niet altijd goed is. Je gaf het voorbeeld van de aandelenhandelaars die daarom een pilletje moesten slikken. Daarmee is bewust ingegrepen op een deel van de stofwisseling.

    Dus: a) blijkbaar heerst de opvatting dat competitedrang een kwaliteit van bestuurders is;
    b) vrouwen hebben die minder, wegens hun hormonale huishouding;
    c) maar dat kan o0ok met een pilletje worden beïnvloed, dus
    d) gewenst gedrag kun je met het juiste pilletje bereiken.

    Die conclusie wordt pas relevant als we beslissen dat te willen. Kiezen we daarvoor dan wordt het tijd de dokter en apotheker een rol te geven in het maken van beleid.