Luisteren naar de buurt, buigen voor intolerantie

De gemeente Lansingerland had voor een nieuwbouwwijk in Bleiswijk zes Arabische straatnamen bedacht. Wadi Musa, Wadi Rum, Wadi Shab, dat werk. En logisch, want in de wijk komen ook wadi’s: groene greppels waarin regenwater wordt opgevangen. Het woord wadi is Arabisch. Niet zoveel aan de hand, zou je denken. Of nou ja, het is Nederland in 2026. Dus omwonenden maakten bezwaar. De namen pasten niet bij het gebied, vonden ze. Ze misten de relatie met Bleiswijk. Dus krijgen de straten nu namen als Kolenschuitpad, Westlanderstraat en Tuindersvlet. Alsof de Nederlandse identiteit alleen nog veilig is wanneer je bij het bezorgen van een pakketje het gevoel krijgt dat je door het Openluchtmuseum loopt. Dit is geen groot geweld. Er staan geen fakkels voor een gemeentehuis. Er wordt geen zwaar vuurwerk gegooid bij een informatieavond over een AZC. Er worden geen raadsleden bedreigd omdat ergens mensen moeten worden opgevangen die hun land zijn ontvlucht. Dat is de harde variant: intolerantie als intimidatie, als straatterreur, als politiek drukmiddel. Daar zien we in Nederland inmiddels óók genoeg voorbeelden van. Bleiswijk is kleiner. Nette intolerantie. Procedurele intolerantie. Het bezwaarformulier als hooivork. Geen Arabische woorden in de straat, want dat voelt niet eigen. Niet omdat iemand er écht last van heeft. Niet omdat een straatnaam schade veroorzaakt. Alleen omdat een stukje taal uit een ander deel van de wereld kennelijk al genoeg is om de plaatselijke cultuurpaniek aan te zetten. Juist daarom is het interessant. Grote intolerantie begint zelden als grote intolerantie. Ze begint vaak als een optelsom van kleine correcties. Deze naam liever niet. Die verwijzing past hier niet. Dat woord voelt vreemd. Die mensen horen misschien ergens anders beter. Iedere stap afzonderlijk lijkt klein genoeg om je schouders over op te halen. Samen maken ze de publieke ruimte steeds smaller. Daar zit de tolerantieparadox. Een samenleving die tolerant wil zijn, kan niet eindeloos tolerant blijven tegenover intolerantie. Dat betekent niet dat elke domme opmerking verboden moet worden of dat elk bezwaar meteen fascisme is. Het betekent wel dat bestuurders, media en burgers moeten herkennen wanneer “ik voel me er niet prettig bij” verandert in “het moet verdwijnen”. Een Arabische straatnaam is geen bedreiging voor Bleiswijk. De bereidheid om haar weg te halen omdat een paar omwonenden het niet passend vinden, is dat veel meer. Niet omdat Nederland dan morgen instort, wel omdat het mechanisme wordt bevestigd: wie hard genoeg ongemak organiseert rond alles wat vreemd klinkt, krijgt zijn zin. En voor je het weet wordt buigen voor intolerantie gewoon herverpakt als ‘luisteren naar de buurt’.

Door: Foto: Michal Soukup on Unsplash

Volentekriebels | Straatnamen

COLUMN - Een tip voor eenieder die een straatnaam naar zich vernoemd wil hebben. Noem jezelf naar een straatnaam.

Om een beetje met de tijd mee te gaan houdt het Historisch Nieuwsblad elke maand een online lezerspoll. Mensen mogen reageren op een stelling en Bas Kromhout smeedt er een leesbaar verhaaltje van. Veel waarde moet je daar overigens niet aan hechten, want die Kromhout heeft voor een historicus een verdacht futuristisch kapsel.

Deze maand luidde de stelling: ‘Het is zonde dat de Nederlandse sporen in Zuid-Afrika worden uitgewist.’ Maar liefst 81 procent van de respondenten is het ermee eens. ‘De sporen zijn belangrijk voor de Zuid-Afrikaanse geschiedenis,’ zegt ene E.R. van Dooren. Hij/zij vat daarmee de heersende opvattingen aardig samen.

Ik kan mij goed voorstellen dat zwarte Zuid-Afrikanen niet in Verwoerdburg willen wonen, het stadje dat vernoemd werd naar een van de drijvende krachten achter de apartheid, oud-premier Hendrik Verwoerd. Hoe zouden Van Dooren cum suis het vinden als de A10 wordt omgedoopt tot Hermann Göring? Of als het Haagse gemeentebestuur besluit dat het Zeeheldenkwartier vanaf nu Arthur Seiss-Inquartier heet? Ik vermoed ‘niet zo leuk.’

Daarom zien we verzetshelden wel terug op onze straatnaambordjes en Nazi-kopstukken niet. We herinneren ons liever het goede. Het lastige is dat goed en kwaad vaak hand in hand gaan. Daar doen we meestal niet zo moeilijk over. WOII-winnaar Jozef Stalin moest postuum zijn Amsterdamse laan inleveren toen de Sovjet-Unie Hongarije binnenviel, maar het was een uitzondering op de regel. De meeste helden mogen hun straten en pleinen houden, ook al zijn ze in retrospect schurken en (massa)moordenaars.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Jan Ligthart en Theo Thijssen – over de postume roem van twee schrijvende onderwijzers

DATA - De twee bekendste Nederlandse onderwijzers zijn zonder twijfel Jan Ligthart en Theo Thijssen. Tijdens hun leven waren ze al beroemd, Jan Ligthart vanwege zijn pedagogische opvattingen en Theo Thijssen door zijn romans. Ze zijn allebei geboren in Amsterdam en daarom presenteert het Theo Thijssen Museum dit voorjaar een tentoonstelling onder de titel: ‘Jan Ligthart en Theo Thijssen, twee bevlogen schoolmeesters uit de Jordaan’. De expositie is tot stand gekomen door samenwerking met het Nationaal Onderwijs Museum en het Jan Ligthart Genootschap.

Op de tentoonstelling is onder meer aandacht voor de jeugdjaren van Ligthart en Thijssen, hun opleiding tot onderwijzer, de pedagogische opvattingen en hun literaire werkzaamheden. De teksten worden verlevendigd door mooie foto’s en er is een diatentoonstelling van de schoolplaten waaraan Ligthart meewerkte. Het meest bijzondere in de vitrine is een aflevering van Onder één Dak, het tijdschrift dat door Ligthart en zijn collega’s met de hand werd geschreven en geïllustreerd; van elke aflevering werd slechts 1 exemplaar gemaakt.

Zelf mocht ik een bijdrage aan de tentoonstelling leveren door een inventarisatie te maken van de postume roem die de twee schrijvende onderwijzers ten deel viel. Hiervoor heb ik uigezocht hoeveel scholen en straten er naar Jan Ligthart en Theo Thijssen zijn genoemd. Het is lastig om vast te stellen hoeveel Jan Ligthartscholen en Theo Thijssenscholen er ooit zijn geweest. Ik heb de scholen opgespoord via de reüniesite Schoolbank en via de Historische Kranten van de Koninklijke Bibliotheek. Er kan worden vastgesteld dat er in de loop der jaren er minstens 62 Jan Ligthartscholen en minstens 34 Theo Thijssenscholen zijn geweest.