Week van de Klassieken

De huidige Week van de Klassieken blijft teveel aan de oppervlakte, verdiept niet, illustreert vooral dat de klassieken platvloers zijn. Dat kan anders, betoogt Jona Lendering. Op de dag van de verkiezingen begon de Week van de Klassieken, waarin verschillende organisaties u enthousiast willen maken voor de Grieks-Romeinse Oudheid en haar nawerking in de Europese cultuur. Omdat ik in Iran ben, heb ik daarmee weinig van doen, maar ik wil het ook niet ongemerkt voorbij laten gaan. Ik heb er namelijk wel wat gedachtes bij. De eerste daarvan is of een “week van” nog wel een geschikt middel is om het publiek te bereiken. De vorm had zin in de tijd vóór het internet, toen de nieuwscyclus werd bepaald door de gedrukte pers en voorbij was als het drukwerk oud papier vormde; in deze internettijd is informatie echter voortdurend beschikbaar en ligt het aanbieden van “weken van” eigenlijk niet meer zo voor de hand.

Red een managementlaag!

“Het ritselt overal,” schreef Sofokles in het fragmentarisch overgeleverde toneelstuk Akrisios, “voor wie bang is.” Al duizenden jaren is het een beproefde techniek om de paniek aan te wakkeren: zorgen dat ze omslaat in paranoia, zodat je als boeman alleen hoeft toe te kijken hoe de angst om zich heen grijpt.

Het laatste anderhalf jaar zijn de Nederlandse cultuur en de Nederlandse wetenschap in rep en roer. Van alle kanten dreigt gevaar, al is dat ‘gevaar’ alleen financieel. De ene subsidiekraan na de andere wordt dichtgedraaid: orkesten, bibliotheken en theatergezelschappen verkeren al in zwaar weer en ook de universiteiten hebben het moeilijk. Dat is allemaal ernstig, zou je zeggen, maar voor sommigen kennelijk nog niet ernstig genoeg.

Zo voerde NRC Handelsblad de afgelopen week een systematische campagne om de lezer te doen geloven dat de opleidingen Frans, Italiaans en Duits in Leiden zonder enige twijfel worden opgeheven. Na een nieuwsartikel in de krant van maandag 27 februari, verscheen er donderdag een column van Christiaan Weijts (‘Wie een taal wil studeren, zal naar het buitenland moeten’) en zaterdag waarschuwde de taalkundige Rens Bod op de voorpagina van de opiniebijlage dat de Nederlandse opleidingen zo verworden tot ‘middelmatige talenstudies die niet uitstijgen boven het niveau van een cursus Frans aan een volksuniversiteit’. (Dat stuk stond gisterenavond op Sargasso; eergisteren was er al een reactie van Jona Lendering.)

Lezen: Het wereldrijk van het Tweestromenland, door Daan Nijssen

In Het wereldrijk van het Tweestromenland beschrijft Daan Nijssen, die op Sargasso de reeks ‘Verloren Oudheid‘ verzorgde, de geschiedenis van Mesopotamië. Rond 670 v.Chr. hadden de Assyriërs een groot deel van wat we nu het Midden-Oosten noemen verenigd in een wereldrijk, met Mesopotamië als kernland. In 612 v.Chr. brachten de Babyloniërs en de Meden deze grootmacht ten val en kwam onder illustere koningen als Nebukadnessar en Nabonidus het Babylonische Rijk tot bloei.

Lezen: Mohammed, door Marcel Hulspas

Wie was Mohammed? Wat dreef hem? In deze vlot geschreven biografie beschrijft Marcel Hulspas de carrière van de de Profeet Mohammed. Hoe hij uitgroeide van een eenvoudige lokale ‘waarschuwer’ die de Mekkanen opriep om terug te keren tot het ware geloof, tot een man die zichzelf beschouwde als de nieuwste door God gezonden profeet, vergelijkbaar met Mozes, Jesaja en Jezus.

Mohammed moest Mekka verlaten maar slaagde erin een machtige stammencoalitie bijeen te brengen die, geïnspireerd door het geloof in de ene God (en zijn Profeet) westelijk Arabië veroverde. En na zijn dood stroomden de Arabische legers oost- en noordwaarts, en schiepen een nieuw wereldrijk.

Foto: Eric Heupel (cc)

Zo verdwijnt de alfa uit de universiteit

De geesteswetenschappen in Nederland zijn booming. Bij internationale rankings doen de alfafaculteiten het beter dan alle andere faculteiten. Ondanks dit uitzonderlijke resultaat worden vele geesteswetenschappelijke opleidingen met opheffing bedreigd. Wat is hier aan de hand? Een bijdrage van Rens Bod, hoogleraar Computationele en Digitale Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Dit stuk is goed samen te lezen met de bijdrage van gisteren van Jona Lendering.

De afgelopen maand is de geesteswetenschappelijke wereld opgeschrikt door een aantal desastreuze plannen van Nederlandse universiteiten. Portugees, Roemeens, alsook andere geesteswetenschappen zullen van de Nederlandse aardbodem verdwijnen. Zo zal aan geen enkele Nederlandse universiteit nog Portugees als studie worden aangeboden. De zo rijke Portugese literatuur en taal zullen een gesloten boek blijven voor nieuwe generaties studenten. Het oude indrukwekkende Portugese wereldrijk met zijn vele ontdekkingsreizen en eerste geglobaliseerde cultuur, zal onbestudeerd blijven in Nederland. En dat terwijl het Portugees van groot belang is voor Brazilië, waar Nederland topexporteur is. Of vindt men stuntelig Engels economischer? Ook andere geesteswetenschappen blijven niet buiten schot. Zo heeft de Universiteit Leiden het plan opgevat om Frans, Duits en Italiaans op te heffen en te laten opgaan in een brede bachelor Taal, Cultuur en Mediastudies. Dit betekent de facto het einde van deze talenstudies in Leiden. De succesvolle praktijk om talenstudenten vanaf dag één in de taal zelf te doceren maakte de Nederlandse universitaire talenstudies tot de beste ter wereld. Bij een algemene opleiding is deze praktijk niet langer vol te houden en verworden deze opleidingen tot middelmatige talenstudies die niet uitstijgen boven het niveau van een cursus Frans aan een volksuniversiteit.

Het nut van geesteswetenschappen

Passen de geesteswetenschappen nog aan de universiteiten? Voor één vak weet ik het antwoord: voor de oudheidkunde is dit kwestieus aan het worden. De verdere financiering daarvan is namelijk in strijd met het doelmatigheidsbeginsel, omdat de burger voor zijn belastingafdracht slechts oppervlakkige boekjes terugkrijgt. Er zijn enkele goede uitzonderingen, maar de best-verkopende boeken staan vol fouten.

Extra erg is dat de oudheidkundigen de meer geïnteresseerde belangstellenden in de steek laten. Nooit leggen academici uit wat hun methoden zijn. Dan moet je er niet van opkijken als mensen gaan denken dat iedereen wel een geschiedenisboek kan schrijven. De opkomst van kwakhistorici, die een belangrijk deel van de markt hebben overgenomen, is te verklaren doordat oudheidkundigen hun vak inadequaat uitleggen. Zo ontstaan steeds meer zichtbare fouten en krijgen steeds meer mensen een steeds lagere dunk van het vak.

Als je dit met oudheidkundigen bespreekt, zoals ik deed toen ik De klad in de klassieken schreef, geven ze verschillende antwoorden. Dat het populariseren niet hun taak zou zijn, is een leugen. De overdracht staat genoemd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dat de oudheidkundigen er niet voor betaald krijgen, is wel waar, maar wie dit zegt, zegt ook dat hij niet wil profiteren van de enorme markt. Elke cent die verdwijnt in de portemonnee van een kwakhistoricus, had óók onze universiteiten ten goede kunnen komen, mits de academici boeken zouden hebben geschreven die wél goed zijn.

Vorige