Zo verdwijnt de alfa uit de universiteit

De geesteswetenschappen in Nederland zijn booming. Bij internationale rankings doen de alfafaculteiten het beter dan alle andere faculteiten. Ondanks dit uitzonderlijke resultaat worden vele geesteswetenschappelijke opleidingen met opheffing bedreigd. Wat is hier aan de hand? Een bijdrage van Rens Bod, hoogleraar Computationele en Digitale Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Dit stuk is goed samen te lezen met de bijdrage van gisteren van Jona Lendering.

De afgelopen maand is de geesteswetenschappelijke wereld opgeschrikt door een aantal desastreuze plannen van Nederlandse universiteiten. Portugees, Roemeens, alsook andere geesteswetenschappen zullen van de Nederlandse aardbodem verdwijnen. Zo zal aan geen enkele Nederlandse universiteit nog Portugees als studie worden aangeboden. De zo rijke Portugese literatuur en taal zullen een gesloten boek blijven voor nieuwe generaties studenten. Het oude indrukwekkende Portugese wereldrijk met zijn vele ontdekkingsreizen en eerste geglobaliseerde cultuur, zal onbestudeerd blijven in Nederland. En dat terwijl het Portugees van groot belang is voor Brazilië, waar Nederland topexporteur is. Of vindt men stuntelig Engels economischer? Ook andere geesteswetenschappen blijven niet buiten schot. Zo heeft de Universiteit Leiden het plan opgevat om Frans, Duits en Italiaans op te heffen en te laten opgaan in een brede bachelor Taal, Cultuur en Mediastudies. Dit betekent de facto het einde van deze talenstudies in Leiden. De succesvolle praktijk om talenstudenten vanaf dag één in de taal zelf te doceren maakte de Nederlandse universitaire talenstudies tot de beste ter wereld. Bij een algemene opleiding is deze praktijk niet langer vol te houden en verworden deze opleidingen tot middelmatige talenstudies die niet uitstijgen boven het niveau van een cursus Frans aan een volksuniversiteit.

Verandering roept altijd weerstand op, en een verarming ter linkerzijde kan natuurlijk een verrijking zijn ter rechterzijde. Is het niet fantastisch dat studenten eindelijk afzonderlijke vakgebieden kunnen overstijgen en kennis kunnen nemen van meerdere geesteswetenschappen tegelijkertijd? Deze tijd vraagt toch om generalisten in plaats van specialisten? Ik zal de eerste zijn die het belang van een overkoepelend overzicht van de humaniora onderkent. Kennis van alle geesteswetenschappen, dat is van de taalkunde, de musicologie, literatuurwetenschap, theaterwetenschap, kunstgeschiedenis, archeologie, mediastudies, cultuurwetenschap, religiestudies, wijsbegeerte en historische wetenschappen, is zeer aanbevelenswaardig, al was het maar om de student buiten haar of zijn vakgebied te laten kijken. Op de middelbare school wordt al sinds jaar en dag met succes het vak Algemene Natuurwetenschappen (ANW) aangeboden. Het is de hoogste tijd voor Algemene Geesteswetenschappen. Echter, algemene kennis parasiteert per definitie op specialistische kennis. Uiteindelijk kan een vakgebied alleen tot bloei komen bij de gratie van specialisten, die op hun beurt nieuwe specialisten moeten opleiden. Generalisten zijn broodnodig, maar ze kunnen niet zonder specialisten.

Maar laten we realistisch zijn: het is duidelijk dat niet alle afzonderlijke opleidingen aan alle universiteiten zijn te handhaven. Een slimme uitruil is daarom niet per definitie fout. Hoewel universiteiten onder druk van staatssecretaris Halbe Zijlstra zich steeds meer moeten specialiseren, is Nederland groot genoeg om elke geesteswetenschap aan tenminste één van haar universiteiten te behouden. Niettemin verdwijnen nu vakgebieden definitief uit het academische landschap. Wat is hier aan de hand?

Het probleem bij de geesteswetenschappen ligt dieper. Keer op keer wordt ons voorgehouden dat de Nederlandse economie schreeuwt om bèta’s en ingenieurs, niet om taalkundigen en historici. Wat is het economische of technologische nut van de geesteswetenschap, zo wordt telkens weer geopperd. Een geesteswetenschap meer of minder, daar zal niemand van wakker liggen, laat staan dat onze economie er iets van zal merken, zo redeneert men. Het nut van die andere wetenschappen is blijkbaar voor iedereen duidelijk. Het is echter een groot misverstand te denken dat alleen de bètawetenschappen zouden bijdragen aan het economische en technologische belang. Zeker, sommige wetenschappen lenen zich per definitie voor technologische toepassingen. De technische wetenschappen zijn hier een sprekend voorbeeld van. Maar denk niet dat wetenschappen als natuurkunde, sterrenkunde of biologie een vanzelfsprekende technologische of economische relevantie hebben. Wat natuur- en sterrenkundigen ons over het algemeen voorhouden is dat de geschiedenis laat zien dat hun ontdekkingen en inzichten keer op keer hebben geleid tot indrukwekkende toepassingen met technologische en economische relevantie. Dat sommige van diezelfde natuur- en sterrenkundigen hun hele leven niets anders doen dan het zoeken naar de fundamentele aard der materie of naar heelalmodellen wordt in het midden gelaten. Geschiedenis laat immers zien dat zuiver wetenschappelijk onderzoek… Inderdaad, maar deze gedachtelijn valt moeiteloos door te trekken naar al het zuiver wetenschappelijk onderzoek – zelfs in de meest specialistische geesteswetenschappen. Het is dan ook een raadsel waarom geesteswetenschappers hun vakgebied niet verdedigen zoals natuurwetenschappers dit doen. Een blik op de geesteswetenschappelijke geschiedenis laat namelijk zien dat alfa-inzichten uit het verleden een scala aan toepassingen hebben voortgebracht in het heden.

Laat ik twee voorbeelden geven. Neem het ontstaan van de informatie- en communicatietechnologie. Niet bepaald een geesteswetenschappelijk product zou men denken. Fout! Het is mede een geesteswetenschappelijk vakgebied geweest dat de ICT heeft mogelijk gemaakt. Dit vakgebied is de theoretische taalkunde. De eerste hogere programmeertalen zijn namelijk gemodelleerd op de formele grammatica’s die voor menselijke talen zijn bedacht in de jaren vijftig van de 20e eeuw. Het bleek dat deze grammatica’s uiteindelijk beter toepasbaar waren op computertalen dan op menselijke talen. Het is een prachtige en totaal onverwachte toepassing van een zuiver stukje geesteswetenschappelijk onderzoek: het proberen te ontrafelen van de onderliggende structuur van taal. En zo kon het gebeuren dat de typische geesteswetenschappelijke notie van ‘grammatica’ terecht is gekomen in de informatica en dat dit vakgebied een impuls kreeg van jewelste, met de latere internetrevolutie als gevolg. Men zou verwachten dat taalkundigen deze imponerende maar volstrekt onvoorspelbare kennisbenutting van hun vakgebied wijd en breed uitmeten. Maar niets is minder waar: de meeste taalkundigen kennen de toepassing niet eens, al staat ze in elke geschiedenis van de informatica.

Of neem de uitvinding van historische bronnenkritiek. Elke geschiedenisstudent begint met het leren van het kritiseren van historische bronnen: hoe ziet een bron er uit, hoe kan deze worden gesitueerd in tijd en ruimte? Nadat een bron is gedateerd en liefst ook gelokaliseerd, wordt getoetst of de inhoud kan overeenstemmen met de historische werkelijkheid. Is de bron authentiek, of wellicht vervalst? Is ze consistent en coherent met ware bronnen? En hoe verhouden de mondelinge, geschreven en materiële bronnen uit de betreffende periode zich tot elkaar? Hoe belangrijk en toepasbaar bronnenkritiek is blijkt ondermeer uit de studie naar de val van Srebrenica door het NIOD. In 1996 gaf de Nederlandse regering opdracht tot deze studie waarvoor vele schriftelijke, mondelinge en materiële bronnen moesten worden onderzocht en vergeleken, inderdaad aan de hand van bronnenkritiek. De resultaten van dit onderzoek leidden tot de conclusie dat de Nederlandse regering verantwoordelijk was voor de val van Srebrenica en de daarop volgende massamoord. Zes dagen later viel het kabinet Kok II over het Srebrenica-drama. Het toont de immense impact van de geschiedvorsing. De geesteswetenschappen doen weliswaar geen bruggen instorten, zoals een zichzelf bekritiserende geesteswetenschapper ooit aanvoerde, maar wel kabinetten. Naast politieke waarheidsvinding, wordt de bronnenkritiek ook veelvuldig ingezet in rechtspraak.

Ik zou gemakkelijk door kunnen gaan met vele andere voorbeelden van onvoorspelbare toepassingen van de geesteswetenschappen — uit de muziekwetenschap, de literatuurwetenschap en zelfs de televisiewetenschappen. Beleid valt er niet voor te maken, of het moet zijn dat toepassingen van wetenschappelijk onderzoek onmogelijk van tevoren zijn te voorspellen, en dat het beste onderzoek – alfa, bèta en gamma – daarom zonder enige reserve moet worden gestimuleerd, om ons telkens opnieuw te laten verrassen.

Dit zou het verhaal moeten zijn tegen de opheffing van welk geesteswetenschappelijk vakgebied dan ook in het Nederlandse academische landschap. Maar dit verhaal wordt niet verteld. Geesteswetenschappers lijken zich te beperken tot een bijna mantra-achtige herhaling dat hun vakgebied belangrijk is voor de ontwikkeling van een kritische geest, voor democratisch besef, of voor historisch bewustzijn. Dit is allemaal waar, en het kan misschien niet vaak genoeg herhaald worden, maar waarom vergeet men steeds die indrukwekkende maatschappelijke en technologische toepassingen te vermelden? Blijkbaar zijn geesteswetenschappers doodgegooid met het standpunt – dat zij met de paplepel krijgen ingegoten — dat zij zich moeten bezighouden met interpreteren en problematiseren, en niet met ontdekken of modelleren. De praktijk blijkt gelukkig anders uit te pakken, ten voordele van de geesteswetenschappen. Maar die moeten dat voordeel wel grijpen.

Zijn de geesteswetenschappen nog wel in goede handen bij de Nederlandse universiteiten? Deze vraag klinkt bijna als een contradictie, of anders wel als vloeken in de kerk. Toch gebiedt eerlijkheid mij deze vraag niet vanzelfsprekend positief te beantwoorden. Immers, universiteiten verdedigen hun grote geesteswetenschappelijke doorbraken en ontdekkingen niet. En ze garanderen evenmin het voortbestaan van geesteswetenschappelijke vakgebieden in Nederland. Natuurlijk kan een deel van de problemen op het conto van het kabinetsbeleid worden geschreven dat streeft naar almaar verdergaande concentratie en profilering aan de hand van zogeheten topsectoren. Maar de universiteiten, verenigd in de VSNU, dragen zelf ook een grote verantwoordelijkheid om hun academische erfgoed niet te verkwanselen. Hoe kan dit beter?

Als een deus ex machina blijken grote softwarebedrijven recentelijk ineens een enorme interesse ten toon te spreiden voor de geesteswetenschappen. Voor hen bieden die complexe ongrijpbare, fuzzy geesteswetenschappelijke documenten zoals middeleeuwse manuscripten en andere eeuwenoude bronnen een schat aan informatie en een enorme uitdaging die zij omschrijven als “the next big thing”. We hebben het hier over bedrijven als Google en Microsoft, maar ook allerlei kleinere bedrijven in de creatieve industrie, die op zoek zijn naar methoden en instrumenten om geesteswetenschappelijke bronnen volledig te ontsluiten. Deze bedrijven doen niets liever dan samenwerken met Europese universiteiten en universiteitsbibliotheken omdat daar veel te halen valt. Deze deus ex machina kan echter een wolf in schaapskleren blijken als geesteswetenschappers hun materiaal zomaar weggeven. Terwijl de bètawetenschappen al jaren ervaring hebben met private partners, is zulk een praktijk voor geesteswetenschappers nieuw. Men ontkomt er echter niet aan. Geesteswetenschappers hebben zich zo lang afzijdig gehouden van technologie, dat er een enorme inhaalslag nodig en reeds gaande is. Het heeft zelfs geleid tot een nieuw vakgebied, de Digital Humanities of eHumanities, dat heeft geresulteerd in succesvolle publiek-private samenwerkingen in de geesteswetenschappen – van kunstgeschiedenis tot musicologie.

Biedt de private sector een oplossing voor bedreigde geesteswetenschappen? Voor een deel wel. Naast de ICT sector kunnen ook de creatieve industrie en de toeristenindustrie bijdragen aan investeringen in alfakennis, van de meest exotische talen tot de obscuurste historische vondsten. Het is verrassend te zien hoe de private sector geïnteresseerd is in vrijwel alle geesteswetenschappelijke artefacten, van muziek tot kunst, van taal tot tekst, en van theater tot literatuur. Het liefst werkt men rechtstreeks samen met bijvoorbeeld een kunsthistoricus om een toeristische app te maken voor bezoekers van de grachtengordel. Of deze kunsthistoricus dan wel even zijn volledige database waaraan decennia is gewerkt beschikbaar wil maken? Hier is een wereld te winnen, mits zorgvuldig met intellectueel eigendom en de exploitatie van resultaten wordt omgesprongen. Behaalde winsten moeten (deels) weer terugvloeien naar de geesteswetenschappen zelf. Voor geesteswetenschappers is dit een cultuuromslag van jewelste. Maar het financieel belang voor zowel henzelf als de private ondernemingen is zo groot, dat een opbloeiing, ja een renaissance van de humaniora wel eens deels buiten de universiteiten zou kunnen plaatsvinden.

Des te meer moet men daarom de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten in het voorbarig opheffen van vakgebieden. Hoezeer de private sector ook wil bijspringen in de valorisatie van geesteswetenschappelijk onderzoek, zij zal zich niet willen bezighouden met onderwijs. Het zijn de universiteiten die naast onderzoek verantwoordelijk blijven voor de opleiding van geesteswetenschappers. Maar dan dienen deze opleidingen wel blijven te bestaan, hoe marginaal een vakgebied ook lijkt te zijn. Zomaar een geesteswetenschap laten verdwijnen – en dan nog wel uit heel Nederland – is onverantwoord en uiterst riskant. Eerst moeten alle opties, in zowel het private als publieke domein, worden bekeken. In de context van de zojuist ontluikende publiek-private samenwerking is het hoe dan ook te vroeg voor welke opheffing van een geesteswetenschap dan ook.

Het geesteswetenschappelijke landschap zal nooit meer worden zoals het was – alle weemoed en geklaag ten spijt. Men kan maar beter zo snel mogelijk meegaan met de digitale golf van private interesse richting geesteswetenschappen — zij het met de nodige voorzichtigheid. Het is duidelijk dat alfa’s de toekomst hebben, maar die moeten ze wel grijpen, anders wordt hun vakgebied, zoals een roemruchte filosoof ooit schreef, ‘a subject with a great past’.

Rens Bod is hoogleraar Computationele en Digitale Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde in 2010 de eerste overkoepelende geschiedenis van de humaniora: “De Vergeten Wetenschappen” (Prometheus).

  1. 3

    “Geschiedenis laat immers zien dat zuiver wetenschappelijk onderzoek… Inderdaad, maar deze gedachtelijn valt moeiteloos door te trekken naar al het zuiver wetenschappelijk onderzoek – zelfs in de meest specialistische geesteswetenschappen.”

    Volgens mij mist er iets in dit fragment. Jammer, want het geeft goed de essentie van de problematiek weer. De strijd die er momenteel om financiering wordt uigevochten gaat niet eens zozeer tussen alfa’s en bèta’s (wat wel de indruk was die dit artikel op mij achterliet). De strijd gaat tussen de toegepaste en fundamentele disciplines. Als theoretisch wiskundige krijg je tegenwoordig ook geen geld meer voor je onderzoek. Het zou de auteur sieren als hij zijn pijlen ook op de gamma’s – de psychologen en bedrijfskundigen – zou richten, want die vissen ook de vijver van de (pure) geesteswetenschappers leeg.

  2. 4

    Ik denk dat de nuttige, interessante geesteswetenschappen de prijs betalen voor het in stand houden van de grotendeels overbodige
    sociologische – en psychologische disciplines; zo is politicologie evident nep. En van de economie kan ook wel wat af gezien de huidige crisis. Economen kunnen is gebleken niks. En theologie had natuurlijk nooit universitair mogen gaan.

    Met die ‘franje’ eraf is er geen reden voor de heer Bod om zich druk te maken. En wat ik ook elders in ander verband heb betoogd: bezuinigingen kunnen winst op leveren, meer geld in iets pompen verlies.

  3. 7

    In beide artikelen (ook die van Lendering) en in de commentaren wordt gesuggereerd of uitgesproken dat de overheersing van de betas de teloorgang van de alfa’s kan verklaren. Klaarblijkelijk de laatste jaren niet op betafaculteiten geweest. Bij veel universiteiten heeft het weghalen van geld voor toptalentbeurzen van NWO geleid tot enorme bezuinigingen en reorganisaties van …. betafaculteiten. Immers daar kost het opleiden van een student veel meer dan die aan andere faculteiten. Ik geloof dat juist studies als rechten, bestuur/bedrijfskunde en economie met relatief grote aantallen studenten relatief weinig geleden hebben, maar kan het mis hebben. Het mopperen op de betas lijkt mij in ieder geval misplaatst.

  4. 8

    “Keer op keer wordt ons voorgehouden dat de Nederlandse economie schreeuwt om bèta’s en ingenieurs, niet om taalkundigen en historici.”

    Niet alleen wordt het voorgehouden, het is ook zo. De gemiddelde ingenieur is voor het nederlandse bedrijfsleven momenteel een stuk nuttiger dan de gemiddelde historicus. Daarenboven zijn er ook nog eens veel minder ingenieurs dan historici (nou ja, in ieder geval een stuk minder afgestudeerde TU-ers dan alfa’s). Dat betekent niet dat de studie geschiedenis minder waard is dan bijv. werktuigbouwkunde. Studies lijken me sowieso niet objectief te vergelijken.

    Ik denk dat hierbuiten de specialistische studies vooral onder zichzelf te lijden hebben. Allerlei verzamelstudies als “Taal, cultuur en communicatie” zijn natuurlijk de dood in de pot voor fundamenteel onderzoek. En inderdaad fundamenteel onderzoek binnen alfastudies kan zeker nuttig zijn voor betawerk (alhoewel -knuppel in het hoenderhok- theoretische taalkunde wellicht helemaal niet geschikt moeten worden onder alfa…).

    In plaats van afzetten tegen betastudies kan Rens Bod beter ervoor pleiten dat er meer aandacht (terug)komt voor fundamenteel onderzoek.

  5. 9

    Al het onderwijs wordt naar de knoppen geholpen.

    Vroeger (lang voor mijn studietijd) studeerde men om kennis te vergaren en zich geestelijk te verrijken. Helaas was dat wel alleen weggelegd voor diegene die zich dat financieel kon permitteren.

    Later moest onderwijs voor iedereen worden en ging de overheid belastinggeld gebruiken om ook de minder rijken te kunnen laten studeren.

    Tegenwoordig moet alles goedkoper en goedkoper en mag de overheid alleen nog maar geld uitgeven als het de economie bevordert en de opbrengsten aantoonbaar groter zijn dan de kosten. Alles wordt weer afgebroken. We kunnen alleen maar hopen dat er voor de rijken uiteindelijk nog wat moois overblijft. Anders hebben we straks helemaal niks meer.

  6. 11

    Misschien kunnen universiteiten beter een liberal arts opleiding gaan verzorgen voor alfa’s. Desnoods kun je dan daarna nog een gespecialiseerde master volgen.

  7. 13

    @ 010 ‘Krijgen we in de toekomst weer intellectuelen als vuilnisman of conducteur.’

    En wat is daarvan het bezwaar? Mogen ze hun geld niet eerlijk verdienen? Geldt toch vanouds ‘pecunia non olet’!?

    Wat heb je, B., tegen ‘vuilnisman’ alias moderner reinigingsmedewerker, of ‘conducteur’? Zijn die te min voor je in verhouding tot intellectuelen? En kunnen vuilnismannen niet intellectueel zijn? Houd jij van intellectuelen?

    Volgens mij, Brusselman, ben jij een Hinduist, dat is iemand die gelooft in onreine kasten, in pariahs. Wat is jouw kaste, Brusselman?

  8. 17

    Wat ik mis in het hele verhaal is het simpele feit dat steeds minder scholieren zin hebben om een taal te gaan studeren. Dat is de oorzaak van de enorme terugloop in studentenaantallen en daarmee van de dreigende sluiting voor allerlei opleidingen die met nog maar een handvol studenten zitten.
    Het idee dat aandacht voor beta en techniek ten koste zou gaan van alfa is aantrekkelijk maar niet juist. De gamma-sector gaat wel goed, ondanks dezelfde concurrentie. Het is ook niet zo dat beta en techniek groeien ten koste van alfa. Alfa was niet heel groot en wordt autonoom steeds kleiner. De zwarte piet naar andere sectoren schuiven lijkt onterecht.

    Maar waarom wil niemand meer Portugees studeren? Of Pools? Een verklaring zou kunnen zijn dat studenten die dat willen gewoon ondernemend zijn en dus in Polen of Brazilie gaan studeren (ik ken er verschillende). Daar moeten ze ook vanaf dag 1 in de landstaal studeren, net als in dat succesvolle Leiden.
    Een ander probleem kan zijn dat het meest gangbare beroepsperspectief voor taalstudenten nog steeds het middelbaar onderwijs is. Kennelijk een weinig aantrekkelijk vooruitzicht.

    Toch deel ik de mening van de auteur dat het goed zou zijn talenstudies te behouden. En dan echte talenstudies. Niks media en culturen, maar gewoon Duits, Roemeens en Portugees. Om voldoende kritische massa bij opleidingen te houden moet samenwerking gezocht worden, ook met Vlaamse universiteiten.
    Tot slot: misschien is het een trend en kiezen over tien jaar weer veel jongeren een talenstudie. Wie weet?

  9. 18

    Het is echter een groot misverstand te denken dat alleen de bètawetenschappen zouden bijdragen aan het economische en technologische belang

    Wat een onzin, bekijk even: aflevering buitenhof, met cfo asml

    Fundamenteel natuurkundig onderzoek zorgt ervoor dat wij de basis leggen voor Samsung chips, die niet alleen in Samsung toestellen zit, maar ook in iphones, ipads, ipod. Om nog maar niet te spreken over de MRI-scanners van Philips Medical en hun maatschappelijk belang of de producten van NXP.

    Fout! Het is mede een geesteswetenschappelijk vakgebied geweest dat de ICT heeft mogelijk gemaakt

    Onzin, het is dat er “mede” staat, maar de ontwikkeling in de ICT sector is voor 99% te danken aan beta’s. Programeertalen zijn gebasseerd op logica-statements, die hun oorsprong kennen in de wiskunde.

    Als we grote toekomstige problemen, zoals het energieprobleem, willen aanpakken stop ik mijn geld veel liever in beta’s dan in alfa’s.

  10. 19

    Jona draaft inderdaad behoorlijk door waar hij het heeft over de invloed van taalkunde op de ICT. Als “echte alfa” hoeft hij dat natuurlijk ook allemaal niet precies te begrijpen, maar dan kan hij er ook beter geen onzin over verkondigen.

    Zelf zal ik trouwens nooit geringschattend doen over het belang van alfawetenschappen. Maar om dat “geesteswetenschappen” te noemen en de wiskunde er dan niet bij te nemen blijft ik enigszins raar vinden.