Van alle voorwaarden die je aan een rechtstaat mag stellen, lijkt er één onomstreden. De voorwaarde dat ze zichzelf juridisch niet tegenspreekt. Want als het niet logisch consistent is, dan bestaat er geen recht meer. Dan is recht gelijk aan onrecht en dat is krom. Met het strafbaar stellen van illegalen – het illegaliseren van de illegaliteit – lijkt Gerd Leers die voorwaarde naast zich neer te leggen.
De enige voorwaarde die hij zelf aan z’n juridische spielerei lijkt te stellen, is de tevredenheid erover bij het Opperwezen. Dat wezen speelt bij het CDA van oudsher een belangrijke rol. Maar wat als illegalen baat hebben bij dit voorstel, omdat het zichzelf door inconsistentie in de staart bijt? Dan moet Leers z’n borst natmaken, want Geert, het Opperwezen, zal dan niet blij zijn.
De crux zit hem in dat strafbaar stellen – dat illegaliseren van de illegaliteit. Wat betekent dat eigenlijk?
Er lijkt een interessante tegenstrijdigheid in te zitten. Want het in eerste instantie maken van een onderscheid tussen legaal en illegaal lijkt per definitie het in het leven roepen van iets dat strafbaar is, namelijk die illegaliteit. Dus het voorstel van Leers – het strafbaar stellen van iets dat intrinsiek strafbaar is – maakt degene die verantwoordelijk is voor dat intrinsiek strafbare, strafbaar. Het illegaliseren van de illegaliteit, richt het vizier op degene die in eerste instantie die illegaliteit in het leven heeft geroepen: de staat. Eigenlijk verklaart het niet de illegaal, maar degene die de illegaliteit in het leven roept strafbaar. En slechts de staat is daartoe in staat.