De documentaire Raving Iran toont een paradox die wringt en blijft hangen. Een regime dat cultuur probeert te reguleren tot op het bot, en een generatie die zich daar nauwelijks nog door laat intimideren. Wat opvalt is niet alleen de ondergrondse techno, de geheime feesten in de woestijn of de constante dreiging van arrestatie. Het is de openhartigheid. Bijna iedereen spreekt vrijuit over de overheid, en zelfs tegenover ambtenaren valt een opmerkelijke directheid op.
Die openheid lijkt op het eerste gezicht roekeloos. Twee dj’s, Anoosh Rakizade en Arash Shadram, die zonder omwegen uitleggen dat hun werk feitelijk verboden is, die hun frustratie over censuur uitspreken tegenover functionarissen die hen kunnen dwarsbomen, of erger. Toch voelt het geen moment als bravoure. Eerder als vermoeidheid. Alsof de energie om nog toneel te spelen simpelweg op is.
De documentaire is inmiddels bijna tien jaar oud, en dat gegeven schuift de film in een ander licht. Wat toen nog voelde als een ondergrondse spanning, blijkt onderdeel van een bredere ontwikkeling. De openhartigheid die in de film doorsijpelt, was geen uitzondering. Het was een voorbode.
De recente en steeds groter wordende protesten in Iran maken dat pijnlijk zichtbaar. Wat in Raving Iran nog kleinschalig en impliciet is, is inmiddels uitgegroeid tot openlijke, massale confrontatie. Vrouwen die hun hoofddoek afwerpen, jongeren die de straat op gaan, slogans die direct de kern van het regime raken. De terughoudendheid is verdwenen. De onderstroom is bovengronds gekomen en wordt daar door het regime hard weer naar teruggeslagen. Deze documentaire laat zien dat dat tevergeefs is.