Opkomst: bepalende factor bij Statenverkiezingen?

Binnenlands Bestuur meldde gisteren dat een Eerste Kamermeerderheid voor de coalitiepartijen nog uiterst onzeker is. Ze baseerde zich daarbij op een nog te publiceren onderzoek van TNS NIPO. Dit lijkt in tegenspraak met de uitkomsten van een model van de samenstelling van de Eerste Kamer dat ik hier eerder publiceerde: daaruit bleek nou juist dat er een vrij duidelijke rechtse meerderheid is. Dat vraagt om een verklaring.

De verschillen tussen de studie van TNS NIPO en mijn eigen doorrekening op basis van peilingen kunnen grotendeels worden verklaard door de verwachte opkomst. Een partijachterban hebben is leuk, maar ze moeten ook wel daadwerkelijk de ‘moeite’ nemen om naar de stembus te gaan. In mijn eigen analyse werd slechts rudimentair rekening gehouden met mogelijke verschillen in opkomst tussen kiezersgroepen, terwijl TNS NIPO peilt dat er grote verschillen tussen die groepen zijn. Zo geeft in hun peiling slechts 40 procent van de PVV’ers aan zeker te gaan zullen stemmen, terwijl 69 procent van de D66-achterban dit zegt te gaan doen. Andere partijen die hoog scoren zijn PvdA, GroenLinks en CDA (alle 64 procent of hoger), terwijl ook de VVD achterblijft (55 procent).

Om het effect van deze opkomst op de uitkomsten van de simulatie te bekijken heb ik een analyse zonder en een analyse met een opkomstcorrectie gemaakt. De opkomstcorrectie is gebaseerd op basis van de cijfers van TNS NIPO, waarbij voor de partijen waarvoor geen cijfer gerapporteerd werd het gemiddelde is genomen (47%, behalve voor ChristenUnie en SGP, die traditioneel een trouwe achterban hebben: zij zijn net als D66 op 69 procent geschat). Omdat deze verwachte opkomstcijfers op een peiling gebaseerd zijn, is ook de onzekerheid van die schattingen meegenomen – en die is hoog, want per partij is hooguit een paar honderd kiezers meegenomen (ik ben uitgegaan van een totaal aantal ondervraagden van 1000, BB specificeert dit niet, maar dit is vrij normaal voor politieke onderzoeken bij TNS NIPO). Voor de verdere details van de gedraaide simulaties, zie mijn oorspronkelijke artikel.

Bovenstaande figuur geeft de gemiddelde zetelaantallen in 1000 simulaties. Het grootste verschil tussen een model met en een model zonder opkomstcorrectie is te zien bij de PVV: als we niet voor de opkomst corrigeren (althans niet meer dan de peilingen normaal gesproken doen) dan komt het model gemiddeld uit op bijna 14 zetels, met een opkomstcorrectie is dat nog maar 9,5. De PvdA wint juist bijna twee zetels als we de opkomstverwachting van TNS NIPO meenemen in het model, terwijl ook CDA, D66 en GroenLinks profiteren met ongeveer één zetel. De SP verliest ook iets terrein, hoewel voor de SP geen specifieke cijfers genoemd werden in het BB-artikel en hun inschatting dus op het gemiddelde is gebaseerd (dit geldt evenzeer voor de PvdD). De VVD lijkt profijt noch last te hebben van de opkomst. De opkomstcorrectie leidt dus tot grote verschuivingen, ook in de meerderheid van de coalitiepartijen gezamenlijk. Zonder correctie komt deze uit op meest waarschijnlijk 40 zetels, met opkomstcorrectie op 37 zetels. Een verschil dat de regering kan maken of breken.

Zonder opkomstcorrectie Met opkomstcorrectie
De vraag is echter hoe waarschijnlijk het is dat de opkomstcorrectie zo stevig zal zijn. Het is nu immers nog meer dan twee weken voor de verkiezingen en het is bekend dat PVV-kiezers niet heel politiek geïnteresseerd zijn. Wilders kan zijn mobilisatie-achterstand nog (grotendeels) goed maken. Dat blijkt ook als we kijken naar de verschillen tussen de peilingen voor de laatste Europese Verkiezingen – net als de Provinciale Staten zijn dat zogenaamde tweede-orde verkiezingen – en de uitslag. Toen haalde de PVV uiteindelijk 17 procent van de stemmen, terwijl zij in de peilingen van Peil.nl en de Politieke Barometer gemiddeld op 18,3 procent stond. De PVV wist dus uiteindelijk 93% van haar ‘peilingpotentieel’ te realiseren. Ter vergelijking: als we het verschil tussen de twee simulaties (met en zonder zetelcorrectie) uitdrukken in een percentage is dat slechts 64% voor de PVV. De inschatting op basis van het TNS NIPO onderzoek lijkt dus wel erg somber in vergelijking met de resultaten van de PVV in 2009. Juist de PvdA deed het bij de EP 2009 verkiezingen slecht ten opzichte van de peilingen, maar dit kan ook deels komen omdat ze in de laatste campagneweek niet erg sterk uit de verf kwam (hoewel de peilingen na de EP verkiezingen niet heel erg veel afweken van die ervoor). De PvdA-achterban wordt in het TNS NIPO onderzoek juist genoemd als één die al in vrij grote getale zeker weet te zullen gaan stemmen. Er is dus behoorlijke onzekerheid over de precieze effecten van de opkomst. Al met al lijken de door TNS NIPO genoemde cijfers het ‘worst-case’ scenario voor de coalitiepartijen.

We kunnen het model met een stevige opkomstcorrectie als meest ongunstig beschouwen voor de coalitie en het model zonder die correctie als meest gunstige. Het verschilvoor de coalitiemeerderheid is daarbij zo’n 3 zetels, maar er is behoorlijk wat onzekerheid: in het voor de coalitie ongunstige model is de kans op minimaal 38 voor hen momenteel 40%, terwijl deze kans ruim 98% is in het voor hen gunstige model. Op basis van de vergelijking met de Europese Verkiezingen in 2009 lijkt het laatste scenario meer waarschijnlijk dan het eerste, maar elke verkiezing heeft z’n eigen dynamiek en Provinciale Statenverkiezingen zijn toch weer anders dan die voor het Europees parlement. De opkomst maakt dus zeker een verschil, maar hoe groot dat is, blijft voorlopig onduidelijk.

  1. 1

    Deze keer is wel de vraag of de opkomst nog zal worden beïnvloed door de boodschap dat het kabinet steun nodig heeft in de 1e Kamer. Je zou misschien ook peilingen die de populariteit van dit kabinet meten, op de een of andere manier de cijfers hierboven laten beïnvloeden? Je weet maar nooit of een deel van het electoraat doe boodschap serieus neemt en Rutte met hun stem gaat bedanken voor de 130 km zones.

  2. 2

    @Peter:
    Er zal sowieso een opkomstverlies zijn ten opzichte van de tweede kamerverkiezingen, bij alle partijen. De vraag is hoe groot dat opkomstverschil is.
    Zowel bij regering als oppositie is de situatie in de eerste kamer een belangrijker motivatie om te gaan stemmen. Maar hoe breed gedragen is dit bij regering en oppositie? Het opkomstverschil dat bij TNS-NIPO wordt gevonden lijkt erop te wijzen dat het enthousiasme bij de oppositie groter is dan bij de regering, vooralsnog.

  3. 3

    Twee dingen: ten eerste wordt de eerste kamer getrapt gekozen. De zetels zijn dus afhankelijk van de statenleden en niet direct van de kiezers. Als er door restzetels hier en daar voor een bepaalde partij een extra statenlid bijkomt, kan dat al duidelijke invloed hebben op de eerste kamer.

    Punt twee vraag ik me af in hoeverre de kiezer PVV-moe is. Zeker bij zo’n relatief onbeduidende verkiezing zou die nog wel eens massaal kunnen afhaken. Die gaan gewoon niet stemmen, zoals ze al jaren doen.