Goed volk | De Vliegende Hollander (slot)

ACHTERGROND - Vorige keer eindigde ik met een beschrijving van Kaap de Goede Hoop en zijn vrij unieke oceanografische en atmosferische kenmerken, die de sage van de Vliegende Hollander beïnvloed (kunnen) hebben. Eén verschijnsel heb ik daarbij nog niet genoemd. Het is tot op heden niet aangetoond dat er een direct verband bestaat met de sage, maar het draagt wel bij tot het sinistere imago van de Kaap. Bovendien is het fenomeen te interessant om niet te noemen.

Monstergolven

Het gaat hierbij om het verschijnsel van monstergolven, formeel Rogue Waves genoemd. Deze golven zijn om meerdere redenen bijzonder, of beter gezegd: zeer angstaanjagend en desastreus. Ten eerste zijn ze bijzonder hoog. Worden golven bij een vliegende storm zelden hoger dan tien meter opgezweept, Rogue Waves halen met gemak dertig meter, dat is wel een flatgebouw van twaalf verdiepingen.

Geen schip is veilig voor zulke golven, ook vandaag de dag niet. Een kolossale tanker of containerschip van 300 meter lengte wordt door zo’n golf als een lucifersdoosje opgetild. Gaat een schip over de top van de golf, dan hangt al snel tweederde van de romp in het luchtledige. Die is daar niet op gebouwd en breekt dan in tweeën.

In de tweede plaats treedt dit verschijnsel volkomen onverwacht en zonder waarschuwing op. Hoe het ontstaat is nog steeds niet duidelijk, maar verschijnselen als tegengestelde of schuin op elkaar staande windrichtingen en botsende zeestromen zijn er hoogstwaarschijnlijk debet aan; omstandigheden zoals die bij Kaap de Goede Hoop bijna doorlopend voorkomen.

Bestaan monstergolven wel?

Monstergolven zijn lang afgedaan als zeemansbijgeloof. Wellicht geloofden de zeelieden dat de golven door zeemonsters zoals de Kraken werden veroorzaakt. Er waren ook weinig getuigen van dergelijke golven. Tot de komst van de dubbelwandige stalen schepen begin twintigste eeuw werd elk schip dat gegrepen werd door een Rogue Wave versplinterd voordat de bemanning met de ogen kon knipperen. Alleen zeelieden die een monstergolf op afstand zagen, konden het navertellen.

In de negentiende eeuw verbeterden de instrumenten om waarnemingen te doen en schoven de scheepsofficieren dit soort golven niet zonder meer op het conto van zeemonsters of betoveringen door vervloekte en verdronken zeelieden. In 1826 nam de Franse wetenschapper, ontdekkingsreiziger en admiraal Jules Dumont d’Urville samen met drie getuigen in de Indische Oceaan een monstergolf van 33 meter hoogte waar. Thuis gekomen werd hij echter niet geloofd en door zijn collega François Arago afgefakkeld.

Pas in 1964 durfde Laurence Draper het aan een wetenschappelijke artikel over monstergolven te schrijven. Het duurde uiteindelijk tot 1995 eer het bestaan van Rogue Waves wetenschappelijk werd aangetoond. De betreffende golf van 26 meter hoogte werd overigens niet gezien, maar gemeten door meetapparatuur op het Draupnerplatform in de Noordzee. Het feit dat er tegelijkertijd met de meting schade werd toegebracht aan het platform bevestigt dat het geen meetfout betrof.

Aqua incognita

In oude tijden waren er uitgestrekte gebieden waar geen mens ooit kwam. Men moest maar raden wat zich daarbinnen allemaal bevond aan wilde dieren en bosgeesten. Het was een bedreigend en beangstigend terra incognita. Cartografen waarschuwden: Hic sunt dracones (hier zijn draken). Wat dat betreft was de zee de ultieme aqua incognita, de chaos met zijn blinde krachten die voorafging aan de betrouwbare structuur van het vaste land.

Veel is er niet veranderd. Zelfs nu we het feit hebben gevierd dat mensen vijftig jaar geleden op de maan zijn geland, blijft het grootste deel van de wateren op aarde en vooral de diepzee onbekend terrein en worden er op onvoorstelbare diepten vissen en andere wezens waargenomen, die waarschijnlijk in de stoutste dromen van de middeleeuwers niet voorkwamen.

Zeemansbijgeloof

Tot zover het raamwerk waarbinnen het zeemansbijgeloof. Want het onoverzienbare water voedde niet alleen angsten, maar ook de verbeelding. Zo bedacht men bijvoorbeeld dat elk landdier zijn equivalent in het water had, ook fantasiedieren, waarvan men in de Middeleeuwen van mening was dat die echt bestonden. Zo zou er een watereenhoorn bestaan hebben. Aan het begin van dit jaar promoveerde M.M. Mondt op een dissertatie (De zee-eenhoorn in kaart gebracht) waarin zij aannemelijk maakt dat de watereenhoorn gebaseerd was op de narwal of tandwalvis.

Zestiende-eeuwse afbeelding van een zee-eenhoorn

Foute of onvolledige waarnemingen leidden niet zelden tot het ‘zien’ van de meest vreemde verschijningen. Een duidelijk illustratief voorbeeld is De Reis van Sint-Brandaan, een Middelnederlands gedicht uit de 12e eeuw, gebaseerd op een latijns origineel (Navigatio sancti Brendani abbatis) uit de negende of tiende eeuw.
In veel zeemansbijgeloof komt de zeekabouter voor, ook wel Klabautermann genoemd, een equivalent van de landkabouter. Van zeekabouters werd gezegd dat zij scheepsrampen voelden aankomen.

Zeelieden hielden en houden er een specifiek bijgeloof op na dat vaak tegengesteld is aan het bijgeloof van landrotten. Zo neemt een zeeman zonder problemen een zwarte kat mee aan boord, geldt een raaf als geluksbrenger en ziet een zeeman twee kraaien en blijft een derde kraai weg, dan betekent dat onheil. Ook op een christelijke feestdag uitvaren is niet handig, zoals we hebben gezien.

Niet alleen in de sage van de Vliegende Hollander leidt bijgeloof tot ruzie. Zo lag een Engelse onderzeeër tijdens de Eerste Wereldoorlog klaar om uit te varen. De stuurman zag twee kraaien op het dak van een huis aan de haven, maar de derde kraai bleef weg. Toen de kapitein wilde vertrekken, lokte de stuurman een ruzie uit en liet hij zich door de kapitein zo hard in het gezicht slaan dat hij thuis moest blijven. De onderzeeër voer verder zonder hem tot het kennis maakte met een Duitse torpedo.

Vliegende Hollanders en Wandelende Joden

Tot zover de achtergronden waaruit een sage als de Vliegende Hollander kon ontstaan. Zoals ik al eerder heb beweerd is de Vliegende Hollander de natte versie van de Wandelende Jood. Ze staan in het Aarne-Thompson classificatiesysteem ook onder één nummer: 777 en 777a. Het Frans noemt ze in één adem: Le navire errant et le Juif errant. De ATU-index noemt beide onder het kopje ‘God Rewards and Punishes’.

De legende van de Wandelende Jood dateert aantoonbaar uit de dertiende eeuw. Aangezien in de Vliegende Hollander hetzelfde motief van goddelijke vervloeking voorkomt, zou het theoretisch kunnen dat de oerversie van de Vliegende Hollander uit diezelfde tijd stamt, maar daar zijn geen aanwijzingen voor, hoewel de dertiende-eeuwse sage van Waleram en Reginald van Valkenburg in de buurt komt, maar daarover straks. Het is ook niet aannemelijk, want in tegenstelling tot reizen over land kwam het reizen over zee pas goed op gang in de zestiende eeuw met de grote ontdekkingsreizen, de Vikingen daargelaten.

Gerrit Kalff Jr sleept in zijn eerder ter sprake gekomen studie uit 1923 (De sage van den Vliegenden Hollander) er nogal wat voorlopers van de sage van de Vliegende Hollander bij: Sinbad de Zeeman, Sint Brandaan, de Vikingen en zelfs Wodan, maar geen van deze sagen of legenden noemen expliciet de motieven waaruit de Vliegende Hollander is opgebouwd: zee, vervloeking, straf, eeuwigheid.

Waleram en Reginald van Valkenburg

Wel was het bestaan van ‘spookschepen’ al vanaf de Middeleeuwen bekend: schepen die ongeluk brachten aan hen die ze tegenkwamen. Zo is er een uit de dertiende eeuw stammende sage bekend waarin een eeuwig varend schip zonder stuurman voorkomt. Het verhaal gaat over twee broers: Waleram en Reginald van Valkenburg, die beiden verliefd zijn op het beeldschone meisje Alix. Alix kiest voor Waleram en Reginald wordt daarop zo kwaad dat hij zowel Waleram als Alix vermoordt, waarna hij op de vlucht slaat.

Hij krijgt echter spijt en vraagt een kluizenaar (de duivel) om raad. Deze adviseert hem om naar het noorden te trekken. Hij zal een schip vinden en moet aan boord gaan. Reginald wordt op zijn tocht begeleid door twee personen, die zijn goede en zijn slechte kant vertegenwoordigen. Aan boord van het schip gekomen, beginnen de twee figuren te dobbelen om Reginalds ziel, tot aan het einde der tijden. Het dobbelen om iemands ziel is overigens een element dat ook in andere verhalen rondom de Vliegende Hollander voorkomt.

Deze bekende sage komt onder meer voor in J.R.W. Sinninghe (Limburgsch Sagenboek, 1938), bij Cor Bruijn (Nederlandse sagen, 1946) en Pierre Kemp (Limburgs Sagenboek, 1925). Een van de oudste versies komt voor in H. Welters (Limburgse legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen, 1875). Voor wie de sage tot in detail wil nalezen, zie hier.

Schilderij van The Flying Dutchman door Charles Temple Dix, circa 1860

Conclusie

De sage van de Vliegende Hollander zoals wij die nu kennen (de kapitein die op eerste paasdag vanuit Amsterdam met zijn V.O.C.-schip richting Oost-Indië vertrok maar bij Kaap de Goede Hoop zijn lot ontmoette) is ontstaan eind achttiende eeuw. De literaire traditie van die tijd had elementen uit de orale zeemanstraditie opgepikt en die vervolgens samengesmeed tot één coherent verhaal. Die orale zeemanstraditie bevat elementen uit de uiteindelijke sage van de Vliegende Hollander, maar niet het verhaal als zodanig.

Het is opvallend hoe vaak schrijvers, die de sage geadopteerd hebben, spreken van een oude en bekende zeemanslegende (o.a. Walter Scott in 1812). De meest gelijkende en oudste voorloper (dertiende eeuw) is de sage van Waleram en Reginald van Valkenburg, die ook motieven in zich bergt van de legende van de Wandelende Jood, maar er zijn geen aanwijzingen dat de twee middeleeuwse verhalen elkaar hebben beïnvloed.

Maar heel misschien komt er uit en vergeten bibliotheek van een verlaten klooster nog een middeleeuws manuscript te voorschijn: Hollando volans, sive de navigio spirituum. Tot dat moment zult u het moeten doen met de Closing Time van vanavond.

  1. 2

    ‘Brommer op zee van Maarten Biesheuvel is waarschijnlijk een van de meest gelezen verhalen op middelbare scholen. Het gaat over een jongen die vaart op zee, Isaäc. Hij staat op het dek te kijken en ziet iets naderen. Het blijkt een brommer te zijn. Isaäc begrijpt er niets van hoe het in vredesnaam mogelijk is dat er een brommer over de golven aan komt rijden. Dus hij vraagt aan de brommerrijder hoe dat zit. Die legt vervolgens uit dat het heel eenvoudig is: hij is met iets kleins begonnen, met een speld op het water. Toen die eenmaal bleef drijven heeft hij steeds iets groters genomen en uiteindelijk reed hij met een brommer over de zee naar Isaäc toe.’

  2. 4

    Een spannende roman over een ontmoeting met de Vliegende Hollander, heet (in het Nederlands): De Holle Zee, door Geoffrey Jenkins.
    Die ‘ontmoeting’ vindt plaats rond de Stormkaap, en het verhaal beschrijft ook hoe daar diverse oceaanstromingen met elkaar in aanvaring komen.
    En, en passant beschrijft het boek nog een ander stukje geschiedenis over een soort voorganger van The Titanic.
    https://www.bibliotheek.nl/catalogus/titel.840493894.html/de-holle-zee/