Geen bal op tv | Terugblik op mijn jeugd

COLUMN - In plaats van terug te kijken op het jaar dat bijna achter ons ligt, zorgde de televisie en de literatuur ervoor dat ik deze week op reis ging naar mijn prille jeugd. Het begon met de uitzending van Andere Tijden op Tweede Kerstdag. De rauwe jaren ’80 in beeld. Beginnend bij de troonwisseling, eindigend met de neergang van de Berlijnse muur. Daartussen: veel ellende, werkloosheid, buitenlanders die de buurt overnemen, Janmaat die daar iets over zegt, stakingen, demonstraties tegen kruisraketten, heroïne godverdomme, de Baghwan, de hanenkammen, de schoudervullingen, het WK waar we niet bij waren, het EK dat we wonnen.

Een dag later: Dit is alles, documentaire over Doe Maar. Op het hoogtepunt van hun succes was ik te jong om vol in de hysterie op te gaan. Maar De Bom maakte diepe indruk op me. ‘De Bom’ heeft mij de popmuziek ingesleurd, samen met When the rain begins to fall van Jermaine Jackson en Pia Zadora. Het was de dreigende sfeer die mij aan de buis gekluisterd hield. Van ‘De Bom’ was ik zelfs bang. Rechtse kennissen van mijn ouders hadden in hun tuin een bord staan waarop stond te lezen ‘liever een Bom in de tuin dan een Rus in de keuken’. Ikzelf had met mijn ouders meegedaan aan een Ban de Bom-demonstratie in Den Haag. Ik had er een tekening over gemaakt die twee liggende A-drietjes besloeg.

Weer een dag later weer Andere Tijden, nu over Ruud Lubbers, de premier van mijn prille jeugd. Je ziet ‘m op de eerste dag van zijn premierschap in een geel Renaultje het Binnenhof op rijden en je weet: hier zien we een man die graag onderschat wordt, die ongrijpbaar wil blijven. Zijn mooiste naaistreek:  nadat Joris Voorhoeve het kabinet heeft gered door het CDA z’n zin te geven, kondigt Lubbers aan de volgende dag naar de Koningin te gaan om z’n ontslag aan te bieden. Dat hoofd van Joris Voorhoeve!

Tussendoor las ik ‘Nog in morgens gemeten’ van Koos van Zomeren, een boek over het dorp van mijn jeugd: Herwijnen. In dat dorp aan de Waal was in 1951 (op 29 december, om precies te zijn, op de dag dat ik het boek uitlas precies 62 jaar geleden) een jonge boer dood geschoten door de jachtopziener. Koos van Zomeren (wiens vader in Herwijnen is opgegroeid) probeert te achterhalen wat er precies gebeurd is. Maar meer dan een reconstructie van de moord/het ongeluk, is het een reconstructie van de verwoesting van een landschap en bijbehorende levensinstelling. In de jaren ’50 was Herwijnen een achtergesteld poldergebied. De mensen schikten zich in hun lot. De armoe verdween na de ruilverkaveling. Al het andere ook. De moord/het ongeluk vond plaats in de overgangsperiode.

Koos van Zomeren is een zuurpruim pur sang: de wereld van nu is ‘m te snel, te lawaaierig, te opdringerig, te egoïstisch, teveel met zichzelf ingenomen, te lomp. Zijn proza bestaat uit een superieur voortkabbelend gezeur van een zeur die erkent dat hij een zeur is en daar zowel trots op is als zichzelf voor schaamt (ja, zelfs over zijn eigen gezeur kan hij goed zeuren). Hij heeft vooral oog voor wat nooit meer terugkomt. In de jaren ’80, wanneer ik met de kleinzonen en achterneefjes van Van Zomerens hoofdpersonen knikker, is het oer-Herwijnen verdwenen. Er woont in die dagen op ons dorp een vrouw die Pia heet en die ik enkel daardoor met Pia Zadora associeerde. Net als de zangeres was Pia niet veel groter meet dan 1 meter 50, ze woog alleen zo’n 120 kilo. Het was ook toen nog een heerlijk dorp. Prima jeugd gehad. Blij dat het voorbij is. Moedig voorwaarts.