Jona Lendering

632 Artikelen
15 Waanlinks
322 Reacties
Studeerde geschiedenis en vertelt er graag over. Scepticus, recensent, fietser, webmaster (LiviusOrg), Don Quichot, blogger (Mainzer Beobachter) en beheerder van GrondslagenNet. Reist regelmatig in het Midden-Oosten, schreef een paar boeken, gruwt van de zelfmoord van de geesteswetenschappen en droomt van een eigen huis in Downtown Beiroet.
Foto: Regionaal Archief Nijmegen (cc)

Droom

OPINIE - Ik rommelde vanmorgen tegen een interessante vraag aan. In de huidige wetenschappelijke praktijk wordt kwaliteit vooral gemeten door wetenschappelijke publicaties te tellen. De gevolgen zijn bekend: publicatiedwang, een stortvloed aan artikelen over kleine onderwerpen en een neiging tot specialisme. De meeste artikelen worden vervolgens nauwelijks geciteerd.

Ik herinner me hoe, toen de publicatienorm werd geïntroduceerd, deze in eerste instantie was: publiceren in een internationaal tijdschrift. Al snel verschenen dus tijdschriften met titels als Münstersche Beiträge zur Antiken Handelsgeschichte, zodat er voor iedereen gelegenheid was om van elk belang gespeende bijdragen te publiceren. Ik koester “Der Waren- und Dienstleistungsaustausch zwischen dem Römischen Reich und dem Freien Germanien in der Zeit des Prinzipats – Eine Bestandsaufnahme”: ofwel een artikel waarvan de eigenlijke analyse nog moest beginnen. Destijds ging het gerucht dat de universiteiten waren gedwongen soortgelijke tijdschriften uit te geven, om die tegen andere pulpblaadjes te kunnen ruilen. Om dit soort excessen te vermijden ontstond een rating-systeem, werd vastgesteld welke tijdschriften er echt toe deden. Zo veranderde de eis in: publiceren in de tijdschriften met de grootste impact.

Kwaliteit werd zo een kwantiteit, en dat is niet per se wat we willen hebben. Maar is een puur kwalitatieve beoordeling eigenlijk wel mogelijk? De KNAW denkt van niet, getuige het adviesKwaliteitsindicatoren voor onderzoek in de geesteswetenschappen (2011). Men blijft hangen in het tellen van zaken, en wel van

Foto: copyright ok. Gecheckt 25-10-2022

Klassiekers | The Dark Knight Returns

RECENSIE - Ze moet al twee jaar uit zijn, Ger Apeldoorns vertaling van The Dark Knight Returns, het stripverhaal waarmee Frank Miller midden jaren tachtig de Batman-reeks nieuw leven inblies. Dus het stukje dat ik er nu aan wijd, is wat aan de late kant. Gelukkig is het een klassieker, en voor klassiekers is het nooit té laat om erover te schrijven.

Ook in het Nederlands is dit een van de meest duistere stripverhalen die ik ken. Weliswaar eindigt het op een noot van optimisme, maar in feite zegeviert het kwaad op alle fronten en ik realiseerde me pas dit weekend hoe totaal die overwinning is.

Dat heeft iets te maken met de (opzettelijk) chaotische wijze waarop het verhaal wordt verteld. De plot zelf zit echter vrij simpel in elkaar. Batman is al een tijdje met pensioen, maar Gotham City maakt een criminaliteitsgolf mee en de held besluit op geheel eigen wijze in te grijpen. Toevallig menen psychiaters dat zijn oude tegenstander Two Face is uitbehandeld en kan worden vrijgelaten. Deze gaat meteen het verkeerde pad op en Batman rekent met hem af.

Een criminele bende is het volgende slachtoffer, en als ook The Joker uit een inrichting wordt vrijgelaten en enkele tientallen moorden pleegt, rekent Batman ook met die oude vijand af. Hij weet echter dat er geen politieke dekking meer bestaat voor een superheld als hij en Batman laat zich, als de overheid Superman tegen hem uitstuurt, door hem doden. In de laatste plaatjes leren we dat Batman helemaal niet dood is, maar in feite een manier heeft gevonden om onopvallend te verdwijnen. In een spelonk, diep onder de aarde, traint hij een nieuw leger om de wereld van gespuis te bevrijden.

Foto: Michael Raichelson (cc)

De technocratie ingerommeld

ACHTERGROND - Het gemak waarmee academici hun belang laten prevaleren boven andere maatschappelijke belangen is verontrustend. Vier recente voorbeelden illusteren deze tendens.

Voorbeeld één

In de Volkskrant van vandaag schrijft Ellen de Visser dat in het Leidse Universitair Medisch Centrum een reuma-onderzoekster vrij systematisch de resultaten van haar onderzoek heeft vervalst. Het is gelukkig uitgekomen op de normale manier: collega’s konden de resultaten niet reproduceren. Twee al gepubliceerde artikelen zijn inmiddels teruggetrokken, de vrouw is ontslagen en het onderzoek – dat had moeten leiden naar een geneesmiddel – is beëindigd. Het excuus van de onderzoekster is inmiddels al even normaal: de combinatie van hoge werkdruk en de noodzaak resultaten te kunnen tonen, leidde tot fraude. Blijkbaar vinden althans sommige onderzoekers het normaal dat bij de keuze tussen patiëntenbelang en eigenbelang het laatste prevaleert.

Voorbeeld twee

Ik vernam de afgelopen maand van twee identieke wetenschappelijke benoemingsprocedures. Beide keren ging het om een mij bekende onderzoeker – briljant, blank, Europees en man – die werd uitgenodigd te solliciteren bij een internationaal project. Beide waren de droomkandidaat. Beide keren bleek er een complicatie: op beide projecten werkten al veel briljante blanke Europese mannen en uiteindelijk werd in beide gevallen iemand benoemd met mindere wetenschappelijke kwalificaties. Dit betekent, met andere woorden, dat de wetenschap zélf inbreuk maakt op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de best-denkbare wetenschap te leveren. In één geval leidde het tot een boze reactie van een bedrijf dat bij het project was betrokken; die kwestie speelt nog.

Foto: Via Livius.org

Problematische vrijheid

ANALYSE - Joris Luyendijk had gisteren een aardige column waarin hij schrijft dat

hoe meer je van de financiële sector begrijpt, hoe beter je doorkrijgt dat het echt niet alleen de banken waren die er een puinhoop van hebben gemaakt.

Vervolgens legt hij uit dat veel mensen met hun hypotheek enorme risico’s hebben genomen en dat het niet aangaat de bankiers de schuld te geven van dat roekeloze gedrag. Als de mensen beter hadden begrepen wat ze deden, zouden we nu aanzienlijk minder problemen hebben.

Ik denk dat Luyendijk zich vergist. Al die mensen begrepen heel goed wat ze deden. Ik durf dat met enige stelligheid te beweren omdat de alleronhandigste zakenman van Nederland – ik dus – het wel begreep. Bladerend door mijn schrijfsels zie ik dat ik in 1999, 2002 en 2005 heb gewezen op de hypotheekbubbel. Als zelfs ik begreep dat het niet klopte, wist iedereen het. De vraag is dus: waarom deden mensen het toch?

Omdat het dom was het niet te doen.

Icesave is een mooi voorbeeld. Mijn schooltje heeft ook een leuke aanbieding gehad maar omdat bij de eerste tien Google-hits al vier waarschuwingen zaten, deden we het niet. Dom dom dom, want je kon gewoon een hoge rente opstrijken omdat, wanneer de voorspelde problemen zich eenmaal openbaarden, de overheid je tegoeden garandeerde. Ik denk dat alle spaarders bij Icesave wisten dat ze geen enkel risico namen: de irreële winst was voor hen en de verliezen konden ze doorschuiven naar de gemeenschap. Je zou een dief zijn van je eigen portemonnee als je het niet deed, en dus deed je het.

Foto: Gerard Stolk (cc)

Stiltecoupé

COLUMN - Ik heb al eens eerder geblogd over mijn frustratie dat het in de stiltecoupé lang niet altijd stil is. Soms besteed ik er een kunnen-die-proleten-hun-mond-niet-houden-in-de-stiltecoupé-tweet aan, wat door mijn reguliere volgers op Twitter inmiddels wordt herkend als een niet helemaal serieus te nemen running gag. Ik realiseer me dat de stiltecoupé, in het licht der eeuwigheid bezien, niet zo’n groot belang heeft.

Dat wil niet zeggen dat de frustratie niet reëel zou zijn. Op zondag 21 juli reisde ik rond het middaguur van Amsterdam naar Heerlen, toen op het Amstelstation een echtpaar binnenkwam dat de gezelligheid uitstraalde. Ik wist instinctief dat ze geen boeken, laptops of kranten tevoorschijn zouden halen, en inderdaad: ze keken uit het raam en gaven commentaar op wat ze zagen (“zie je wat een leuke crossbaan dat is?”). Na verloop van tijd besloot ik er iets van te zeggen.

Doorgaans werkt dat. Mensen hebben vaak niet in de gaten dat ze in een stiltecoupé zijn komen zitten, want het is niet heel erg duidelijk aangegeven. Dit keer werkte het niet.

Zo vriendelijk mogelijk vroeg ik of ze hadden gezien dat ze in een stiltecoupé waren gaan zitten. “Wat ongezellig, het is toch weekend?” Ik legde uit dat er mensen zijn die op zondag moeten werken. “U had toch ander werk kunnen kiezen?” Het was niet eens beledigend bedoeld – de mevrouw sprak me aan met “u” – maar een uiting van totaal onbegrip voor het eenvoudige feit dat een stiltecoupé er is om mensen in staat te stellen te lezen of te schrijven. Ik ben vol machteloze woede weggelopen en ergens anders gaan zitten.

Foto: buzzthrill (cc)

Sluiting van het Zandpad

INTERVIEW - Alexandra van Dijk werkt voor Buro Bryck, een bureau dat overheidsinstellingen en andere belanghebbenden informeert over prostitutie (meer). Hoe kijkt zij aan tegen de sluiting van het Utrechtse Zandpad?

Wat is er nu eigenlijk aan de hand in Utrecht?

‘Het Zandpad en de Hardebollenstraat zijn de enige twee zones in Utrecht waar raamprostitutie mag plaatsvinden. Het gaat om zo’n 162 werkruimten, die in diverse “shifts” worden gebruikt. De ramen kunnen uitsluitend worden gehuurd van een exploitant, die ook de eigenaar is van de boot of het pand en die elke drie jaar zijn vergunning moet verlengen. Wie in Utrecht in de raamprostitutie wil werken, moet de ruimte voor minimaal vier aaneengesloten weken huren bij zo’n exploitant.

De prostitutie op het Zandpad staat onder verscherpt toezicht sinds de zogeheten SNEEP-affaire: toen werd vastgesteld dat Saban B., vrouwen dwong te werken aan het Zandpad. Omdat er ook na die affaire aanwijzingen waren voor mensenhandel, heeft de gemeente dit keer de vergunningen niet verlengd.’

Weet je of er ook werkelijk sprake is van mensenhandel?

‘Het lijkt er sterk op dat er op het Zandpad inderdaad sprake was van grootschalige mensenhandel. De pooiers, of je ze nou “boyfriends” noemt of niet, liepen er vrij rond en hielden meisjes in de gaten. Wat ik niet weet is of ook de exploitanten een rol speelden in de mensenhandel.

Foto: copyright ok. Gecheckt 23-09-2022

Klassiekers | De naam van de roos

RECENSIE - In het begin was het woord, dat al vrij snel werd gevolgd door taalplezier. Mensen kunnen niet alleen communiceren maar hebben er ook over nagedacht hoe ze dat het prettigst en effectiefst doen. Een mooie metafoor verduidelijkt. Een elegante opbouw verheldert. Esprit houdt de aandacht vast. Wie woorden zo gebruikt dat mensen luisteren of lezen met plezier, communiceert effectiever.

Om het tekstplezier te vergroten, kun je gebruik maken van citaten. Je kruidt er je tekst mee en behaagt je lezer, die zich gevleid voelt omdat je een brede algemene ontwikkeling bij hem veronderstelt. De beste manier om te citeren is het niet al te nadrukkelijk te doen, zodat degene die de verwijzing herkent erom kan glimlachen, maar degene die haar niet herkent niet het gevoel heeft iets te missen. Het eerste gebod bij een goed citaat is, om Joost Zwagerman aan te halen, dat elke boerenlul de tekst moet kunnen blijven begrijpen.

Kampioen

Umberto Eco is kampioen citeren, en dat is niet zo vreemd, want hij werkte als hoogleraar semiotiek, een wetenschap die zich bezighoudt met tekens en verwijzingen. De naam van de roos, het boek waarmee hij in 1980 debuteerde, staat bol van de literaire verwijzingen. Een deel ervan valt in de Nederlandse vertaling erg op: als Eco uit de Bijbel citeert, doet hij dat namelijk in het Latijn, wat in een Nederlandse tekst overdrevener overkomt dan in een Italiaanse. Het onbedoelde resultaat is dat het boek in ons taalgebied het speeltje werd van een intellectuele klasse. Ik herinner me dat men destijds sprak van een roman door een professor voor professoren.

Foto: Mel (cc)

Homohuwelijk en oude geschiedenis

ANALYSE - Ik ben zó ontzettend voor het homohuwelijk dat ik het niet eens aanduid als homohuwelijk. Er is maar één soort huwelijk en die verbintenis wordt in steeds meer landen opengesteld voor mensen van gelijk geslacht. Een discriminerende bepaling is weggenomen, zoals in de loop der jaren het kiesrecht is opengesteld voor vrouwen en de hogere ambtelijke posities ook toegankelijk zijn gemaakt voor katholieken. Daar ben ik helemaal vóór.

Alleen, niet elk argument voor het homohuwelijk vind ik even sterk. Als ik historicus stoor ik me zelfs – nou ja, een klein beetje dan – aan één argument, dat wel wordt gebruikt om christelijke oppositie tegen de openstelling van het huwelijk te ontkrachten: “Als God liefde is, kan Hij er toch niet tegen zijn dat mensen van elkaar houden?”

De aanname is dat liefde een seksuele component heeft, en dat is natuurlijk ook zo. Alleen: het is niet wat er in de Bijbel mee wordt bedoeld. Het woord “liefde” wordt, als we de zogeheten deuterocanonieke boeken meetellen, 264 keer gebruikt in 245 verzen. Bijna al die passages hebben betrekking op het Verbond.

Het Verbond is dat wat joden tot joden maakt. Ze zijn het uitverkoren volk – niet doordat ze zo verdienstelijk waren, maar doordat God sympathie voor de joden had opgevat. Door deze gunst maakte elke jood, zoals men het destijds verwoordde, ‘deel uit van de wereld die nog zou komen.’ Om deze toezegging te bekrachtigen, had God de joden de Tora geschonken: een Hebreeuws woord dat vaak wordt vertaald als “wet” maar in feite zoiets betekent als “onderricht in de goede levenswijze”. Van de uitverkoren joden werd verwacht dat ze op deze genade reageerden door die levenswijze zo goed mogelijk te volgen.

Foto: mooste (cc)

Rehabilitatie

COLUMN - Mijn huis heeft een balkon. Wie de moeite neemt over een hekje te klauteren, loopt zo het balkon van de buren op, een Marokkaans gezin. Omgekeerd kunnen de jongens makkelijk mijn balkon op, en hun schotelantenne staat dan ook aan mijn kant, waar een betere ontvangst is.

Vroeger – ik heb het over 2005 – klom een van de buurjongens wel eens naar mijn balkon en liep mijn huis dan binnen om aan de computer te werken. Werkstukken printen, wat zaken opzoeken op het internet, dat soort dingen. Hij leende soms wat geld, waarvan ik eigenlijk wel wist dat ik het nooit terug zou krijgen, maar ik bekreunde me er niet zo om. Het leek me niet makkelijk als Marokkaanse puber te leven in het Nederland van Fortuyn en Wilders, waar je op voorhand gestigmatiseerd was.

Dat die stigma’s niet helemáál onverdiend waren, ontdekte ik toen ik in het voorjaar van 2006 thuiskwam van een bezoek aan Oxford. Ik wilde net beginnen met het downloaden van de foto’s uit mijn camera, toen mijn buurjongen aankwam: hij moest iets opzoeken. Ik liet hem zijn gang gaan, ging ergens wat zitten lezen, maar toen hij even later weer vertrok en ik verder wilde gaan met mijn foto’s, kon ik mijn camera nergens meer vinden. Mijn halve huis afgezocht, maar de camera was weg en ik was niet zo naïef dat ik niet wist wie die had meegenomen.

Foto: Brian Yeung (cc)

PRISM

OPINIE - Dat de NSA ons in de gaten houdt, mag geen verrassing zijn. De grote vraag is wat ze nog meer doen om te bepalen wie er wel en niet een risico vormt.

Kort voor de inhuldiging van koning Willem-Alexander was er het kleine berichtje dat de AIVD zo’n honderd geïsoleerd levende mannen (“lone wolves”) in het vizier hield. Het bericht zal, na de aanslagen in Apeldoorn en Alphen aan den Rijn, maar weinigen hebben verbaasd. Dat we in de gaten worden gehouden, is inmiddels zó algemeen bekend dat het aanleiding was tot grapjes. Ik heb althans een stuk of wat vrijgezelle mannen horen opmerken dat ze nu extra voorzichtig zouden zijn.

Hoe dat in de gaten houden eruit ziet, weet elke computergebruiker. Niemand online heeft enige privacy. Facebook is een makkelijk voorbeeld: ook wie zijn privacy-instellingen scherp afstelt, krijgt verdraaid goed gerichte advertenties voor de kiezen. Er was laatst een bericht dat er algoritmes zijn waarmee kan worden vastgesteld of een computergebruiker een vrouw of een man was.

Dat ook de overheid deze mogelijkheden kent, en dat de inlichtingendiensten die willen gebruiken, is evenmin nieuws. Sinds midden jaren negentig werd besloten dat e-mail niet moest worden beschouwd als een brief, waarop het briefgeheim van toepassing is, maar als telefoongesprek, dat eventueel viel af te tappen, zijn er legio voorstellen gedaan om uw privacy in te perken. Het zal niemand zijn ontgaan dat er wetsvoorstellen zijn geweest om computers te voorzien van achterdeurtjes om de gebruiker te controleren.

Foto: Michael Day (cc)

Incompetentie en lafheid

COLUMN - Volgens de Volkskrant van zaterdagochtend hebben de managers van de NS bij de aanschaf van de treinstellen van de Fyra allerlei waarschuwingen in de wind hebben geslagen.

(Voormalig)NS-medewerkers schetsen een beeld van een staatsbedrijf waar managers met geringe inhoudelijke spoorkennis zich niet laten corrigeren door hun eigen vakmensen.

Tja. Hierover zullen weinig mensen verbaasd zijn, zowel binnen als buiten de NS. De afgelopen jaren zagen we de opkomst van een klasse van managers die meer wisten van besturen dan van wat de organisatie nu eigenlijk deed. Daarover wordt steen en been geklaagd. Het Volkskrantartikel is slechts één voorbeeld.

Helemaal eerlijk is de kritiek niet. Organisaties worden steeds complexer en het besturen ervan veronderstelt speciale vaardigheden, wat met zich meebrengt dat je mensen moet aantrekken die deze vaardigheden hebben geleerd – en dus wat minder inhoudelijke kennis bezitten. Dat is onvermijdelijk en het is al even onvermijdelijk dat er beslissingen worden genomen waarvan men op de werkvloer ziet dat ze onuitvoerbaar zijn. Klagen over de incompetente leiding behoort inmiddels tot de kantoorfolklore, en dus luisteren de bestuurders er niet meer naar. De gemiddelde krantenlezer kijkt er evenmin van op.

Een veel interessantere vraag is waarom medewerkers, als ze zo scherp zien dat iets verkeerd gaat, niet ingrijpen. Akkoord, het vergt wat moeite. Je baas zal niet staan trappelen van ongeduld om zijn eigen incompetentie te krijgen uitgespeld, maar een medewerker hoeft toch niet steeds de weg te kiezen van de minste weerstand? Waarom verbinden zo weinig mensen aan het negeren van hun vakkennis de conclusie dat ze bij een zieke organisatie werken en dat ze beter kunnen opstappen? Zijn onze hypotheekschulden dan echt de gouden boeien waarmee we vast zitten aan incompetente managers?

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Parlementair onderzoek, alsjeblieft

OPINIE - Een parlementair onderzoek naar het functioneren van hoger onderwijsinstellingen zou een eerste stap kunnen zijn in het voeren van een discussie over hoe we de wetenschap (opnieuw) moeten inrichten.

1.
Ik heb al vaker geschreven dat onze universiteiten niet langer voldoen aan de verwachtingen die we er redelijkerwijs van mogen hebben. Dat ik er opnieuw over schrijf, is omdat het opnieuw mis is: de Groningse Rijksuniversiteit heeft de hoogleraar criminologie Patrick van Calster op non-actief gesteld terwijl de universiteit waar hij is gepromoveerd, de Brusselse Vrije Universiteit, hem de doctorstitel ontneemt. Volkskrantjournalist Martijn van Calmthout twitterde gisteren dat er vandaag nóg een Vlaams-Nederlandse fraudezaak zal worden onthuld. Gisteren was Karima Kourtit van de Amsterdamse Vrije Universiteit in het nieuws.

Drie dagen, drie kwesties. En iedereen kent de oudere gevallen: Peter RijpkemaDirk SmeestersDon Poldermans en Diederik Stapel, waarbij we Roos Vonk dan maar het voordeel van de twijfel zullen geven, Ernst Jansen Steur zullen typeren als een medische aangelegenheid en Mart Bax zullen beschouwen als verjaard. De lijst opzichtig falende onderzoekers begint verontrustend lang te worden en het ergste is detrieste voorspelbaarheid van de affaires.

Het imago van de wetenschap wordt inmiddels meer bepaald door fraude- en fraudeachtige zaken dan door wat wél goed gaat. U bent vermoedelijk vergeten hoe de ontdekker van het grafeen heette, hoewel de goede man de Nobelprijs won, maar u weet allemaal wie Diederik Stapel is.

Vorige Volgende