Vernietiging cultureel erfgoed Irak
NIEUWS - De verwoesting die je wist die zou komen: ISIS lost haar beloften in en vernietigt sjiitische heiligdommen. En meer. Assyrioloog Christopher Jones documenteert enkele gevallen met foto’s
NIEUWS - De verwoesting die je wist die zou komen: ISIS lost haar beloften in en vernietigt sjiitische heiligdommen. En meer. Assyrioloog Christopher Jones documenteert enkele gevallen met foto’s
ACHTERGROND - Het verhaal is in de islamitische wereld overbekend. De profeet Mohammed had gezegd dat als hij moest worden opgevolgd, zijn opvolger vooral een goede moslim moest zijn en presenteerde tijdens zijn afscheidsbedevaart zijn schoonzoon Ali als opvolger. Hierover zijn, als ik het wel heb, alle moslims het eens. Na de dood van de profeet (in 632) werd echter Abu Bakr aangewezen als eerste kalief, “plaatsbekleder”. Hij werd opgevolgd door Omar en die werd weer opgevolgd door Othman, tot uiteindelijk Ali kalief werd.
Zijn regering werd geteisterd door interne problemen en Ali stemde ermee in dat een daarvan werd opgelost door arbitrage. Sommige moslims vonden het echter schandalig dat hij een Godgegeven ambt ondergeschikt maakte aan een menselijk oordeel. Ali werd tijdens het gebed vermoord en sindsdien zijn er, om het simpel samen te vatten, twee soorten moslims.
De ene groep meent dat de macht daarna legitiem behoorde aan Othmans familie; dit zijn de soennieten. De andere groep meent dat de legitieme macht eigenlijk behoorde aan de afstammelingen van Ali, zoals zijn zonen Hasan en Huseyn. Deze laatste deed ook een gooi naar de macht, maar werd in 680 door de Umayyadische leider Yazid verslagen in de slag bij Kerbala. Sjiieten rouwen nog elk jaar om die gebeurtenis, bij een herdenking die Ashura heet.
ACHTERGROND - De scepsis rondom het Romeinse aquaduct in Nijmegen is doorgeschoten. Archeologen betalen hier namelijk voor fouten die niet zij hebben gemaakt.
1.
In het oosten van Nijmegen ligt een oud Romeins aquaduct. De vijver, de geulen en de drie dammen zijn goed vergelijkbaar met antieke waterleidingen als die in Dorchester en Tongeren, maar er zijn weinig concrete vondsten gedaan. Hout, het materiaal waarmee de eigenlijke waterloop was gebouwd, is nu eenmaal vergankelijk en kan niet meer worden opgegraven.
Het is daarom begrijpelijk dat er een stevige discussie is losgebarsten of de vijver, geulen en dammen wel door de Romeinen zijn aangelegd. Aanvankelijk waren het sceptische burgers die vragen stelden; later kwamen daar journalisten bij; daarna gaf de Nijmeegse Rekenkamer advies; tot slot oordeelde de Nijmeegse politiek dat er geen reden was tot twijfel. De affaire interesseert me, maar niet om de vraag of er werkelijk een aquaduct is geweest. Voor zover we weten, was het er. Voor zover we weten, is de kritiek onterecht. Daarom is de scepsis zo boeiend. De Nijmeegse archeologen betalen namelijk voor fouten die niet zij hebben gemaakt.
2.
Eerst even een woord over de kritiek. De sceptici stellen dat er, alvorens te concluderen dat er een aquaduct is geweest, sprake moet zijn van concrete, positieve aanwijzingen. Zulk bewijs is echter niet te leveren: zoals gezegd is het bouwmateriaal te vergankelijk om op te graven. De onmogelijkheid iets vanuit direct bewijsmateriaal te reconstrueren geldt echter niet alleen voor het aquaduct, ze geldt voor alles uit de oude wereld. De oudheidkundige disciplines hebben nu eenmaal een smalle empirische basis.
COLUMN - Zondag herdacht de katholieke kerk Petrus en Paulus, de twee apostelen die het christendom naar Rome brachten en daar om het leven kwamen toen keizer Nero de christenen liet executeren. De intree in de hemel is voor christenen iets feestelijks en lange tijd zette het Vaticaan de feestelijkheden op 29 juni extra luister bij door duizenden en duizenden lantaarns op de koepel van de Sint-Pieter te plaatsen. De foto, die de Vlaamse classicus Patrick Lateur zondag op zijn Facebookpagina deelde, toont de laatste keer dat dit gebeurde, in 1937.
Voor een moment heb ik overwogen op Lateurs Facebookpagina te schrijven dat het Vaticaan de traditie moest herstellen. Het heeft iets feeërieks. Ik zou ook de paus wel eens met een tiara hebben willen zien, rondgedragen in zijn draagstoel, en ik zou ook eens een Vaticaanse hoogmis hebben willen bijwonen, zoals die moet zijn geweest voor het Tweede Vaticaanse Concilie. Puur vanuit historische en esthetische motieven, zoals ik ook zou willen rondneuzen in Versailles, een Kruisvaarderskasteel of de bibliotheek van Alexandrië.
Maar nee, het Vaticaan kan de koepel van de Sint-Pieter beter ongeïllumineerd laten. Als ik voor de katholieke kerk een balans van goede en minder goede dingen zou moeten opmaken, dan staan de pracht en praal vrij hoog in het lijstje van mindere zaken. Voor het goede begrip haast ik me te zeggen dat er ook een lange lijst van goede dingen bestaat, waarbij ik meteen denk aan de wijze waarop de parochie in mijn stadswijk zorgt voor vereenzaamde ouderen, aan de hulp die de zusters augustinessen boden aan een gedwongen prostituee en een vluchtelinge, of aan recente pauselijke uitspraken over de georganiseerde misdaad.
RECENSIE - Door een gelukkige speling van het lot woont mijn collega Theo Toebosch bij me in de buurt. We komen elkaar elke maand wel eens in de winkelstraat tegen, lunchen regelmatig en komen ook wel eens bij elkaar over de vloer. Dat maakt me niet tot de meest objectieve recensent van zijn laatste boek, De eerstgevallenen, maar dat weerhoudt me niet dit boek over de Eerste Wereldoorlog onder uw aandacht te brengen.
De eerste eerstgevallene is de Franse korporaal André Peugeot, die op 2 augustus 1914 om het leven kwam bij een incident aan de Frans-Duitse grens. Dat was dertig uur voordat Duitsland met een oorlogsverklaring aan Frankrijk een tot dan toe kleinschalig conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië deed escaleren en misschien moet je daarom zeggen dat de dood van Peugeot geen oorlogshandeling was maar een moord in vredestijd. Hoe dat ook zij, Peugeot geldt als de eerste dode van de Eerste Wereldoorlog.
De andere eerstgevallene is Albert Mayer, die die ochtend was uitgestuurd op een missie over de grens, bij het dorpje Joncherry stuitte op Franse troepen en Peugeot doodde. Misschien was de Duitse cavalerist een moordenaar. Misschien was hij het slachtoffer van een bevel dat hij beter niet had kunnen opvolgen. Hoe dat ook zij, Mayer geldt als de eerste Duitse dode van de Eerste Wereldoorlog.
COLUMN - Het is de nacht van maandag op dinsdag en ik reis vanuit Nijmegen terug naar Amsterdam. Ik heb een lift gekregen tot Utrecht en heb daar op het perron moeten wachten tot mijn trein kwam. Dat is vervelend: op het perron staan geen bankjes en ik kan dus niet mijn laptop uitpakken om iets nuttigs te doen. Je kunt wezenloos voor je uit staren, meer niet. En ik heb echt wel iets belangrijkers te doen dan wezenloos voor me uit staren, want ik heb werk bij me dat voor morgenochtend af moet.
Gelukkig komt de trein wat vroeg langs het perron rollen en kunnen we instappen. Om er zeker van te zijn dat ik in elk geval het halve uur tot Amsterdam CS zal kunnen werken, ga ik zitten in de stiltecoupé, en ik tref het: ik heb een fijn compartiment voor mezelf. Ik start mijn computer en werk verder.
Even later is het echter gedaan met mijn rust. In het compartiment naast me strijken enkele conducteurs neer – twee mannen en twee vrouwen, als ik goed heb geteld – die de voetbalwedstrijd bespreken. En daarmee is de rust die ik zo hard nodig heb, voorgoed weg.
Er iets van zeggen heeft geen enkele zin. Zolang er stiltecoupés zijn, zijn er mensen die daar praten. Even lang zijn er mensen die anderen daarop aanspreken, maar het heeft niet geleid tot een merkbare verandering van het gedrag. Een tijdje geleden “vierde” ik het moment dat ik voor de honderdste keer vergeefs had gevraagd of mensen de regels alsjeblieft wilden respecteren. Terwijl reizigers zich destijds wel iets gelegen lieten liggen aan de niet-rookcoupés, wordt de stiltecoupé genegeerd.
COLUMN - Elke maandag verzorgt Ewoud Sanders – full disclosure: ik ken hem persoonlijk – op de achterpagina van het NRC Handelsblad de ‘woordhoek’, waarin hij vertelt over de geschiedenis van Nederlandse woorden en uitdrukkingen. Hij kan die geschiedenis reconstrueren dankzij een digitale databank waarin tienduizenden boeken zijn opgenomen. Als Sanders dus zegt dat het woord ‘speleoloog’ voor het eerst in gedrukte vorm verscheen in de Opregte Haarlemsche Courant van 16 juni 1896, dan is dat een snoeihard feit.
Vorige maand publiceerde Sanders een leuk boek over één enkel woord: ‘boekenjood’. Achter dit vergeten begrip gaan negentiende-eeuwse handelaren in tweedehandsboeken schuil, en achter hen schuilt een wereld die voor mij volkomen nieuw was.
Het boek begint met een anekdote over Vincent van Gogh, die geïllustreerde tijdschriften koopt bij een boekenjood in Den Haag. Dan volgen Sanders’ verrukkelijke, onweerlegbare statistieken: tussen 1877 en 1882 had Van Gogh het in zijn brieven zevenmaal over boekenjoden.
Het was niet de minste boekenjood bij wie Van Gogh zijn tijdschriften kocht: de familie Blok bood haar waren aan op het Binnenhof en mocht ministers, premiers en andere politici rekenen tot haar vaste klanten. Het riep bij mij het beeld op van een jonge schilder die stond naast de toenmalige minister president, Theo van Lynden van Sandenburg: de toen onbekende kunstenaar is nu wereldberoemd, de toen beroemde politicus is nu zo vergeten dat in maar twee van de talloze staatsliedenbuurten straten naar hem zijn vernoemd.
NIEUWS - Probeer eens onverdraaglijk genuanceerd te zijn als alle vooroordelen over religieuze fundamentalisten, Amerikanen en de Tea Party zó elegant worden bevestigd.
COLUMN - Wie een academische instelling bestuurt, doet het altijd wel in iemands ogen verkeerd. Je zou dus mild moeten zijn in je kritiek, maar soms neemt de verbijstering het toch van je over. Neem bijvoorbeeld dit interview met Hans Clevers, de president van de KNAW. Hij krijgt een simpele vraag voorgelegd die hij, toen hij zich voorbereidde op het gesprek, moet hebben zien aankomen: of de affaire-Stapel niet duidt op “een afkalvend moreel besef bij wetenschappers”. Zijn antwoord:
De vermeende afkalvende integriteit van Nederlandse wetenschappers is iets wat vooral Nederlandse wetenschappers zelf bezig houdt. Voor het publiek geldt de wetenschap nog altijd als betrouwbaar.
Dat laatste klopt: mensen hebben ontzag voor de wetenschap. Maar dat was de vraag niet. De vraag betrof de individuele onderzoekers. Anders gezegd, terwijl er vertrouwen is in de wetenschappelijke methode, is er twijfel of de wetenschappers zich wel voldoende inspannen om die methode goed toe te passen. Het is zeker niet waar dat de Nederlandse wetenschappers de enigen zijn die zich zorgen maken.
Maar het gaat nog verder:
In Nederland hebben we de procedures op het gebied van integriteit keurig geregeld.
Dit is maar de helft van het antwoord. Het gaat er niet alleen om of het geregeld is, het gaat er tevens om of de procedures worden nageleefd. Het is ondenkbaar dat Clevers niet zou weten dat bijvoorbeeld de VSNU zich juist hierover zorgen maakt: er zijn prachtige procedures maar ze zijn onvoldoende bekend. Clevers’ redenatiefout staat bekend als het weglaten van een secundum quid.
COLUMN - We hadden gisteren vrij, de zon scheen en we zaten op een terrasje. Een van de aanwezigen was een uit Irak afkomstige studente die als vrijwilligster een huiswerkklasje begeleidt. Het verhaal van de kinderen daar is deprimerend vertrouwd: afkomstig uit Marokko en met een taalachterstand, waardoor er problemen zijn in het basisonderwijs.
‘Ik geloof dat ik iets fout doe,’ vertelde de studente op een toon die ons deed opkijken van ons bier. ‘Een van de kinderen vroeg me wat van geloof ik had. Ik zei dat ik moslima was, maar hij zei dat ik een slechte moslima was omdat ik geen hoofddoek droeg. Hij maakte me zelfs uit voor satan.’
Het had haar duidelijk geraakt en dat verbaasde me. Ze is namelijk alleen moslima in de zin dat iedereen in haar vaderland islamitisch is, maar de vijf zuilen van het geloof zijn niet bepalend voor haar identiteit. Ze zal niet claimen dat Mohamad de enig juiste openbaring heeft ontvangen, ze bidt niet, ze doet niet aan de ramadan en droomt niet van een pelgrimage naar Mekka. Misschien is ze vrijwilligerswerk gaan doen bij wijze van aalmoes, maar volgens mij neemt ze gewoon haar verantwoordelijkheid voor de samenleving. Als zelfbewuste ietsist zou ze erboven moeten staan dat een kind haar voor satan uitmaakte.
Een museum toont voorwerpen. Maar een museum is zelf ook een voorwerp. Het gebouw en de collectie zijn onder bepaalde omstandigheden ontstaan, en die omstandigheden zijn zelf ook de moeite van het bestuderen waard. Er bestaat bijvoorbeeld een interessante vriendschappelijke rivaliteit tussen het British Museum, het Louvre en de Berlijnse musea, en ik blijf hopen dat een museum in Brussel of Amsterdam eens een expositie wijdt aan die rivaliteit.
De bovenstaande foto maakte ik in het Museo nazionale della civiltà romana in Rome, dat Mussolini destijds wijdde aan de Romeinse beschaving. Het staat vol kopieën, afgietsels en maquettes, en is een van de interessantste mij bekende musea. Het gebrek aan authenticiteit wordt meer dan dubbel gecompenseerd door de compleetheid van de collectie: eindelijk eens een museum dat de hele Romeinse cultuur illustreert, van het ontstaan van de stad tot de Grote Volksverhuizingen en van de Atlantische Oceaan tot de Eufraat.
De foto toont Italië, maar zoals u ziet hoort de Dalmatische kunst er ineens ook bij. Het is een herinnering aan de fascistische tijd. De As-mogendheden hadden Joegoslavië veroverd en in 1941 had Italië het kustgebied geannexeerd. Het museum is hier zelf een historisch artefact, dat op zichzelf de moeite van het bestuderen waard is.
OPINIE - Het is Amsterdammers niet gegund rustig onder het Rijksmuseum te fietsen. De laatste tijd word je, komend vanaf het Museumplein, begroet door het opschrift “Art is Therapy” en is je humeur nog tot aan het Koningsplein naar de gallemiezen. Wat een pretentie. Wat een museale zelfoverschatting.
Mijn ouders hebben me altijd meegenomen naar musea, toneel en muziekuitvoeringen. Als we op vakantie gingen, bezochten we de plaatselijke bezienswaardigheden. Op de middelbare school gaf de tekenleraar lessen kunstgeschiedenis. Ik heb gestudeerd aan een letterenfaculteit. Jarenlang ben ik twee keer per week naar het toneel gegaan. Ik ben “vriend” van twee musea, bestuurslid van een stichting en werkzaam in de culturele sector.
Ik draag de Nederlandse kunsten een warm hart toe en heb er een behoorlijk stuk van mijn ziel en zaligheid in gelegd. Ik zal echter nooit claimen dat kunst heel erg belangrijk is. Zeker, kunst maakt het leven prettiger. Soms schokt een kunstwerk, soms ontregelt het, soms biedt het inzicht. Maar zelden lang en nooit voldoende. Noch Goya’s Desastres de la guerra noch Picasso’s Guernica hebben de mensheid minder krijgszuchtig gemaakt. De Havelaar doodde het Nederlands imperialisme niet en ik heb niet de indruk dat Kabouter Buttplug het kapitalisme heeft ontmaskerd.