Jip van Dort

24 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: Eric Heupel (cc)

Vastgelopen vredesproces niet belangrijk voor Nederland

Veel analisten zijn van mening dat een duurzaam einde aan de oorlog in Afghanistan alleen mogelijk is wanneer alle strijdende partijen aan tafel schuiven voor serieuze vredesonderhandelingen. Uit een recent artikel van persbureau Reuters blijkt echter dat nogal wat analisten somber gestemd zijn over de mogelijkheid van een politieke resolutie vóór 2014, wanneer de Amerikanen vertrekken.

De obstakels op de weg naar serieuze vredesonderhandelingen zijn groot. Het artikel somt een paar voorbeelden op, al zijn er veel meer te bedenken. Recent, in september, werd de voorzitter van de Afghaanse vredesraad vermoord door een aanslag met een tulbandbom. President Karzai gaf kort daarna aan onderhandelingen met de Taliban zinloos te achten. Die vinden momenteel dan ook niet plaats.

Daarnaast lijken de Taliban erg gefragmenteerd. Hun politieke leiding zou open staan voor onderhandelingen, maar de militaire tak niet. Deze is namelijk van mening dat de Amerikanen op het slagveld verslagen kunnen worden. Mochten er, tenslotte, ooit vredesonderhandelingen van start gaan, dan is een groot risico dat groepen die daar niks bij te winnen hebben – wapenhandelaren, drugsdealers en ambitieuze locale strijders – dwars gaan liggen. Bijvoorbeeld een aanslag van een van hen op een onderhandelaar zou de vlam gemakkelijk in de pan kunnen doen slaan en daarmee het hele vredesproces ontsporen.

Afghaanse agenten dagelijks op oorlogspad

Politieagenten in Afghanistan zijn dagelijks betrokken bij offensieve militaire acties tegen Taliban en andere opstandelingen. Dat blijkt uit eigen onderzoek van Kunduz Monitor. De provincie Kunduz is hierop allerminst een uitzondering.

Na een paar uur googlen vond Kunduz Monitor, in de eerste vier weken van oktober, maar liefst 21 artikelen waarin expliciet wordt verwezen naar politiedeelname aan militaire, veelal offensieve acties, waarbij vermeende opstandelingen werden aangevallen.* De politie trad soms alleen op, maar meestal in samenwerking met Afghaanse en internationale militairen. In totaal gaat het om 130 operaties waarbij 287 opstandelingen zouden zijn gedood en 392 opstandelingen gevangengenomen. Zes artikelen noemen operaties in Kunduz.

Het is mogelijk dat agenten aan sommige van de 130 operaties niet deelnamen. De artikelen waren hier soms vaag over. Daar staat tegenover dat het zeer waarschijnlijk is dat de gevonden artikelen geen volledig beeld geven van alle militaire operaties waaraan agenten deelnamen. Geregeld werd in artikelen bijvoorbeeld alleen verwezen naar Afghaanse veiligheidsdiensten, niet specifiek naar politie. Ook was er soms sprake van mogelijke overlap. Hierdoor konden deze artikelen niet gebruikt worden. Waarschijnlijk ligt het werkelijke aantal operaties een stuk hoger.

Twee voorbeelden uit Kunduz maken duidelijk dat ook hier politie op oorlogspad doodgewoon is. Op 1 oktober vielen agenten, 250 kilometer ten noorden van de provinciehoofdstad en zonder hulp van andere eenheden, een schuilplaats van de Taliban aan. Naar eigen zeggen kwamen daarbij drie opstandelingen om. Een week later voerden agenten in Kunduz-Stad, samen met NAVO-militairen, een andere aanval uit. Vier Talibanleden zouden daarbij zijn gedood.

Overdrijft ISAF zijn succes?

De Taliban overdrijven geregeld de aantallen door hun gedode tegenstanders. Deze oorlogspropaganda is niemand vreemd. Uit een recent verschenen rapport van de Afghanistan Analysts Network blijkt dat er serieuze aanwijzingen zijn dat hun belangrijkste tegenstander, de ISAF, hetzelfde doet.

De in Afghanistan woonachtige onderzoekers Alex Strick van Linschoten en Felix Kuehn analyseerden voor het rapport alle officiële persberichten van de ISAF uit de periode van 1 December 2009 tot 30 September 2011. Duizenden artikelen. Wat hieraan vooral opviel was dat gegevens uit deze persberichten over zogenaamde kill-capture operaties, waarbij ISAF met gerichte aanvallen leiders van de opstandelingen probeert gevangen te nemen of te doden, vaak niet aansloten bij uitlatingen van hoge militairen in andere media over uitgeschakelde leiders. Het succes werd soms stevig overdreven. Begin maart 2011 liet ISAF bijvoorbeeld weten dat in de afgelopen tien maanden 900 leiders van de Taliban waren uitgeschakeld. In de eigen persberichten is dit aantal niet terug te vinden. Strick van Linschoten en Kuehn kwamen slechts tot 215 gevangen en 95 gedode Talibanleiders. Daarnaast werden 180 faciliteerders gevangen en 10 gedood. Soms rekenden ISAF-persberichten faciliteerders, mensen die Talibanleiders bijvoorbeeld onderdak verschaften, ook tot de categorie leiders. Volgens de auteurs is dit zeer ten onrechte. Zelfs als de faciliteerders, die vaak opstandelingen helpen omdat ze door hen bedreigd worden, bij de leiders worden gevoegd, noemde ISAF nog altijd 400 meer uitgeschakelde leiders dan er in de persberichten terug te vinden zijn.

Foto: Eric Heupel (cc)

Twee keer tien jaar oorlog

Vorige week vrijdag was de oorlog in Afghanistan precies tien jaar oud. Zowel in EenVandaag als bij Pauw & Witteman werd die avond hier op teruggekeken en de balans opgemaakt. Wie beide afleveringen heeft gezien moet hebben gedacht dat het om twee verschillende oorlogen ging.

In EenVandaag kwam staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Ben Knapen aan het woord. Zijn eerste opmerking zette meteen de toon: ‘in zekere zin katapulteren wij dit land vanuit de middeleeuwen in de eenentwintigste eeuw.’ Dat kost een hoop tijd, voegde hij meteen toe, maar over honderd jaar zal hier op teruggekeken worden als een ‘eerste stap.’ Van een verloren oorlog was ‘geen sprake.’

Door toename van geweld, (zelfmoord)aanslagen en liquidaties karakteriseren velen de situatie in het land als chaos. Knapen ziet het anders. ‘Chaos gaat me veel te ver.’ Hij interpreteerde de toegenomen zelfmoordaanslagen, via een omweg, zelfs als een lichtpuntje. Ze zouden een ‘zekere wanhoop’ suggereren van de opstandelingen, ‘omdat het niet duidt op grote, georganiseerde offensieven.’

Dat we af en toe toch de indruk hebben dat het bergafwaarts gaat in Afghanistan leek Knapen te wijten aan Talibanpropaganda. Daarom waarschuwde hij dat we het zicht op het grotere geheel niet uit het oog moeten verliezen. ‘Zeker, de Taliban hebben er belang bij om zo veel mogelijk die chaos te accentueren, maar we moeten van al die dingen natuurlijk niet vergeten dat heel veel dingen ook goed gaan.’ Als voorbeeld van een van die vele dingen die goed gaan noemde Knapen dat er stappen zijn gezet ‘om dit land een kans te geven zijn eigen stabiliteit en zijn eigen veiligheid stap voor stap op te bouwen.’

Afghaanse opstandelingen zijn niet ineens modelburgers

Sinds de herfst van 2010 proberen de Afghaanse regering en de internationale troepen, via het Afghan Peace and Reintegration Program (APRP), opstandelingen in de Afghaanse samenleving te re-integreren. In ruil voor het neerleggen van de wapens zouden de opstandelingen gegarandeerde veiligheid en banen krijgen. Tien maanden later, zo blijkt uit een vorige maand verschenen rapport van het Peace Research Institute Oslo, vallen de resultaten van dit programma vies tegen.

De schrijver van het rapport is Deedee Derksen. Zij was tijdens de Nederlandse missie in Uruzgan Afghanistancorrespondent voor de Volkskrant en schreef naar aanleiding daarvan het kritische boek Thee met de Taliban. In het rapport, Peace from the bottom-up?, legt Derksen uit waarom de resultaten van het APRP zo beperkt zijn.

Een van de belangrijkste problemen is te herleiden tot een meningsverschil. Het APRP werd opgezet om gelijktijdig, in parallelle processen, zowel de strijders met lagere rangen te re-integreren als de belangrijkste leiders van de opstandelingen in onderhandelingen tot verzoening met de Afghaanse regering te brengen. President Karzai stond achter deze opzet, maar de internationale troepen, onder leiding van de Verenigde Staten, blokkeerden dit. Zij wilden veel liever eerst alleen de lagere strijders re-integreren. Zij zagen dit als drukmiddel om de leiders van de opstandelingen tot de onderhandelingstafel te dwingen om een vrede op Amerikaanse voorwaarden te accepteren.

Lof voor Amerikaanse ‘night raids’ onterecht

Samen met het opbouwen van de Afghaanse veiligheidsdiensten vormen night raids de Amerikaanse hoop op een vertrek uit Afghanistan zonder al te veel kleerscheuren. Door gerichte, nachtelijke aanvallen door speciale commando’s wordt geprobeerd zo veel mogelijk leiders van de opstandelingen uit te schakelen om zo de huidige patstelling in de oorlog te doorbreken. Met enige trots presenteren de Amerikanen daarom geregeld aantallen opgepakte of gedode Talibanleiders. De Verenigde Staten spreekt vol lof over deze strategie, maar uit een recent verschenen rapport blijkt dat dit zeer onterecht is.

Het grootste kritiekpunt uit dit rapport van de Open Society Foundations en The Liaison Office, dat is gebaseerd op gesprekken met Amerikaanse functionarissen en Afghaanse burgers, is dat deze nachtelijke, onaangekondigde aanvallen steeds meer bewust de burgerbevolking tot doelwit hebben. De Amerikanen hopen zo goede inlichtingen over de vijand te winnen. ‘Als je de gast die je wil niet te pakken krijgt, pak je de gast die hem kent,’ aldus een Amerikaanse officier over hun aanpak. Deze praktijk staat op zeer gespannen voet met het internationaal recht zoals vastgelegd in de Geneefse conventies.

Een concreet voorbeeld uit de provincie Kunduz maakt duidelijk in hoeverre de burgerbevolking doelwit kan zijn. In oktober 2010 werden alle volwassen mannen, zo’n negentig in totaal, in het dorp Otmanzey opgepakt. Hun handen werden vastgebonden en ze werden zeven uur vastgehouden en ondervraagd in de plaatselijke moskee. Een gemaskerde man, door zijn duim omhoog dan wel omlaag te steken, wees vijftien individuen aan voor verdere verhoring op een nabijgelegen basis. Het hebben van een baard, afgedragen schouders (waaraan wapens gehangen kunnen hebben) of handen zonder eelt (waaruit zou blijken dat iemand niet regelmatig op het land werkt) was al genoeg om hiervoor aangemerkt te worden. De vijftien die langer verhoord werden, werden iets later, net als de anderen, ook weer vrijgelaten. Andere dorpen in Kunduz hebben in het recente verleden hetzelfde ondergaan.

De dubbele tong van Hillen

Twee weken geleden bleek uit een interview in Vrij Nederland dat minister van Defensie Hans Hillen de missie in Kunduz ‘vooral militair’ vindt. Deze opmerking ging regelrecht in tegen wat dezelfde minister eerder beweerde, tijdens de Tweede Kamerdebatten in januari dit jaar. Toen had hij nog nadrukkelijk de steun van een aantal oppositiepartijen nodig.

Afgelopen donderdag, in een nieuw debat over de kwestie en onder druk van GroenLinks, de ChristenUnie en D66, kwam hij terug op zijn uitspraken. Het is opeens toch niet een missie ‘in de militaire zin van het woord.’

In hetzelfde debat maakte Hillen nog een opmerking, over de aard van het werk van de Nederlandse militairen in Kunduz, waaruit opnieuw zijn dubbele tong blijkt. ‘Ik zou willen dat het woord ”militair” niet alleen geassocieerd wordt met schieten, kogels en tanks, maar juist met hetgeen onze militairen de afgelopen jaren internationaal hebben laten zien op het punt van ontwikkelingssamenwerking en op het punt van de opbouw van rechtsstatelijkheid,’ aldus Hillen.

Een paar maanden eerder, tijdens een toespraak in Brussel, beweerde hij het totaal tegenovergestelde. De minister was toen nog van mening, aldus het NRC Handelsblad, ‘dat militairen meer moeten vechten en zich minder als ontwikkelingswerkers moeten gedragen.’ In een toelichting op de toespraak voegde hij toe dat ‘militairen weer (moeten) doen waarvoor ze zijn – militaire taken verrichten en militaire successen behalen en tonen.’ Daar werd nog aan toegevoegd dat we ‘als krijgsmacht te veel van ons merk verwijderd geraakt’ zijn. De NAVO zou tenslotte bestaan om ‘vuurtjes uit te trappen, niet om missionaris van de wereld te zijn.’

Amerikaanse ambities obstakel voor vrede in Afghanistan

Tien jaar na de Amerikaanse invasie van Afghanistan is een einde van de oorlog in het land nog altijd niet in beeld. Sterker nog, de huidige, trieste trend is juist dat elk jaar meer slachtoffers worden gemaakt dan het jaar ervoor terwijl serieuze vredesonderhandelingen uitblijven. Het belangrijkste obstakel voor het starten van een proces van politieke verzoening, aldus de Amerikaanse regering, zijn de banden die de Taliban in Afghanistan onderhouden met Al-Qaida, de organisatie achter de aanslagen van 11 september 2001. Wie zich in het onderwerp verdiept valt echter op dat Amerikaanse geopolitieke ambities minimaal een even grote hindernis vormen.

Op 2 mei 2011, de dag dat Al-Qaida-leider Osama bin Laden werd gedood, liet de trotse Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton weten dat de Verenigde Staten zal ‘doorgaan met het bevechten van Al-Qaida en hun Talibanbondgenoten.’ Zij die geloofden dat Bin Ladens dood een nieuwe kans op vrede was, kwamen bedrogen uit. ‘Onze boodschap aan de Taliban blijft hetzelfde,’ ging Clinton verder, ‘jullie kunnen niet wachten tot we vertrekken, jullie kunnen ons niet verslaan, maar jullie kunnen de keuze maken om Al-Qaida te verlaten en deel te nemen in een vreedzaam politiek proces.’ Doordat de Taliban tot op de dag van vandaag weigeren te breken met Al-Qaida sleept de oorlog zich voort, zo luidt het Amerikaanse verwijt.

Nederland leidt duizenden soft targets op

Uit recent gepubliceerde ISAF-cijfers blijkt eens te meer dat agenten aan regeringszijde verreweg de hardste klappen vangen in de oorlog in Afghanistan. Afgelopen jaar werden 1555 agenten gedood, meer dan twee keer zoveel als Afghaanse militairen, ook al zijn er 35 duizend minder agenten in het land. In dezelfde periode kwamen 474 Amerikaanse soldaten om.

Aangezien de agenten korter getraind en slechter uitgerust worden dan de militairen, verbazen deze cijfers niet. Terwijl militairen rondrijden in gepantserde Humvee’s, moeten de agenten het doorgaans doen met pick-ups, die maar weinig bescherming tegen bermbommen bieden. Daarnaast worden militairen in stevige barakken gehuisvest terwijl agenten geregeld op afgelegen, moeilijk te verdedigen posten worden gestationeerd. De agenten vormen dan ook gemakkelijke doelwitten voor de opstandelingen. Bij de NAVO-troepen staan ze daarom bekend als soft targets.

Dat ook in Kunduz agenten gemakkelijke doelwitten zijn bleek onlangs nog.  Op 29 augustus doodde een bermbom drie agenten en verwondde een vierde. De Taliban hebben de verantwoordelijkheid voor de aanslag geclaimd. Nederland stelt zich tot doel om in drie jaar tijd zo’n vijf duizend van deze soft targets op te leiden in Kunduz.

De NAVO geeft aan zich het lot van de agenten aan te trekken en wil hen daarom met 3400 extra Humvee’s uitrusten. Het is echter de vraag hoeveel effect dit zal hebben. Het afgelopen jaar heeft de politie al duizend van deze voertuigen gekregen, maar die konden niet voorkomen dat verreweg de meeste slachtoffers onder de agenten vielen. En 4400 Humvee’s op een geschatte politiemacht van 135 duizend agenten – niemand weet precies hoeveel agenten er zijn – is beperkt. Kortom, er zullen voorlopig genoeg soft targets voor de Taliban overblijven.

Niet-vechten in Kunduz: losse definities

Tijdens het debat begin dit jaar waarin tot de missie in Kunduz werd besloten, werd klare taal gebruikt over de bevoegdheden van de door Nederlandse militairen op te leiden Afghaanse agenten. Zij mogen, aldus André Rouvoet van de ChristenUnie, ‘niet schouder aan schouder met het Afghaanse leger tegen de Taliban vechten’ en zullen ‘niet gemandateerd zijn om militaire taken uit te voeren.’ Jolande Sap van GroenLinks eiste en kreeg van premier Rutte de keiharde garantie ‘dat de agenten in de praktijk alleen voor civiele taken worden ingezet.’ Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat agenten ‘offensieve of militaire acties’ uitvoeren, aldus Sap.

In de zeven maanden sinds het debat is zeer ter discussie komen te staan wat deze ‘keiharde garantie’ nog waard is. Halverwege februari bleek uit een artikel in de Volkskrant al dat agenten in Kunduz juist graag willen vechten en niets zien in de Nederlandse voorwaarde dat dat niet mag. ‘Aan politie die alleen achter winkeldieven aangaat en door de straten patrouilleert, is weinig behoefte in Afghanistan,’ aldus de agenten.

Twee maanden later citeerde dagblad Trouw de plaatsvervangend politiecommandant van Kunduz, Abdurrahman Aktash. ‘De ervaring leert dat de politie in Kunduz vaker in gevecht raakt met de Taliban dan het Afghaanse leger,’ liet hij de krant weten. Dat de agenten soms moeten vechten noemt Aktash ‘de realiteit van vandaag.’

Afghanistanoorlog duurt nog 13 jaar

Hoewel het al geruime tijd bepaald geen geheim is dat de huidige officiële ‘deadline’ voor de NAVO-oorlog in Afghanistan een dode letter is, werd recent duidelijk dat de Amerikaanse deelname aan de oorlog mogelijk nog minimaal dertien jaar duurt.

De Britse krant The Daily Telegraph schrijft dat de Verenigde Staten en Afghanistan op het punt staan een deal te sluiten die Amerikaanse soldaten toestaat in het land te blijven tot 2024. De overeenkomst zou er niet alleen in voorzien dat Amerikaanse militaire trainers in Afghanistan achterblijven, maar ook special forces en een luchtmacht. De aanhangers van het Karzai-regime willen dit graag, want zij voelen aan hun water aan dat zij het zonder westerse steun niet lang volhouden tegen de opstandelingen.

De Taliban zijn op hun beurt fel gekant tegen de deal. Hun standpunt is al jaren dat vrede slechts mogelijk is als alle buitenlandse militairen het land verlaten. Een deelnemer aan Karzai’s vredesraad liet The Daily Telegraph weten dat het vooruitzicht op een dergelijk akkoord de opstand van de Taliban zijns inziens heeft geïntensiveerd. De voor de hand liggende vraag is dan ook waarom de Verenigde Staten desondanks streeft naar een permanente militaire aanwezigheid in Afghanistan.

Een deze maand verschenen studie van de Amerikaanse denktank RAND biedt hier een mogelijk antwoord. De auteurs James Shinn en James Dobbins, beiden oudgedienden onder George W. Bush, suggereren dat een dergelijke deal een drukmiddel is om de Taliban aan de onderhandelingstafel te krijgen. Hun argument is dat de Verenigde Staten, nu is begonnen met de terugtrekking uit Afghanistan, anders geen stok achter de deur meer heeft. Alleen als de Taliban van mening zijn dat hun vijanden na 2014 nog altijd in Afghanistan zitten, zullen zij interesse hebben in onderhandelingen. Zonder dit vooruitzicht hoeven ze maar een paar jaar te wachten tot de NAVO-troepen weg zijn. De auteurs bevelen dan ook aan, ook al moedigen ze vredesonderhandelingen met de Taliban aan en geloven ze dat een akkoord mogelijk is, dat de Verenigde Staten zich voorbereidt om voor onbepaalde tijd te blijven.

Foto: Eric Heupel (cc)

2014 geen deadline voor de oorlog in Afghanistan

Vorige maand begon de vooral symbolische overdracht van verantwoordelijkheden voor de veiligheid in Afghanistan. 2014 moet het jaar worden waarin de Afghanen volledig verantwoordelijk zullen zijn voor de eigen veiligheid, aldus de huidige westerse consensus. Deze deadline, die politiek gedreven lijkt en waar velen ernstig aan twijfelen, betekent echter allerminst dat alle westerse militairen in 2014 het land zullen hebben verlaten.

In februari dit jaar bijvoorbeeld, liet de Afghaanse president Hamid Karzai de in Kabul verzamelde pers weten dat de Amerikaanse regering achter de schermen met hem onderhandelt. De Amerikanen willen een permanente militaire aanwezigheid in Afghanistan om de Taliban en Al-Qaida aan te kunnen blijven vallen. Een paar maanden later, in juni, schreef de Britse krant de Guardian hierover dat ‘minimaal vijf bases in Afghanistan waarschijnlijke kandidaten zijn om grote contingenten Amerikaanse commando’s, inlichtingenmedewerkers en militaire hardware na 2014 te huisvesten’.De Amerikaanse regering en de NAVO maken er publiekelijk bepaald geen geheim van dat 2014 geen einde betekent van de westerse militaire aanwezigheid in Afghanistan. Eveneens in juni liet de inmiddels gepensioneerde Amerikaanse minister van Defensie Bob Gates weten dat de Verenigde Staten streeft naar met de Afghanen gedeelde ‘gezamenlijke bases.’ Volgens Gates zijn bases die volledig in handen zijn van de Verenigde Staten een ‘magneet voor moeilijkheden.’ Vandaar de voorkeur voor de term gezamenlijke bases, die, aldus Gates, ‘acceptabeler voor het Afghaanse volk’ zijn. De Canadese commandant van de NAVO-trainingsmissie in Afghanistan William Caldwell schat in dat in 2014 zijn missie nog altijd over de helft van het aantal trainers die het momenteel in dienst heeft zal beschikken, zo’n 2500 man.

Volgende