Soms publiceert de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) een belangrijk rapport, en 14 oktober publiceerde de Academie er maar liefst twee tegelijk: een over de academische vrijheid en een over de vrijheid van meningsuiting voor wetenschappers. Beide rapporten zijn sterke verdedigingen van de wetenschap en waar de wetenschapper voor staat. Het rapport over academische vrijheid is vooral een pleidooi om deze vrijheid te verankeren in de wet en dan nog liever in de grondwet, als een belangrijke vrijheid die aparte bescherming verdient. Dat over de vrijheid van meningsuiting is een krachtig pleidooi dat wetenschappers moeten kunnen deelnemen aan het wetenschappelijke debat, ook over onderwerpen die buiten de grenzen van hun specifieke expertise liggen, zolang ze duidelijk blijven maken waar die grenzen precies liggen.
Het zijn allebei heldere en verstandige documenten en ik hoop van harte dat de aanbevelingen die erin gegeven worden opgevolgd worden.
Ik heb er ook veel van geleerd. Mij was in de Nederlandse discussie over academische vrijheid nooit zo duidelijk waarom die vrijheid beperkt zou blijven tot medewerkers van de universiteiten en de instituten van KNAW en NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Zijn er niet veel meer onderzoekers, en moet hun vrijheid niet net zo goed worden gewaarborgd? Dit rapport maakt duidelijk dat de vrijheid van alle onderzoekers ‘wetenschappelijke vrijheid’ heet – die wordt bijvoorbeeld in Duitsland wettelijk gewaarborgd voor iedereen. De belangrijkste reden waarom de KNAW-rapporten er niet over gaan is kennelijk dat dit niet de opdracht was die de politiek gaf.
Instrumenten
Toch is dat jammer: de aandacht voor de wetenschap wordt zo beperkt tot degenen die haar officieel beoefenen, in door de staat erkende instellingen. Het pleidooi voor verankering van de academische vrijheid in de Grondwet is onder andere ingegeven door zorgen over deze vrijheid. Ze verankeren biedt dan tenminste een beetje steun. Maar de vraag is dan of het niet nog beter is om dit te doen gelden voor de wetenschappelijke vrijheid: het recht van iedere burger om tot op de bodem uit te zoeken hoe het zit. Mij lijkt dat eigenlijk beter dan het recht op academische vrijheid in strikte zin, want een overheid kan op een triviale manier aan dat recht voldoen door alle academische instellingen af te schaffen.
Nog beter zou het zijn om een stap verder te gaan: een recht op wetenschap.
Niet iedereen heeft genoeg tijd, middelen of capaciteiten om zelf onderzoek te doen. Maar wel zou iedere Nederlandse burger toegang moeten hebben tot alle resultaten van het onderzoek: alle publicaties, alle databases, maar ook bijvoorbeeld al het cursusmateriaal zoals het in het hoger onderwijs gebruikt wordt. Er is vooral de laatste tien jaar al redelijk wat vooruitgang geboekt met dit ideaal, onder de noemer van open science, maar het zou geen kwaad kunnen om ook dit wat beter te verankeren in de wet (‘de overheid bevordert ieders vrije toegang tot de resultaten van wetenschappelijk onderzoek’) en de politiek het belang hiervan duidelijk te maken.
In een interview met NRC zei Ineke Sluiter, voorzitter van de commissie over de vrijheid van meningsuiting, gisteren:
Beter is het om waakzaamheid van iedereen te bevorderen. Niet zozeer de weerbare democratie, maar de weerbare democraat. Dat geldt net zo goed in de wetenschap en het onderwijs.
Zo is het precies. Wetenschap en onderwijs zijn zelfs instrumenten in het bevorderen van die waakzaamheid en weerbaarheid. Maar dan moeten we wel iedere democraat er zoveel mogelijk toegang toe geven.