Ierland moet binnenkort twee keer voetballen tegen Israël. Bondscoach Heimir Hallgrímsson heeft daar begrijpelijk weinig trek in. “We spelen niet mét genocide, we spelen tégen genocide”, zei hij.
De Israëlische voetbalbond reageerde verontwaardigd, met een merkwaardig verweer: “We hebben op talloze gebieden bijgedragen aan de wereld en mensheid en daarbij een indrukwekkend aantal Nobelprijzen in de wacht gesleept.” Vervolgens kreeg Hallgrímsson het verwijt dom, onwetend en hypocriet te zijn.
Vooral dat woordje “we” verdient aandacht.
Israël zelf heeft namelijk veertien Nobelprijswinnaars voortgebracht. Dat is natuurlijk niet niets, maar ook niet per se iets om jezelf zo over op de borst te kloppen. Het aantal Joodse Nobelprijswinnaars wereldwijd daarentegen ligt boven de tweehonderd, en dat is inderdaad opmerkelijk. Wanneer de Israëlische voetbalbond in reactie op kritiek op Israël begint over het “indrukwekkende aantal Nobelprijzen” dat “we” hebben gewonnen, wordt dus op zijn minst de suggestie gewekt dat de prestaties van Joden wereldwijd onderdeel zijn van een Israëlisch collectief.
Dat past bij de manier waarop Israël zichzelf officieel definieert. Israël heeft geen formele grondwet. De Basiswetten hebben er constitutionele status en vormen samen het constitutionele raamwerk van de staat. Een van die wetten bepaalt sinds 2018 expliciet dat Israël de natiestaat van het Joodse volk is. Diezelfde Basiswet draagt de Israëlische staat op de banden met “leden van het Joodse volk” in de diaspora te versterken en hun culturele, historische en religieuze erfgoed te helpen bewaren. De politieke koppeling tussen Israël en Joden buiten Israël is dus formeel in de staatsinrichting vastgelegd.
Daar zit ook een antisemitisch mechanisme in. Antisemitisme behandelt Joden immers als één collectief waaraan eigenschappen, belangen en verantwoordelijkheid kunnen worden toegeschreven. Israël versterkt precies dat denkbeeld wanneer het Joden buiten Israël in zijn eigen “wij” trekt.
Als Joodse wetenschappers in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië of Duitsland ineens onderdeel zijn van dat Israëlische “wij” zodra hun Nobelprijzen goed uitkomen, worden zij tegelijk verbonden aan een politieke staat waarvan zij helemaal geen deel hoeven uit te maken.
Daarmee worden niet alleen positieve eigenschappen gekoppeld aan alle Joden, zoals wetenschappelijke prestaties en Nobelprijzen. Via hetzelfde “wij” ontstaat ook een verbinding met de daden van de Israëlische staat. Inclusief de genocide in Gaza.
Zo bezien kun je zelfs stellen dat Israël zélf antisemitisch handelt. Omdat Israël zelf een van de basale antisemitische denkbeelden reproduceert: dat Joden overal ter wereld één collectief vormen.
Een Jood in Amsterdam, New York of Londen heeft natuurlijk niets te maken met besluiten van Netanyahu, het Israëlische kabinet of het Israëlische leger. Toch maakt de Israëlische staatsopvatting hem of haar voortdurend onderdeel van hetzelfde wereldwijde “Joodse volk” waarvan Israël zegt de natiestaat te zijn.
De Israëlische voetbalbond laat zien waar dat toe leidt. Bij Nobelprijzen zijn de prestaties van Joden wereldwijd plotseling onderdeel van “ons”. Zodra iemand vervolgens Joden aankijkt op wat Israël doet, wordt dezelfde vereenzelviging terecht als antisemitisch herkend.
Het politieke nut van die vervaging is moeilijk te missen. Wie Israël presenteert als politieke vertegenwoordiger van alle Joden, kan kritiek op Israël vervolgens gemakkelijker voorstellen als een aanval op Joden en dus als antisemitisme. Dat gebeurt in de praktijk ook: mensenrechtenorganisaties hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat beschuldigingen van antisemitisme worden gebruikt om kritiek op Israël en steun voor Palestijnse rechten te delegitimeren of zelfs te onderdrukken. Zo werkt de vereenzelviging twee kanten op. Bij Nobelprijzen levert ze Israël prestige op, bij kritiek een schild.