Meerderheidskabinetten zijn niet meer van deze tijd

Partijleiders en toekomstige informateurs zouden een minderheidskabinet als een reële uitkomst van de volgende formatie moeten accepteren, betogen Sarah de Lange en Erie Tanja, die op Stuk Rood Vlees de voordelen van een minderheidskabinet benoemen.

Naar alle verwachting staat Nederland na de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 een ongekend gecompliceerde coalitievorming te wachten als gevolg van twee politieke ontwikkelingen: de aanwezigheid van meer middelgrote partijen in het parlement (politieke versnippering) en beweeglijk stemgedrag van kiezers (volatiliteit). Om te zorgen dat een volgend kabinet daadkrachtig én responsief kan optreden is het de tijd om de in Nederland ongebruikelijke figuur van het minderheidskabinet een hernieuwde, en serieuze kans te geven.

Leegloop van het midden

In heel Europa staan bestaande partijsystemen onder druk. Kiezers verlaten en masse gevestigde partijen voor nieuwe partijen van groene of populistische signatuur. Dit zorgt voor verrassende verkiezingsuitslagen waarbij nieuwkomers grote aanhang verwerven ten koste van bestaande partijen. Het zorgt vooral ook voor ingewikkeldere coalitievorming.

Zo zorgden de Spaanse verkiezingen van december 2015 voor winst van de nieuwe partijen Podemos en Ciudadanos. Als gevolg van deze winst was er voor het eerst in decennia geen absolute meerderheid voor de conservatieve Partido Popular of de sociaaldemocratische Partido Socialista Obrero Español, de twee gevestigde partijen die sinds de vestiging van de democratie om beurten hadden geregeerd. Mislukte coalitieonderhandelingen maakten het uitschrijven van een nieuwe ronde verkiezingen noodzakelijk. De nieuwe verkiezingen op 26 juni 2016 leverden vrijwel dezelfde uitslag.

In Ierland kwam onlangs, nadat de gevestigde partijen Fianna Fáil en Fine Gael de verkiezingen hadden verloren, na moeizame onderhandelingen een minderheidskabinet tot stand onder leiding van de laatste partij. Historisch gezien zijn meerderheidscoalities of een absolute meerderheid voor een partij in Ierland echter gebruikelijk. Ook de recente ervaringen met een coalitieregering in Groot-Brittannië, de anti-establishment coalitie in Griekenland en de 541 dagen durende formatie in België horen in dit rijtje ongewone of moeizame coalities en formatieprocessen thuis.

Ook in Nederland is de verwachting dat na de volgende Tweede Kamerverkiezingen een ingewikkeld formatieproces wacht. Peilingen laten een hoge mate van versnippering zien. De prognose van de Peilingwijzer (een aggregatie van alle individuele peilingen) is op dit moment dat ten minste vier partijen 10 of meer procent van de stemmen zullen halen (VVD, D66, SP, CDA) met twee daar dicht in de buurt (PvdA, GL) met slechts één partij (de PVV) op meer dan 20 procent van de stemmen. Op basis van de peilingen valt te verwachten dat er op zijn minst vier partijen voor een ‘regulier’ meerderheidskabinet nodig zijn –ook gelet op de huidige samenstelling van de Eerste Kamer. Een onderhandelingsproces met vier partijen compliceert de coalitievorming en leidt – indien men hierin slaagt – onherroepelijk tot een breed kabinet met bijbehorende nadelen. Bovendien bestaat de kans dat de meeste middelgrote partijen niet met de PVV in zee willen gaan, wat de formatie verder zou compliceren.

Verkeerde diagnose

De gecompliceerde coalitievorming is een gevolg van twee politieke fenomenen die zich in Nederland en elders in Europa voordoen: de aanwezigheid van meer middelgrote partijen in het parlement (politieke versnippering) en beweeglijk stemgedrag van kiezers (volatiliteit). De Raad voor het openbaar bestuur (Rob) roept (in)formateurs en partijen op in een recent verschenen signalement met deze beide verschijnselen rekening te houden in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen en de daaropvolgende formatie.

De aanleiding voor dit betoog was het wegnemen van verkeerde aannames over oorzaken en gevolgen van politieke versnippering op basis van recente wetenschappelijke inzichten. De Raad is van mening dat in het publieke debat medicijnen worden aangedragen voor een verkeerd gediagnosticeerde ziekte. De focus in het debat over politieke versnippering ligt namelijk sterk op het aantal partijen in het parlement, terwijl het aantal niet direct het probleem is. Aangedragen oplossingen, zoals het invoeren van een kiesdrempel, zijn geen oplossing omdat deze in dit eerste plaats het doel hebben om het aantal partijen terug te dringen.

Versnippering en volatiliteit in Nederland

Het aantal partijen in de Tweede Kamer schommelt al vrij lang rond de tussen de negen en de elf partijen met een uitschieter naar 12 in 1994 (zie tabel 1). Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat momenteel vijf fracties/groepen als gevolg van afsplitsingen bestaan, maar het verleden leert dat afsplitsingen slechts bij uitzondering als nieuwe partij succesvol zijn bij de daaropvolgende verkiezingen.

Politieke versnippering bestaat echter uit twee aspecten: het aantal partijen in de volksvertegenwoordiging én de zetelverdeling over deze partijen. Door te kijken naar de verhouding tussen zetelaantal en het aantal partijen kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel partijen een significante rol bij coalitievorming kunnen spelen (door politicologen het ‘effectief aantal parlementaire partijen’ genoemd). Dit verhoudingsgetal is Nederland sinds 1989 duidelijk gestegen, van 3,8 naar 6,7 in 2010 (zie tabel 1). Dat betekent in de praktijk dat er meer middelgrote partijen zijn dan voorheen en er dus meer partijen nodig zijn om een meerderheidscoalitie te vormen.

Veranderd stemgedrag van kiezers zorgt voor dit veranderd politiek landschap. Kiezers wisselen vaker van partij – weliswaar binnen een palet van enkele partijen dat past bij hun achterliggende politieke voorkeuren. Zij bepalen hun stem op andere manieren en op basis van andere politieke thema’s dan tot in de jaren tachtig gebruikelijk was. Deze electorale volatiliteit is in Nederland sinds 1994 hoog, zelfs de hoogste van West-Europa. Dit is zowel het geval als gekeken wordt naar het stemgedrag van individuele kiezers, als naar de daadwerkelijke verschuivingen in zetelverdeling als gevolg daarvan. Door de hogere volatiliteit is de uitkomst van verkiezingen minder voorspelbaar voor partijen en kiezers. Stijgende volatiliteit is vanuit democratisch perspectief overigens een allerminst onwenselijke ontwikkeling, want het wijst op bewust gedrag van geëmancipeerde kiezers. Vanuit datzelfde democratische perspectief is er ook geen reden om de eveneens zichtbare terugloop van de aanhang van de gevestigde partijen, in het bijzonder VVD, CDA en PvdA, met argwaan te bezien.

Tabel: Versnippering en volatiliteit

Aantal partijen Aantal effectieve partijen Aandeel gevestigde partijen (CDA + PvdA + VVD) Volatiliteit
1982 12 4 85% 9,4
1986 9 3,5 89% 10,2
1989 9 3,8 83% 4,7
1994 12 5,4 68% 21,5
1998 9 4,8 75% 16,6
2002 10 5,8 60% 30,7
2003 9 4,7 76% 16
2006 10 5,5 64% 20,3
2010 10 6,7 55% 22,4
2012 11 5,9 61% 15,9

Welke gevolgen hebben volatiliteit en versnippering?

Dit alles maakt coalitievorming ingewikkelder. Bij meer(dere) middelgrote partijen is het aantal mogelijke coalities groter. Het ontbreken van een duidelijke middenpartij die de coalitievorming domineert – zoals voorheen het CDA – is een bijkomend probleem. Gelet op de huidige samenstelling van de Eerste Kamer en de peilingen voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn na de volgende verkiezingen vier partijen nodig zijn om een kabinet te vormen dat zich van steun in beide Kamers verzekerd weet. Dit gegeven compliceert allereerst sterk het onderhandelingsproces in de formatie. Met meer partners is het in beginsel lastiger onderhandelen, zeker naar mate deze qua denkbeelden verder uit elkaar liggen. Zelfs een coalitie van vijf partijen is niet langer ondenkbaar.

Een vier- of vijfpartijenkabinet zou in het pluriforme Nederlandse partijlandschap ook meteen een breed kabinet zijn. Dat heeft bepaalde gevolgen. Dit soort kabinetten zijn weinig herkenbaar voor de kiezer, kennen door de diverse samenstelling een grotere kans op conflict en tellen vaak veel ministers wat daadkracht niet ten goede komt. Kiezers kunnen via het stembiljet echter geen voorkeur voor een bepaalde coalitie uitspreken. Op basis van de conventie dat de grootste partij de premier levert kunnen kiezers enkel beïnvloeden wie het kabinet zou moeten leiden. De beperkte invloed die kiezers – überhaupt – via verkiezingen kunnen uitoefenen past dan ook slecht bij de wens van veel burgers voor meer inspraak.

Minderheidskabinetten

Gezien al deze ontwikkelingen is de tijd rijp om twee in Nederland ongewone politieke constructies in ogenschouw te nemen: de inzet van stembusakkoorden en het formeren van een minderheidskabinet.

Een echt minderheidskabinet, op Scandinavische leest geschoeid, is een goed antwoord op de gevolgen van de huidige volatiliteit en fragmentatie. Een dergelijk minderheidskabinet ondervangt de nadelen van een (te) breed meerderheidskabinet. In de eerste plaats is de herkenbaarheid voor de kiezer relatief groot. Het minderheidskabinet is namelijk over het algemeen meer ideologisch herkenbaar doordat er slechts twee (of drie) partijen deel van uitmaken. Doordat een dergelijk kabinet bovendien met andere politieke partijen moet samenwerken (om een meerderheid te krijgen), komt het daardoor bovendien tegemoet komen aan de politieke voorkeuren van grotere groepen kiezers. Hun voorkeuren moeten immers ook in de uiteindelijke besluitvorming meegewogen worden.

Ten tweede kan een minderheidskabinet door de flexibiliteit het makkelijker op nieuwe (politieke) omstandigheden inspelen, zoals een gewijzigde samenstelling van de Eerste Kamer of de opkomst van nieuwe issues.

Het veelgehoorde nadeel van minderheidskabinetten en het zoeken naar flexibele meerderheden zou zijn dat deze kabinetten instabieler zijn. Het Scandinavische voorbeeld leert ons dat dit niet het geval is. Minderheidskabinetten zitten in bijvoorbeeld Denemarken, Noorwegen en Zweden doorgaans langer dan meerderheidskabinetten in Nederland. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze landen eenkamerstelsels hebben, wat de stabiliteit van de minderheidsregeringen ten goede komt. De informateur(s) zouden daarom in Nederland erop moeten letten dat een effectief minderheidskabinet tot stand komt dat voor begroting en eventuele hervormingsplannen van voldoende steun verzekerd is.

Voor velen passen minderheidskabinetten niet in de Nederlandse politieke cultuur, die gericht is op consensus en waarin men gewend is om te kunnen rekenen op de zekerheid van een vaste meerderheid. De ervaringen met het kabinet-Rutte I hebben – onterecht gelet op de bijzondere ontstaansgeschiedenis en het karakter van dit kabinet – de scepsis over minderheidskabinetten versterkt. Een succesvol minderheidskabinet vereist daarom een cultuuromslag: de vereiste flexibiliteit kan alleen worden bereikt als de traditie van relatief ‘dichtgetimmerde’ regeerakkoorden wordt verlaten, en fracties leren omgaan met nieuwe verhoudingen tussen regering en oppositie.

Stembusakkoorden

Met het inzetten van stembusakkoorden door politieke partijen kan bovendien de invloed van de kiezer op de coalitievorming worden vergroot. Bij een dergelijk stembusakkoord geven partijen vooraf aan met welke partijen ze rondom welke thema’s willen samenwerken in een nieuw kabinet. Zo wordt de coalitiestrijd in de formatie deels naar voren gehaald. De kiezer kan zijn stem mede laten beïnvloeden door zijn voorkeur voor een bepaalde coalitie. Diens invloed op de daadwerkelijke coalitie blijft beperkt – de uitslag blijft ongewis en nadere onderhandelingen altijd nodig – maar is wel groter.

Onderzoek toont aan dat het negatieve gevolgen van een meerpartijenstelsel zoals het Nederlandse, met onduidelijkheid over de uitkomst van de coalitievorming en daaraan gerelateerd vaak een iets lagere opkomst, door stembusakkoorden kunnen worden verzacht. Ook hierbij geldt dat ervaringen in Scandinavië positief zijn voor wat betreft het effect van stembusakkoorden op de samenstelling van de coalitie en daarmee de invloed van de kiezer hierop.

Net als voor minderheidskabinetten geldt echter dat in Nederland geen cultuur van stembusakkoorden bestaat. Alleen begin jaren zeventig is hiertoe een poging gedaan met als resultaat het extraparlementaire kabinet-Den Uyl. De inzet van stembusakkoorden vereist net als een eventueel minderheidskabinet een aanpassing van de gebruikelijke politieke cultuur, zij het op minder ingrijpende wijze dan bij de vorming van een minderheidskabinet. Het vraagt van politieke partijen dat zij (nog meer) openheid van zaken geven over hun politieke speerpunten en gewenste samenwerkingspartners, en dat zij zich vooraf durven te committeren aan een verkiezingsuitslag (waarbij de uitkomst ondanks de peilingen toch nog ongewis is). Daarbij moeten stembusakkoorden zowel voldoende helderheid bieden over de gewenste samenwerkingspartners en thema’s als ruimte laten voor overleg met andere partijen. Deze akkoorden gaan in de kern dus om samenwerking op een klein aantal punten van strategische aard met een vast aantal partners.

Hoe nu verder?

Partijleiders en toekomstige informateurs zouden een minderheidskabinet als een reële uitkomst van de volgende formatie moeten accepteren. Nu de Kamer zelf de informateur(s) benoemt, heeft zij zelf de sleutel in handen om een dergelijk kabinet te realiseren. Onwennigheid met het fenomeen minderheidskabinet hoeft geen drempel te zijn om deze mogelijkheid op voorhand te schrappen. Het vraagt hoogstens het behoedzamer opereren van partijen en personen, zowel in de formatie zelf als tijdens het verkiezingsproces. Ook voor het functioneren van een minderheidskabinet zijn goede onderlinge relaties immers essentieel. Een dergelijk minderheidskabinet kan – tegenover een mogelijk relatief sterk versnipperde Tweede Kamer – naar vermoeden daadkrachtiger optreden dan een breed meerderheidskabinet waarin (te grote) ideologische verschillen tot veel compromissen en te weinig herkenbaarheid leiden.

De grotere herkenbaarheid van minderheidskabinetten kan bovendien positieve invloed hebben op de ervaren responsiviteit bij burgers van het handelen van bestuurders en politici. Het SCP schetste in 2015 dat de politieke onvrede van burgers zich voor een belangrijk deel richt op het (ervaren) gebrek aan politieke responsiviteit. Zij vragen als reactie daarop om meer directe invloed als aanvulling op de representatieve democratie. De Raad voor het openbaar bestuur pleit al geruime tijd, zoals in het advies Vertrouwen op democratie, voor het op diverse manieren vergroten van de invloed van burgers op beleid, besluitvorming en de keuze voor politieke leiders.

Het sluiten van stembusakkoorden kan helpen bij het (licht) vergroten van de invloed van burgers, doordat zij een mogelijke coalitievorming kunnen sturen. Daarbij moet wel de kanttekening geplaatst worden dat nooit alle kiezers ‘hun zin’ kunnen of zullen krijgen. Het werken met stembusakkoorden vereist bovendien dat politieke partijen nu al actie ondernemen: namelijk door bij het opstellen van partijpolitieke programma’s al rekening te houden met hun gewenste coalitiepartner(s) door na te denken over strategische thema’s en hete hangijzers, zoals bijvoorbeeld gebeurde voorafgaand aan de vorming van het eerste paarse kabinet.

Dit artikel verscheen eerder op Stuk Rood Vlees.

  1. 1

    “Naar alle verwachting staat Nederland na de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 een ongekend gecompliceerde coalitievorming”

    Was dat niet ook al het sentiment voor de vorige verkiezingen? Door handige electorale beeldvorming kwam er uiteindelijk een ruime meerderheid voor VVD-PvdA.

    Ik durf de stelling wel aan dat het volgende kabinet gevormd zal worden door VVD-D66-CDA, drie rechtse natuurlijke partners, waarbij D66 traditiegetrouw voor de opvulling mag zorgen in een kabinet dat het huidige conservatieve VVD-beleid gewoon voortzet.

  2. 2

    In feite is Rutte 2 ook een minderheidskabinet. Ze hebben immers geen meerderheid in de 1e kamer. Meerderheidskabinetten zijn al verleden tijd! Dat komt omdat de politieke dealtjes tegenwoordig ook met een schuin oog naar de 1e kamer worden gesloten.

    Ik neem aan dat ik niks nieuws vertel. Dus vraag ik mij af waar het artikel in feite over gaat.

    Met het oog op de verkiezingen volgend jaar is het dus verstandig om eerst eens naar de samenstelling van de 1e kamer te kijken. Daar hoeft geen meerderheid behaalt, maar op ónderdelen is die meerderheid in de 1e kamer wel nodig.

    Wie naar de 1e kamer kijkt ziet 6 middelgrote partijen.

    VVD (13)
    CDA (12)
    D66 (10)
    PVV (9)
    SP (9)
    PvdA (8)

    Het nieuwe kabinet zal toch minstens steun moeten hebben van zo’ n 30 zetels. De resterende 8 zetels steun zal bij de kleine partijen geshopt moeten worden.

    Het nieuwe kabinet zal dus bestaan uit een deel van bovengenoemde 6 partijen. PVV kunnen we direct uitsluiten. Daar zal niemand zijn vingers aan willen branden. SP is moeilijk in de omgang, kabinetsdeelname ligt niet voor de hand en zou ook uniek zijn. Een links kabinet zit er sowieso niet in, gezien de samenstelling van de 1e kamer.

    Blijft over VVD, CDA, D66 en PvdA. Deze partijen zullen de kern worden van het nieuwe kabinet. Waarbij afhankelijk van de uitslag van de 2e kamer één van de 4 zal afvallen. Aanvulling tot een meerderheid in de 2e kamer kan geschieden middels een van de kleine partijtjes. Of wellicht een of andere gedoogconstructie.

  3. 4

    Tijd dat we onze politici op studiereis naar Scandinavië sturen. Dan kunnen ze daar leren hoe je ook met minderheidskabinetten de eindstreep haalt. Al te veel vervroegde verkiezingen geven alleen nog meer versnippering en volatiliteit. Verder misschien handig als politici niet te veel beloften doen. Dat schept alleen maar weer te hoge verwachtingen bij de kiezer die vervolgens weer teleur gesteld wordt en naar een nieuwe partij op zoek gaat.

  4. 5

    @3

    Ik vertrouw er op dat in het CDA nog een aantal mensen met een geweten zit. Bij het rommelkabinetje met Wilders spleet het CDA bijna in tweeën. Bovendien strandde dat kabinet al snel toen Geertje moest leveren.

    Daarnaast weten we dat Geert gaandeweg altijd weer wat tweede kamerleden kwijt raakt. Hoeveel is hij er nu al weer kwijt?

  5. 6

    We hebben al een minderheidskabinet gehad en dat was niet bepaald een succes. De populisten staan wel altijd hoog in de tussentijdse peilingen, maar bij de werkelijke verkiezingen hebben ze keer op keer alleen maar verloren. Het enige onzekere is dat DENK daar bij is gekomen, als die religieuze steun krijgen, dan kan de PvdA nog wel verder wegzakken.

    PvdA en VVD zullen wel wat verliezen omdat ze constant met elkaar compromissen moeten sluiten en daardoor inboeten aan de eigen identiteit, maar uiteindelijk zal het verlies echter niet zo erg zijn als in de peilingen. Daarbij trekt de economie aan, neemt de werkeloosheid af en zakt ook de vluchtelingencrisis af. Dit kabinet heeft ons uiteindelijk prima door de crisis heen geholpen en dat zal uiteindelijk grotendeels ook erkend worden. Met CDA, D66 en of GroenLinks erbij komen ze er wel.

  6. 7

    “Het ontbreken van een duidelijke middenpartij die de coalitievorming domineert – zoals voorheen het CDA – is een bijkomend probleem.”

    VVD, CDA, D66 en PvdA zitten tegenwoordig allemaal iets rechts van het midden (VVD en CDA wat meer naar rechts dan de andere 2) maar zijn al lang geleden hun idealen kwijtgeraakt en hebben weinig of geen band meer met het grootste deel van de vroegere achterban. VVD en PvdA zitten er alleen nog voor de eigen politici, CDA probeert de landbouw ook nog wat blij te maken, en D66 is alleen extreem Pro-EU/Anti-Wilders (lang niet alles wat de EU doet is goed, en zelfs Wilders kan af en toe per ongeluk iets niet-fascistisch voorstellen).

    De SP begon communistisch maar zit nu op de plek waar ooit de PvdA zat. Dus vind ik het niet vreemd dat veel stemmers die kant op zijn gegaan. CU heeft geprofiteerd van de dictatuur van de CDA top en dat het al lang niet meer Christelijk is, en Wilders heeft de 20 procent Nederlanders die ooit lid zouden zijn geweest van de NSB van de VVD (en deels het CDA) afgesnoept. Zowel de VVD als het CDA proberen daarom een rechtser geluid te laten horen in de hoop die stemmers terug te winnen.

    Wat betreft stembusakkoorden: Leuk wanneer je ongeveer kan voorspellen welke partijen hoe groot worden en hoeveel stemmen ze missen, en elke partij precies aangeeft wat ze terug willen voor welke steuntoezeggingen. Of denk je dat bij elk voorstel automatisch een meerderheid voor is?
    Je stemt zowieso in eerste instantie op een partij en niet op een coalitie, dus zelfs als je als zakkenvuller op de VVD zou stemmen dan weet je nog niet welke coalitie je zou krijgen. Als je een VVD/CDA/D66 coalitie krijgt is het pro-EU en zullen ze niet met Wilders samen willen werken. Wordt het VVD/PVV dan zullen ze niet met D66 samen willen werken. Tenzij iedere partij vantevoren precies vastlegt wat ze wel en niet gaan doen en met welke partijen (alsof dat ooit zal gebeuren) zal er dus weinig veranderen.

  7. 8

    Stembusakkoorden werken per definitie niet in Nederland, coalitieland. Zolang de laatste stem nog niet geteld is, is spreken over akkoorden zinloos. Daar krijg je maar politieke Calimero’ s van die zwelgen in verongelijktheid. (Roemer bij de laatste verkiezingen)

    Daarom kan je alleen kijken naar de eerste kamer en wat voor mogelijkheden er liggen. Plus bijkomstigheden zoals partijen die elkaar vrijwel uitsluiten. D66 en PVV in één coalitie is vrijwel ondenkbaar. De VVD echter regeert desnoods met de duivel zelf om maar in het zadel te blijven.

  8. 9

    @6:

    Dit kabinet heeft ons uiteindelijk prima door de crisis heen geholpen …

    Ik behoor tot dat smaldeel dat van mening is dat het zich er prima doorheen heeft gegrijnsd.

    Om de (twijfelende) kiezer tegemoet te komen zou je die ook die ook een dubbele ja- en een enkele nee-stem kunnen geven.
    Het verwerken van die drie stemmen per kiezer zal nogal wat logistieke voeten in aarde hebben en dat alleen al zal de reden zijn waarom het er nooit van zal komen, maar het komt wel tegemoet aan een verlangen om aan te geven door wie men beslist níet geregeerd wil worden. Welk politiek gezicht krijgt dan de meeste electorale taarten in het gezicht?

    Een ander idee is om voor elk ministerie cq. beleidsterrein aparte verkiezingen uit te schrijven. Dat geeft nog meer gedoe, maar het dwingt de kiezer wel per thema na te denken, en niet alles aan het stokpaardje te hangen.

  9. 10

    Ik zou graag zien dat we de Eerste Kamer afschaffen en ieder jaar een kwart van de Tweede-Kamerzetels door verkiezingen herverdelen. Dat geeft meer mogelijkheden voor kiezers om van zich te laten horen, maar waarborgt wel een zekere continuïteit.

    I.p.v. een correctief (raadgevend) referendum kan je dan een burgerinitiatief de mogelijk geven een besluit door de Tweede Kamer in deels andere samenstelling te laten heroverwegen.

    En een regering kan dan gewoon aanblijven zolang er een meerderheid in de Tweede Kamer is. Ook langer dan 4 jaar als de kiezers daar vrede mee hebben dus.

    Regeringen met een hele kleine meerderheid lopen dan natuurlijk het risico het maar een jaar vol te houden, maar daar moeten ze dan maar rekening mee houden bij hun vorming. En je kan een regering ook wijzigen door alleen 1 of 2 ministers te vervangen.

  10. 11

    @10

    Wat jij wil is Nederland in een permanente verkiezingsstrijd laten verkeren. Ik ben daar op tegen. Ergo: bij een kabinet wat valt zouden geen nieuwe verkiezingen moeten volgen. Men formeert dan maar een nieuw kabinet. Sinds de eeuwwisseling is het een rommeltje in de politiek met vallende kabinetten. Wat jij voorstelt is om dit te verergeren.

  11. 12

    @11: Liever jaarlijks kamerverkiezingen dan die rare referenda. En we hebben al 4 keer in de 4 jaar circus. Gemeente, provincie, Kamer, EP. Nog vaker zelfs als een kabinet tussentijds valt. En verkiezingen kunnen uiteraard gecombineerd worden.

    En bij mijn voorstel is een vallend kabinet minder problematisch. Gebeurt het net na de verkiezingen dan kan je herformeren met het oog op de verse uitslag. Gebeurt het kort voor de verkiezingen, dan kan je de tijd demissionair uitzitten. In het huidige systeem is herformeren vaak onmogelijk. PvdA en VVD hebben nu een flinke meerderheid. Als die niet samen verder willen, kan je geen kant meer op.

  12. 13

    @12

    Stél dat het huidige kabinet valt. Dan zouden in mijn voorstel óf VVD óf PvdA door kunnen gaan als rompkabinet of steun verwerven bij de andere partijen. PvdA zou kunnen doorregeren met steun van CDA, D66 en SP.

    VVD wordt wat lastiger om een meerderheid te halen.

    In het huidige kabinet zou de PvdA sterker staan omdat men bij de VVD ook kan rekenen. Beleid zou zo meer recht doen aan de politieke werkelijkheid in beide kamers.

    Momenteel is de situatie zo dat als een kabinet valt er nieuwe verkiezingen komen. En iedereen weet; de breker betaald. Het is in de huidige situatie niet aantrekkelijk om te breken of om het er op aan te laten komen. Zodoende zitten we al 3 jaar met een kabinet wat bij niemand populair is.

  13. 14

    @12: Hoe bepaal je dan (vooraf!) welk kwart wanneer wordt gewisseld en hoe doe je dat met partijen die minder dan vier zetels hebben?
    @13: Van het laatste demissionaire kabinet Balkenende kan ik me vooral herinneren dat het regeerde alsof het een decreet had, in plaats van demissionair was.

  14. 15

    @14 Dat is niet zo moeilijk. Rouleren. Iedere keer een ander kwart. Eenmaal gekozen mag je vier jaar zitten.

    De functie van de lijsttrekker wordt misschien wat minder belangrijk, maar dat zie ik eigenlijk wel als een bijkomend voordeel. Je gaat dan echt kamerleden kiezen. Een zittend minister kan zich natuurlijk niet meer kandidaat stellen voor de Kamer.

  15. 16

    @15: Dat blijft funest voor kleine splinters, ook als je elk jaar een ander kwart van de bevolking laat kiezen. Je verviervoudigt zo de praktische kiesdrempel voor kleine splinters, waar vaak nieuwe ideeën uit komen die later door de middenpartijen worden overgenomen.
    Verder heeft ‘op de persoon stemmen’ weinig waarde als de fractiediscipline zo hoog is. Die was 99,9% of zo, daar was hier van het jaar een stuk over.

  16. 17

    @16 Je hebt mij ook niet horen zeggen dat ik een recept had om even alle problemen in ons kiestelsel op te lossen.

    De kiesdrempel gaat inderdaad omhoog. Hoe dat het debat gaat beïnvloeden lijkt me lastig te voorspellen. De partijvorming past zich natuurlijk ook aan aan de mogelijkheden. De grote partijen in de VS en het VK zijn ook diverser dan onze politieke partijen.

    Fractiediscipline wordt natuurlijk gevormd door fractieleden. En fractieleden kan je kiezen. Voorkeurstemmen zouden van mij ook best meer gewicht mogen krijgen. Vijf zetels voor een lijst zou moeten betekenen dat de vijf personen op die lijst met de meeste stemmen naar de kamer gaan.

    Bovendien worden kamerleden niet in het spoor van een toekomstig premier de kamer ingeloosd en zouden daardoor vrijer moeten zijn hun eigen geweten te volgen ipv het kabinetsbeleid. Een fractie gaat ook bestaan uit fractieleden die met vergelijkbare, maar niet identieke verkiezingsprogramma’s zijn binnengekomen. Dat geeft ook wat meer ruimte voor het breken van de fractiediscipline.

  17. 18

    De Eerste Kamer is bij zo’n versnipperd politiek landschap nog een extra obstakel en heeft dan geen meerwaarde. Want er kunnen toch geen al te doldrieste zaken worden doorgevoerd. Het zal er wel op uitdraaien dat alle grote mainstream partijen samen gaan klitten tegen PVV en SP.

  18. 19

    Want er kunnen toch geen al te doldrieste zaken worden doorgevoerd.

    Dat is nu juist de waarde van de eerste kamer. Zo houden we de populisten een beetje op afstand.

    Het zal er wel op uitdraaien dat alle grote mainstream partijen samen gaan klitten tegen PVV en SP.

    Deze twee partijen houden zichzelf wel apart van de rest. Ik heb ze niet veel zien onderhandelen met het kabinet de afgelopen 4 jaar. Kennelijk zitten ze er alleen voor het eigen gelijk en niet voor de achterban. Het zij zo: het automatische gevolg is dat het middenveld de politieke bepaalt.

  19. 20

    @3: Geen meerderheid in de Eerste Kamer. Jij kan toch ook rekenen?

    En zeker in de situatie dat de PVV de grootste wordt, heeft een partij als de VVD (en Rutte persoonlijk) er veel bij te winnen door niet met de PVV te regeren.

    Vlak overigens de SP niet te snel uit. Lokaal bestuurt de SP namelijk steeds vaker, en niet zelden in een coalitie met de VVD. Als de SP inderdaad groter wordt dan de PvdA, zoals het er nu naar uit ziet, wees dan niet verbaasd dat de PvdA niet meedoet, maar de SP wel.

  20. 21

    @20:
    Een minderheid in de Eerste Kamer is nauwelijks een belemmering, zie de huidige coalitie. De oppositie is te verdeeld om een vuist te maken. Verder verwacht ik dat de VVD geen kans laat liggen om de neoliberale agenda verder te helpen in zo’n rechtse omgeving, ondertussen kan het alle kritiek m.b.t. amoreel/asociaal/racistisch beleid afschuiven op de PVV en daarmee de afgedwaalde kiezers van de PVV weer terug winnen. Win/win situatie voor de VVD…

  21. 22

    @21

    Welke partij gaat dan steun verlenen aan een kabinet van VVD, CDA en PVV? Ze komen 4 eerste kamer zetels te kort.

    VVD, CDA en D66 komen 3 zetels te kort. Partijen als CU en GL kunnen aanschuiven als juniorpartner of gewoon steun verlenen in eerste kamer.

    Maar ik zie CU en GL geen steun verlenen aan een kabinet met de PVV er in.

  22. 23

    @21: De eerste kamer was een enorme belemmering voor dit kabinet. Het lukte alleen door het sluiten van een gedoogakkoord met D66, CU en SGP.

    Nu heeft het kabinet inderdaad weinig last van de eerste kamer, maar dat komt vooral omdat er heel weinig wetgeving naar de eerste kamer gaat.

    Zonder steun in de eerste kamer red een kabinet het niet, en een kabinet met de PVV heeft te weinig steun in de eerste kamer. Dus voorlopig hoeven we geen angst voor Wilders in de regering te hebben.

  23. 24

    @21 De PVV is sociaal/economisch linkser dan de PvdA en GroenLinks. Als je de populisten en extreem links/rechts buiten beschouwing laat zitten alle partijen van links tot recht in Europa op hetzelfde “neo liberale” spoor, een kwestie van politieke evolutie en voortschrijdend inzicht in de economie.

    Kijk je naar naar de zetelwisselingen bij de verkiezingsuitslagen van de afgelopen verkiezingen, dan zie je dat de VVD nog nooit noemenswaardige aantallen stemmen aan de PVV heeft verloren. Waar de PVV won stonden steevast SP, PvdA en het CDA in de min, meestal groeide de VVD juist tegelijkertijd. Als je bovendien op een pro PVV site als Geenstijl of de Telegraaf kijkt wordt de VVD in de reacties het meest gehaat van alle partijen, er vallen daar dus helemaal geen stemmen terug te winnen voor de VVD. Hooguit een paar virtuele, maar daar win je geen echte verkiezingen mee. Dit maakt jouw idee een waardeloze strategie.

  24. 25

    @12: Dat zou de kiesdrempel wel verhogen (tenzij we het zeteltal verviervoudigen), zeker geen wenselijke ontwikkeling.