Waarom Rutte de natiestaat als lichaam presenteert

ESSAY - door Levi van Veurs (Redacteur Kosmos Uitgevers)

“Nederland is nu een patiënt. En die patiënt moet behandeld worden,” zei premier Rutte afgelopen 12 maart tijdens een persconferentie over de maatregelen tegen het coronavirus. Rutte haakt daarmee in op een metafoor die in ons cultureel geheugen gegrift staat en ons denken beïnvloedt, namelijk: de figuurlijke relatie tussen natiestaat en lichaam.

Deze metafoor baant een weg voor politieke besluiten. Hoe dient ze Ruttes agenda?

Als je het ene zegt, maar het andere bedoelt

Als je ooit Il Postino (1995) over Pablo Neruda hebt gezien, kun je je waarschijnlijk het glunderende gezicht van Massimo herinneren als bij hem het kwartje valt na Neruda’s uitleg van het begrip ‘metafoor’: “Een metafoor, dat is als je het ene zegt, maar het andere bedoelt.”

Een talig trucje dus. Leuk voor een dichter, maar geen directe aanduiding van de dingen zelf. Waarom zegt Rutte niet gewoon waar het op staat?

Neruda’s uitleg impliceert dat er bij het gebruik van een metafoor een beweging van het figuurlijke naar het letterlijke gemaakt moet worden om de betekenis te snappen. Maar is het wel zo dat we, als we het gordijn van de metafoor opzij trekken, de naakte waarheid aantreffen? Hoewel metaforisch taalgebruik door de eeuwen heen door verschillende denkers als ‘leugen’ werd bestempeld, zijn er ook filosofen die beweren dat metaforen juist constructief zijn voor ons denken.

Zo wijst Jacques Derrida in White Mythology op Plato’s wantrouwen jegens poëzie en figuurlijk taalgebruik. Derrida daarentegen ziet deze stijlvormen zelf als onlosmakelijk verbonden met ons taalgebruik en daarmee met ons denken. Susan Sontag stelt eveneens dat zeggen dat iets is, zoals het niet is, een eigenschap is van ons denken vanaf het moment waarop filosofie en poëzie hun intrede deden.

Volgens I.A. Richards, een Britse retoricus uit de vorige eeuw, moeten we de betekenis van figuurlijke uitdrukkingen juist zoeken in de overlap van de denkkaders die beide begrippen in de metafoor met zich meebrengen. Een metafoor als een transactie tussen de contexten van wat Richards tenor (dat waarnaar verwezen wordt) en vehicle (het gebruikte begrip) noemt: ze krijgen door hun interactie een nieuwe betekenis.

Zijn lichamelijke metaforen onschuldig?

Volgens deze denkers zeg je met een metafoor dus meer dan de letterlijke feiten waar je naar verwijst. Als je ervan uitgaat dat metaforisch taalgebruik ons denken bepaalt, is de consequentie dat ze daarmee allesbehalve neutraal of onschuldig is. Metaforen zijn dus meer dan een talig trucje om je verhaal bloemrijker te maken.

James Geary beschrijft een interessant experiment in zijn boek I is an Other. In het experiment kregen twee groepen deelnemers een wetenschappelijk artikel over bacteriën te lezen. In het artikel van de ene groep werden de bacteriën omschreven als onschadelijk voor de menselijke gezondheid, en in de andere groep als schadelijk.

Na het lezen van dit artikel werden beide groepen gehalveerd en kregen ze nog een artikel te lezen over de Amerikaanse geschiedenis van binnenlandse zaken. Dit keer zat het verschil tussen de twee groepen in het taalgebruik: bij de ene groep werden lichamelijke metaforen gebruikt en bij de andere groep ‘neutralere’ termen (bijvoorbeeld ‘groeispurt’ bij de ene groep en ‘ontwikkeling’ bij de andere).

Hierna moesten alle testpersonen twee vragenlijsten invullen, eentje over hun mening over minimumloon en immigratie en eentje over hun zorgen over besmetting.

En wat bleek? De groep die de combinatie teksten ‘schadelijke bacteriën + lichamelijke metaforen’ had gelezen, uitte significant meer zorgen over immigratie. De lichamelijke metaforen in de tweede tekst plantte de metafoor van het lichaam als natiestaat in het hoofd van de testpersonen, waardoor zij onbewust een verband legden met de eerder gelezen tekst.

Dit experiment laat niet alleen zien dat metaforen ons denken beïnvloeden, maar ook dat we ons daar niet altijd bewust van zijn. Daarnaast legt het bloot hoe de metaforische relatie tussen lichaam en staat met ons denken verweven is.

Terug naar de patiënt

In de uitspraak “Nederland is een patiënt” kennen we onbewust de betekenissen die we met ‘patiënt’ verbinden toe aan ons begrip van ‘Nederland’: Nederland is als een ziek lichaam dat medicijnen toegediend moet krijgen om beter te worden.

De metaforische relatie tussen natiestaat en het al dan niet zieke lichaam is al stukken ouder dan de coronacrisis en is diep ingesleten in ons denken en onze cultuur. Van Plato’s Republic tot Hobbes’ uitspraak in Leviathan dat de commonwealth niets anders is dan een “artificial man”: denkers appelleren aan de overeenkomsten tussen lichaam en staat wat betreft structuur en eenheid, met het hoofd als sturend orgaan.

Wat zijn de functies van deze metafoor die ervoor zorgen dat ze terug blijft komen?

In Imagined Communities (1983) stelt Benedict Anderson dat er een fictief bindmiddel nodig is om saamhorigheid binnen een samenleving te bewerkstelligen die groter is dan je eigen kenbare omgeving. Dit gebeurt onder andere door een gezamenlijke geschiedenis, maar ook door metaforen die eenheid ‘propageren.’ Het lichaam is daar een goed voorbeeld van, met de huid als duidelijke grens van wat erbinnen en erbuiten valt.

Het gebruik van de metafoor natiestaat-lichaam doet een beroep op collectiviteit door het land als één lichaam in je denken te planten. De samenleving wordt gepresenteerd als een eenheid met duidelijke grenzen en een gezamenlijk doel: gezond zijn en overleven.

De uitspraak van Rutte versterkt dus zijn verzoek aan ons om onze verantwoordelijkheid te nemen. We zijn immers allemaal onderdeel van hetzelfde lichaam. Waar ziekte om de hoek komt kijken, is er dus ook meteen een collectieve dreiging.

Tegelijkertijd speelt de metafoor in op wat voor ons bekend is: we zijn allemaal lichamelijk wezens. We voelen pijn en weten wat het is om ziek te zijn. Door deze beelden bij ons op te roepen, zullen we sneller geneigd zijn om overeenkomstig de maatregelen te handelen – om het medicijn te slikken terwijl de overheid de vinger aan de pols houdt.

“En die patiënt moet behandeld worden. Dat doe je door iedere keer te kijken: hoe reageert die patiënt op de medicijnen die je toedient?” – Premier Rutte

De huid als punt van contact: besmettelijkheid

Ziekte kan zowel van binnenuit ontstaan als veroorzaakt worden door ziektekiemen van buitenaf. In de tweede variant speelt de grens van de huid een belangrijke rol. Het is de barrière die dingen buiten houdt, maar zeker ook dingen toe moet laten.

Zo legt ook Roberto Esposito in zijn werk Communitas (1998) en Immunitas (2002) de nadruk op de grens als punt van contact en uitwisseling. Daarmee is een eventuele bedreiging altijd gelokaliseerd op deze grens tussen dat het eigene en het andere. Iets dat van buitenaf die grens overgaat, heeft de potentie het lichaam te veranderen, ten goede of ten kwade.

Met deze bedreiging van buitenaf stuiten we op nóg een interessant concept: dat van besmettelijkheid, waarbij het ene lichaam een gevaar wordt voor het andere.

Besmettelijkheid vormt ook een gevaar voor het collectieve lichaam. Onze patiënt staat immers in een context waarin ziekte wel een werkelijke rol speelt, en niet slechts een metaforische. Wat je nu in de wereld ziet gebeuren, is een heftige immuunreactie: landsgrenzen gaan dicht, publieke ruimtes worden ontruimd, vrijheden worden ingeperkt.

Daarmee draaien we de metaforische relatie om: we kennen de betekenissen die verbonden zijn met de natiestaat en politieke maatregelen toe aan ons begrip ‘lichaam.’ We spreken over ons zieke lichaam alsof het onder vuur ligt, ons immuunsysteem een leger is, en virussen indringers zijn. Met deze metafoor militariseren we dus onze gezondheid.

Is deze metafoor schadelijk of productief? Dat ligt aan de bijbehorende denkkaders.

Esposito laat zien dat ons immuunsysteem lange tijd ten onrechte is omschreven als een systeem dat alleen draait om geslotenheid en afstoting. Als een systeem dat altijd vraagt: wat hoort wel en wat hoort niet bij mij? En vervolgens met grote agressiviteit reageert op dat wat buiten het zelf valt.

Maar, zo stelt Esposito, als je goed kijkt naar de werking ons immuunsysteem, is er juist sprake van een constante uitwisseling van ‘binnen’ en ‘buiten.’ Om te overleven moet het lichaam het andere leren kennen en incorporeren. Het moet zichzelf continu aanpassen en herdefiniëren. Geen eenzijdige defensieve structuur, maar een klankbord.

Een poreuze lichamelijkheid

We zijn dus geen totaal van elkaar afgesloten wezens, maar staan in continu contact met elkaar en onze omgeving, ook lichamelijk. En die uitwisseling is van levensbelang, zowel voor het individu als voor de samenleving – en al helemaal in een geglobaliseerde wereld.

Hoewel er overal grenzen dichtgaan, zien we ook een grote mate van verbondenheid en uitwisseling van kennis. Het eerste is het resultaat van een verlangen naar eenheid en controle, het tweede van het onvermogen om geïsoleerd te overleven. Hiertussen zit een spanningsboog waar we mee om zullen moeten gaan.

Hoe we dat doen, is aan onszelf als individu, maar voor het grootste deel aan onze politieke leiders. In samenlevingen waarin die structuren rigide zijn, zal de balans doorslaan naar afsluiting. De vraag is hoe deze samenlevingen vervolgens terugkomen in een wereld waarin ze zich wel moeten verhouden tot de rest.

Ruttes intelligente lockdown lijkt al rekening met deze terugkeer te houden, en vooralsnog lijkt het medicijn de patiënt goed te doen. We houden de vinger aan de pols.


Dit essay verscheen eerder op Bij Nader Inzien
.

Verder lezen

Communitas: the Origin and Destiny of Community (1998), Roberto Esposito
Immunitas: the Protection and Negation of Life (2002), Roberto Esposito
Bios: Biopolitics (2004), Roberto Esposito

I is an Other: the Secret Life of Metaphor and How it Shapes the Way we See the World (2011), James Geary

Plague Writing in Early Modern England (2009), Ernest B. Gilman

The Philosophy of Rhetoric (1936), I.A. Richards

The Rule of Metaphor (1975), Paul Ricoeur

Illness as Metaphor / AIDS and its Metaphors (1983), Susan Sontag

‘White Mythology: Metaphor in the Text of Philosophy.’ New Literary History, 6.1 (1974), Jacques Derrida en  F. C. T. Moore

World Literature in Theory (2014), Damrosch, David [voor de referentie naar Imagined Communities van Benedict Anderson]

  1. 3

    Nu is het de bedoeling dat “we” er van alles (metaforisch?) BIJ denken?
    Ik mooi niet; “Nederland is een patiënt” is pure onzin!*
    Je kunt (in dit geval) Nederland geen eigenschap(pen) toedichten dat het niet heeft.
    Ik ga in mijn hersens hiermee niet aan de gang en houd het simpel*: Nederland kan niets, doet niets, gebeurt niets mee, kan men niets mee. Nederland is geen persoon (punt.);
    Nederland is een locatie, niets meer, niets minder.
    *En refereer hieraan: Een grammatica voor het onderwijs in het Nederlands en de moedertaal: actitieven, passisieven, immutatieven. Oftewel handelingen gebeurtenissen toestanden.

  2. 4

    ‘De lichamelijke metaforen in de tweede tekst plantte de metafoor van het lichaam als natiestaat in het hoofd van de testpersonen, waardoor zij onbewust een verband legden met de eerder gelezen tekst.’

    Ik ken het specifieke experiment niet, maar dat lijkt me een aanname waarmee je echt grandioos op je bek kunt gaan, metaforisch gesproken, als onderzoeker.