Leven buiten het lab

Lucas Maillette de Buy Wenniger vraagt zich af of er buiten het lab ook nog leven is, of anders gezegd: is goed onderzoek alleen mogelijk bij totale toewijding? Op zondagmiddag nog even een proefje voorbereiden, en uiteindelijk om half één ‘s nachts de lichten van het lab uitdoen om de volgende morgen om half acht weer van huis te gaan om op tijd bij de group meeting te zitten: iedereen die in een lab heeft gewerkt zal dit scenario herkennen. Onderzoek laat zich niet makkelijk gieten in ambtelijke werktijden, maar sommigen beweren dat echt goede wetenschappers gewoon hun hele leven achter de pipetten zouden moeten slijten. Is 24/7 de enige optie, of beperkt dat de creativiteit, dat vraagt Nature zich deze week af. Misschien ligt de waarheid ook deze keer ergens in het midden. Om de vraagstelling verder te onderzoeken maakt het tijdschrift ruimte voor twee extremen: het lab van een totale work-junkie, de stamcel onderzoeker en neurochirurg die het hersentumorcentrum van Johns Hopkins University in Baltimore, Maryland leidt (Quiñones-Hinojosa), en het verhaal van het labhoofd van het Fred Hutchinson Cancer Research Center in Seattle, Washington (Julie Overbaugh). Beiden zijn lezenswaardig, en volledig tegengesteld.

Closing Time | Sixteen Tons

NRC had dit weekend weer een artikel over huisvesting en uitbuiting van Oost-Europese arbeidsmigranten. De foto bij het artikel laat een situatie zien die je misschien in Siberië of Oekraïne, maar niet in Linne, Limburg zou verwachten. Ik moest denken aan Sixteen Tons van Tennessee Ernie Ford: I Owe My Soul To The Company Store. Zijn wat gladde verschijning in pak met stropdas en Errol Flynn-snorretje is nogal in contrast met de bittere tekst van het lied.
De afhankelijkheid van arbeiders van hun werkgevers is helaas niet een verhaal uit de jaren ’40 of ’50.  Of het nu gaat om steenkolen of om asperges. Dat uitbuiting en slechte woon- en werkomstandigheden nog steeds schering en inslag zijn, constateerde ook Emiel Roemer in zijn rapport Geen tweederangs burgers uit oktober 2020. En Sargasso’s Gwen van Eijk stipte deze problematiek kort aan in een breder artikel over de wooncrisis.
Hoe dan ook: het blijft een sterk nummer dat oorspronkelijk van Merle Travis was.

Lezen: Venus in het gras, door Christian Jongeneel

Op een vroege zomerochtend loopt de negentienjarige Simone naakt weg van haar vaders boerderij. Ze overtuigt een passerende automobiliste ervan om haar mee te nemen naar een afgelegen vakantiehuis in het zuiden van Frankrijk. Daar ontwikkelt zich een fragiele verstandhouding tussen de twee vrouwen.

Wat een fijne roman is Venus in het gras! Nog nooit kon ik zoveel scènes tijdens het lezen bijna ruiken: de Franse tuin vol kruiden, de schapen in de stal, het versgemaaide gras. – Ionica Smeets, voorzitter Libris Literatuurprijs 2020.

Lezen: De wereld vóór God, door Kees Alders

De wereld vóór God – Filosofie van de oudheid, geschreven door Kees Alders, op Sargasso beter bekend als Klokwerk, biedt een levendig en compleet overzicht van de filosofie van de oudheid, de filosofen van vóór het christendom. Geschikt voor de reeds gevorderde filosoof, maar ook zeker voor de ‘absolute beginner’.

In deze levendige en buitengewoon toegankelijke introductie in de filosofie ligt de nadruk op Griekse en Romeinse denkers. Bekende filosofen als Plato en Cicero passeren de revue, maar ook meer onbekende namen als Aristippos en Carneades komen uitgebreid aan bod.

Lezen: Het wereldrijk van het Tweestromenland, door Daan Nijssen

In Het wereldrijk van het Tweestromenland beschrijft Daan Nijssen, die op Sargasso de reeks ‘Verloren Oudheid‘ verzorgde, de geschiedenis van Mesopotamië. Rond 670 v.Chr. hadden de Assyriërs een groot deel van wat we nu het Midden-Oosten noemen verenigd in een wereldrijk, met Mesopotamië als kernland. In 612 v.Chr. brachten de Babyloniërs en de Meden deze grootmacht ten val en kwam onder illustere koningen als Nebukadnessar en Nabonidus het Babylonische Rijk tot bloei.