De stilstaande klok die Maurice de Hond heet

Daar zat hij dan, bij de corona-commissie. Eindelijk mocht Maurice de Hond zijn verhaal doen. En het was zoals we hem kenden: de man die in coronatijd vooral zelf vond dat hij een miskend genie was, genegeerd door starre instituties die te traag, te voorzichtig en te gesloten waren om zijn gelijk te erkennen: het waren de aerosolen. Voeg hier een collectieve oogrol in van iedereen die zich destijds ook maar enigszins in de materie had verdiept en de zeperts van De Hond had gezien. Een genie? Eerder een stilstaande klok die, zoals stilstaande klokken nu eenmaal doen, twee keer per dag de juiste tijd aangaf. Het probleem is dat De Honds latere verdedigers te gemakkelijk over deze rest heen stappen. De rol van aerosolen, slecht geventileerde ruimtes en luchtkwaliteit is in het officiële coronabeleid inderdaad te lang onderschat. Op dat punt zat De Hond dichter bij wat later serieuzer werd genomen dan veel van zijn critici toen wilden toegeven. Alleen volgt daar veel minder uit dan zijn aanhang ervan maakt. Gelijk krijgen op één onderdeel maakt iemand nog geen betrouwbaar denker. Een correcte uitkomst kan voortkomen uit een sterke methode, uit geluk, uit intuïtie, uit koppigheid, of uit een combinatie daarvan. Bij De Hond was vooral dat laatste zichtbaar. Pointer zette in 2021 een aantal claims van De Hond op een rij. De anderhalvemetersamenleving zou onnodig zijn. Je zou niet besmet kunnen raken door voorwerpen aan te raken. Het kon volgens hem “gewoon niet anders” dan dat besmettingen via de lucht gingen. Ook stelde hij in het voorjaar van 2020 dat er tot het najaar geen tweede golf zou komen, wat duidelijk wel gebeurde. Volgens Pointer schreef De Hond bovendien dat aerosolen verantwoordelijk waren voor 95 procent van de coronabesmettingen. Dat zijn geen kleine accentverschillen binnen een ingewikkeld wetenschappelijk debat. Dat zijn stellige publieke claims, gedaan in een periode waarin beleid, gedrag en vertrouwen direct gevolgen hadden. De Hond had dus niet simpelweg een punt over ventilatie. Hij trok een reëel tekort in het beleid naar zich toe en maakte er een totaalverhaal van, inclusief de suggestie dat andere maatregelen vooral schijnveiligheid waren. Zijn probleem zat juist in die methode. Hij trok grote conclusies uit beperkte data, zag patronen waar voorzichtigheid geboden was en presenteerde onzekerheden met de overtuigingskracht van iemand die de zaak al had opgelost. Een terecht punt over ventilatie groeide bij hem uit tot een bijna allesverklarend model van de pandemie. Daarmee verschoof het debat van een noodzakelijke correctie op het beleid naar een eigen gelijkssysteem. Statisticus Casper Albers vatte het bij Pointer samen: De Hond maakte soms valide punten, maar sloeg vaak de plank mis, ging te kort door de bocht of trok conclusies die de data niet ondersteunden. Bij een temperatuurkaart zag De Hond bewijs voor zijn theorie, terwijl Albers erop wees dat de gebieden op die kaart ook simpelweg dichtbevolkte gebieden waren. Bij een andere analyse over besmettingen en tests ontbrak volgens Albers reflectie op de aannames, terwijl De Hond die conclusies wel gebruikte om met gestrekt been op beleidsmakers en GGD in te gaan. Dat is het terugkerende verhaal: De Hond ziet een patroon, noemt het een verklaring en gebruikt die verklaring daarna als knuppel tegen iedereen die trager, voorzichtiger of professioneler formuleert. Zijn bewijsvoering loopt achter zijn zekerheid aan. Dat patroon was ook al bekend van zijn peilingen. Ook daar is al jaren inhoudelijke kritiek op de methode: de samenstelling van online panels, de weging, de representativiteit, de volatiliteit van uitkomsten en de schijnprecisie waarmee zetelstanden worden gepresenteerd. Soms zit zo’n peiling dicht bij de uiteindelijke uitslag. Vaak ook niet. De interessantere vraag is of de methode vooraf stevig genoeg is om het gewicht te dragen dat De Hond er publiekelijk aan hangt. Nog fundamenteler is dat we deze les al vóór corona hadden kunnen trekken. In de Deventer moordzaak wees De Hond de zogenoemde klusjesman publiekelijk aan als dader. De man was niet veroordeeld voor de moord, maar werd door De Hond wel het publieke mikpunt van een alternatieve waarheidsmachine. De rechter verbood De Hond in 2006 om de klusjesman in het openbaar als moordenaar of verdachte aan te wijzen. In 2007 werd hij veroordeeld wegens smaad, in 2009 volgde in hoger beroep een veroordeling wegens smaad en smaadschrift tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Ook moest hij een schadevergoeding betalen aan de klusjesman en diens vriendin. De Hoge Raad merkte in de Deventer moordzaak op dat zelfs als de klusjesman geen sluitend alibi zou hebben gehad, daaruit nog niet volgt dat hij de moordenaar was. Dat is precies het onderscheid dat De Hond publiekelijk wegdrukte: twijfel aan een scenario is nog geen bewijs voor een alternatief scenario. Hier liet De Hond zien wat er gebeurt wanneer zekerheid losraakt van bewijs, terughoudendheid en verantwoordelijkheid. Iemand werd publiekelijk vermalen door een particuliere theorie die met grote stelligheid werd verkocht. Dat zo iemand jaren later opnieuw als serieuze buitenstaander mocht optreden, zegt veel over het korte geheugen van media, politiek en publiek. Precies daar zat in coronatijd de schade. De Hond wees niet alleen op ventilatie. Hij stookte voortdurend tegen instituties, experts en maatregelen, alsof iedere vorm van terughoudendheid bewijs was van domheid of kwade wil. Dat heeft het publieke vertrouwen verder aangevreten in een periode waarin dat vertrouwen al onder druk stond. Zijn optreden maakte onzekerheid giftiger. Pointer liet bovendien zien dat zijn boodschap niet alleen als losse wetenschappelijke hypothese rondging. De Hond kreeg 100.000 euro van vastgoedondernemer Klaas Hummel, zette met dat geld Smartexit.nu op en begon een petitie tegen de anderhalvemetersamenleving. Rond dezelfde boodschap bewogen horecaondernemers, Viruswaanzin/Viruswaarheid en partijen met belang bij ventilatieoplossingen. Dat bewijst niet dat zijn inhoudelijke punt alleen uit belangen voortkwam. Het laat wel zien hoe snel zijn aerosoltheorie veranderde in een campagne-instrument tegen beleid. Een wetenschappelijke hypothese vraagt om onzekerheidsmarges, tegenwerpingen en correcties. Een campagne vraagt om duidelijke vijanden, simpele slogans en maximale stelligheid. De Hond koos in coronatijd te vaak voor het tweede, terwijl hij het eerste bleef claimen. Daarmee komen we bij de echte vraag. Waarom krijgt iemand met zo’n staat van dienst nog steeds het voordeel van de twijfel? Waarom wordt iemand die eerder onterecht een burger publiekelijk tot dader maakte, en die in coronatijd opnieuw grote claims verkocht met te weinig rem op zijn eigen zekerheid, nog steeds behandeld als een soort van noodzakelijke dwarsdenker? Het antwoord is waarschijnlijk onaangenamer dan zijn fans lief is, en tegelijk voor de hand liggend. De Hond is bruikbaar voor media omdat hij levert wat het format vraagt: conflict, stelligheid, een helder kamp en een tegenstem die zich gemakkelijk laat monteren. Wetenschappelijke voorzichtigheid is slechtere televisie. Methodologische terughoudendheid scoort minder lekker dan iemand die komt uitleggen dat hij het allang had gezien. Een stilstaande klok kan achteraf indrukwekkend lijken als je precies op het juiste moment kijkt. Het wordt pas riskant wanneer mensen hem daarna daadwerkelijk gaan gebruiken.

Door: Foto: Yuri Samoilov (cc)

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.