serie

Afschrijvingen

Paul Teule schrijft over economie en maatschappij, en schrijft daarmee zijn frustaties van zich af.


Foto: daisy.images (cc)

Afschrijvingen | Loterij

COLUMN - Weer de loterij niet gewonnen? Geeft niks, het gaat om de voorpret.

Men zegt: de loterij is niets meer dan een belasting op mensen die slecht zijn in wiskunde. Wie naar de winkansen kijkt, kan niet anders dan dit beamen. Van elke euro die er in de Staatsloterij in gaat, komt er na belasting net iets meer dan 60% uit, (p. 50 en verder, pdf alert) en gaat er 25% naar de schatkist. De kans dat je bij de Staatsloterij ‘wint’ (vaak een paar knaken of een tientje) is weliswaar 50%, maar de kans dat je een groot bedrag binnenhaalt, is miniem. De kans op 10.000 euro is 1 op 98.000, de kans op 25.000 euro of 100.000 euro is nog eens vijf keer zo klein. En die geluksvogel die ergens in Groningen zijn of haar lot kocht voor de Oudejaarstrekking van eergisteren en 30 miljoen opstreek, had een kans van 1 op 4,9 miljoen – een mens wordt tien keer vaker door de bliksem getroffen. En dan keert de Staatsloterij nog relatief veel uit.

Maar eigenlijk is een loterij vooral een belasting op mensen die slecht zijn in het voorspellen van hun eigen geluk.

Foto: daisy.images (cc)

Afschrijvingen | Vrijhandel

Paul Teule blijft toch met nog wat vragen zitten na het lezen van Karel de Guchts nieuw boek.

Politici horen boeken te schrijven, vind ik. De Belgische liberaal Karel de Gucht, oud-minister van Buitenlandse Zaken, en nu eurocommissaris voor Handel, geeft het goede voorbeeld. Van zijn hand verschijnt zo nu en dan een polemisch epistel, vaak gericht tegen nationalisme. Zijn nieuwste boek, Vrijheid. Liberalisme in tijden van cholera, neemt ook nationalisten zoals Bart de Wever op de korrel, maar moet ook korte metten maken met de economische broer van het nationalisme: het protectionisme. De Gucht weet gezien zijn huidige post als geen ander hoe het ervoor staat met de wereldhandel en waarom die zo vrij mogelijk zou moeten zijn. Maar hij laat helaas niet het achterste van zijn tong zien.

De Gucht beargumenteert de noodzaak van vrijhandel volgens het boekje. Met een hat tip naar David Ricardo dist hij de theorie van de ‘comperatieve voordelen’ nog eens op. Handel loont omdat elk land doet waar het relatief, ten opzichte van zichzelf(!), het beste in is.

Doemscenario

Dan haalt hij het bekende doemscenario van stal: in de Grote Depressie van de jaren ’30 van de vorige eeuw, schoten landen in een protectionistische kramp. Amerika, bijvoorbeeld, hief met de Smoot-Hawley Tariff Act astronomische importtarieven op honderden producten. Gevolg: de wereldhandel stortte in van 35 miljard naar 12 miljard dollar. Op G20 toppen verzekeren wereldleiders elkaar dat ze nu niet dezelfde fout zullen maken, maar de Gucht ziet dat er sinds 2008 meer dan 500 protectionistische maatregelen zijn genomen die de eigen markt beschermen. ‘Aan de exquise tafel van de G20 worden de schotels met hypocrisie gekruid,’ aldus de Gucht.

Foto: daisy.images (cc)

Afschrijvingen | Huishoudelijk werk

Een pleidooi voor het belang van huishoudelijk werk.

De Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (het NVVH-Vrouwennetwerk) bestaat deze week honderd jaar. Ze heeft in die eeuw veel voor de huisvrouw betekend. Het vrouwenkiesrecht kwam er (1919) en de bizarre Wet handelingsonbekwaamheid werd geschrapt (1956), waardoor getrouwde vrouwen mochten blijven werken en een bankrekening konden openen zonder toestemming van manlief. De NVVH was ook een soort Radar avant la lettre – ze liet producten testen en had een eigen keurmerk.

De NVVH lijkt gezien haar vergrijzende en dus dalende ledenaantallen niet nog een eeuw mee te gaan. En dat is jammer. ‘De huisvrouw’ bestaat weliswaar niet echt meer, maar huishoudelijk werk wel en daar moet iemand voor blijven opkomen. Huishoudelijk werk wordt namelijk nog steeds behoorlijk ondergewaardeerd, vooral in Nederland.

Het meeste huishoudelijke werk is onbetaald, draagt dus niet bij aan ons bruto binnenlands product (bbp), en is daardoor geen volwaardig, ‘officieel’ onderdeel van onze economie. Ik heb nog even opgezocht in de internationale voorschriften omtrent bbp-berekeningen waarom dit zo is. Op pagina twaalf staat dat het ‘economic analysis, decision-taking and policymaking’ zou bemoeilijken. Een rare reden: een sector die, als je de uren die erin gaan vermenigvuldigd met het minimumloon eigenlijk 20-30% van onze economie beslaat, is toch juist heel relevant voor beleidsmakers, lijkt me. En juist de overgang van huishoudelijke ‘productie’ naar marktproductie is heel interessant, zeker als je wilt weten of we er echt op vooruitgegaan zijn.

Foto: daisy.images (cc)

Afschrijvingen | Welkom thuis, maakindustrie!

COLUMN - Steeds meer bedrijven brengen (een deel van) hun productie terug naar thuishaven Amerika. Hoe komt dat?

Apple gaat vanaf 2013 een deel van zijn Mac-computers in de Verenigde Staten laten maken, zo bleek uit een interview met topman Tim Cook. Cook zei met trots dat er maar liefst 100 miljoen dollar mee gemoeid is. Dat is natuurlijk een schijntje als je per jaar 40 miljard dollar winst maakt, en nog eens 120 miljard dollar op de bank hebt staan. Maar het past in een bredere trend. Steeds meer bedrijven, van Ford, Catterpillar tot General Electric (GE), halen een deel van hun productie ‘terug’ naar het thuisland. Outsourcing is uit, insourcing is in. Maar waarom eigenlijk? 

De reële lonen in China zijn de afgelopen tien jaar verdrievoudigd, de lonen in heel Azië zijn ongeveer verdubbeld. In de Westerse wereld zijn de lonen nagenoeg hetzelfde gebleven. En de verschillen worden kleiner. De Boston Consulting Group verwacht dat uitwijken naar China – gezien ook de hoge Amerikaanse arbeidsproductiviteit – nauwelijks nog voordelig is. Het jachtseizoen op de lage lonen is dus bijna gesloten.

Hierdoor gaan de kosten van het produceren op afstand tellen. Dat zijn ten eerste de kosten van het ondernemen ter plaatse. De VS staan bijna bovenaan op de “ease of doing business”- ranglijst van de Wereldbank. China, Brazilië, India of de Filipijnen bungelen ergens onderaan. Een elektriciteitsaansluiting, laat staan een gebouw neerzetten, heeft nogal wat voeten in de aarde.

Foto: daisy.images (cc)

Afschrijvingen | Over de fiscal cliff

COLUMN - Net als je even inkakt, prikken onze Vaste Gasten je elke werkdag om 15.30 uur weer wakker met hun scherpe pennetjes. Vandaag: Paul Teule over hoe de Verenigde Staten financieel aan de afgrond staan.

De inkt is nog niet droog of Obama heeft het begrotingsvoorstel van de Republikeinen alweer van tafel geveegd. Als beide partijen er niet uitkomen, zal de Amerikaanse economie vanaf 1 januari voor zo’n 600 miljard dollar – zo’n 4% van het bbp – afgeknepen en belast worden. Amerika staart in de ‘fiscal cliff’, de begrotingsafgrond.

Ik volg dit getouwtrek met gemengde gevoelens. Zowel de Democraten, als de Republikeinen hebben mijn inziens een punt – de Republikeinen als het gaat om de urgentie van bezuinigingen, en de Democraten als het gaat om de extra bijdrage die rijkeren kunnen geven.

Eerst de urgentie. De Amerikaanse overheid geeft elk jaar 1000 miljard dollar meer uit dan ze binnen krijgt. De staatsschuld bedraagt inmiddels meer dan 16.000 miljard dollar, grofweg 100% van het Amerikaanse bbp. En dat kan snel uit de hand lopen. Stel dat de Amerikaanse economie de komende jaren met 2% per jaar groeit, maar dat het begrotingstekort 6,5% van het BBP blijft. Dan zal de schuldquote in een generatie naar 200% stijgen. Groeit de economie niet, dan heb je binnen tien jaar Griekse toestanden, en bij 2% krimp is dat al over zes jaar. Ja, Amerika kan nu nog goedkoop lenen (1.6%), maar voor hoe lang?

Foto: daisy.images (cc)

Afschrijvingen | De prijs van de EU

COLUMN - Net als je even inkakt, prikken onze Vaste Gasten je elke werkdag om 15.30 uur weer wakker met hun scherpe pennetjes. Vandaag Paul Teule, over EU en haar begroting. En de prijs van democratie.

Voor een econoom is alles relatief. Een ‘prijs’ is niets anders dan een verhoudingsgetal dat pas betekenis krijgt in perspectief. Het feit dat een net mandarijnen 1 euro kost, betekent pas wat als je weet hoeveel mandarijnen je krijgt, wat je verder nog voor een euro kan kopen en, belangrijk, hoeveel je voor die euro hebt moeten werken. We vinden iets ‘duur’ als de prijs zich niet goed verhoudt tot iets anders – en dat ‘iets anders’ kan van alles zijn.

Neem nou de ‘prijs’ van de EU. De moeizame onderhandelingen over de Europese meerjarenbegroting (2014-2020) gaan over de vraag of de EU meer of minder dan 1000 miljard euro zal kosten, grofweg 140 miljard euro per jaar. Noordelijke lidstaten vinden de EU te duur, zuidelijke lidstaten en de Europese Commissie niet. Beide kampen goochelen met verhoudingen. Een paar voorbeelden:De Commissie zet de EU-begroting graag af tegen ons gezamenlijke Europese inkomen. 140 miljard per jaar is zo bezien slechts 1% van onze welvaart. Peanuts dus, want 1% van iets is altijd weinig. Ook als je de 140 miljard afzet tegen de som van alle nationale begrotingen – 6.300 miljard euro per jaar – en je bedenkt dat van die 140 miljard ook nog eens 94% terugvloeit naar de lidstaten, waar hebben we het dan helemaal over?

Vorige