Recensie Zomergasten | Ilja Leonard Pfeijffer

RECENSIE - Het werd heel eventjes een klein beetje spannend, tegen het einde van de vijfde en laatste aflevering van Zomergasten 2020 met schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Presentatrice Janine Abbring wees hem op het seksisme van een aantal van zijn personages, waaronder het seksisme van de ik-figuur in het autobiografische Brieven Uit Genua. ‘Volgens mij’, zei Abbring, ‘zitten er in jouw boeken twee soorten vrouwen: vrouwen die je kan neuken en die je kan negeren, als ik dat zo mag zeggen.’ Dat mocht ze niet. Pfeijffer voelde zich zichtbaar aangevallen. Als zijn personages seksistisch zijn, is dat om het seksisme te thematiseren en te onderzoeken.

Hij had ons daarvoor net verteld hoe Dolly Parton in dit fragment ironie als stijlmiddel gebruikt om haar feministische boodschap uit te dragen. Terwijl sommige hedendaagse politici een soort omgekeerde ironie hanteren: ze doen een politiek incorrecte uitspraak (bijvoorbeeld: ‘vrouwen zijn veel gelukkiger achter het aanrecht’) en als iedereen daarover valt, dan beginnen ze te jammeren dat niemand nog ironie herkent. Maar ze zeiden wel degelijk wat ze bedoelden. Abbring vroeg of hij niet hetzelfde deed met zijn personages. Pfeijffer bleef ontkennen. ‘Je kan een onbewust seksistisch wereldbeeld hebben’, zei Abbring. ‘Als het onbewust is, ben ik mij er niet bewust van’, zei Pfeijffer. Maar het leek hem sterk, want hij had zich goed in de materie verdiept. Ik meende een weinig ironische woede in zijn blik te zien. De woede van iemand die zich verraden voelt. ‘Tijd om naar duivelsuitdrijving in Sicilië te gaan’, zei Abbring. De ogen van Pfeijffer bleven vuur spuwen. Het had me niks verbaasd als hij zou zijn opgestapt, maar na de duivelsuitdrijving zat hij nog steeds op zijn stoel en had hij zich herpakt. Of ik heb me de woede in zijn blik ingebeeld, dat kan ook. De blik was in ieder geval wezenlijk anders dan toen hij aan het begin van de uitzending tegen Janine Abbring zei dat om met haar te mogen praten oceanen over zou zwemmen en woestijnen kruipend zou doorkruisen.

Ik ken het werk van Ilja Leonard Pfeijffer niet goed genoeg om te kunnen oordelen of Janine Abbring een punt had of naar spijkers op laag water aan het zoeken was. Ik ben aan Grand Hotel Europa begonnen en hoewel de licht archaïsche, Thomas Mann-achtige stijl mij wel beviel, kwam ik toch niet verder dan bladzijde veertig. Waarom weet ik niet zo goed. Misschien heeft het ermee te maken dat de stijl en de setting van het boek voor mij te geconstrueerd voelen, waardoor ik toch niet zodanig werd meegesleept dat ik verder wilde lezen. ‘Het geheim van een goede roman is het creëren van een wereld waar je niet meer uit wil’, zei hij naar aanleiding van een fragment uit de film Valerian van Luc Besson. Daar ben ik het wel mee eens. Maar tegen het fragment uit Valerian and the city of a thousend planets, waarin een stel toeristen in de toekomst een bezoek brengen aan een stad in een andere dimensie, had ik ongeveer hetzelfde bezwaar als tegen Grand Hotel Europa. Pfeijffer was lyrisch over de film en de wereld die erin werd geschapen, maar afgaand op het fragment dat ik zag, kreeg ik het gevoel dat ik meestal heb bij de films van Luc Besson: te geconstrueerd, te afstandelijk en daardoor niet in staat mij mee te slepen laat staan te raken. Ongeveer ook het gevoel dat ik had toen ik een paar jaar geleden Cloud Atlas zag, de keuzefilm van Ilja Leonard Pfeijffer, gemaakt door Tom Tykwer, Lana Wachowski en Lily Wachowski, die toen nog Andy Wachowski heette op de aftiteling. Ziet er schitterend uit allemaal, maar er mist iets.

Het deed me ook afvragen in hoeverre Pfeijffer zijn imago construeert en cultiveert. Is Pfeijffer wel de authentieke schrijver-bohemien die hij denkt te zijn? Toen Dolly Parton in eerder genoemd fragment haar jurken en pruiken liet zien, moest ik onwillekeurig denken aan het lange haar van Pfeijffer. In combinatie met snor en sikje zou hij zonder al te veel aanpassingen de titelrol kunnen spelen in de film Michiel de Ruyter. Als ik de recensies goed heb onthouden, was daar weinig acteertalent voor nodig. Janine Abbring vroeg het zich ook af: in hoeverre is het imago van Ilja Leonard Pfeijffer als schrijver-bohemien (inclusief kapsel en standplaats Genua) marketingstrategie? Volgens Pfeijffer zelf was hij niet zo slim als Dolly Parton. Maar, hij gaf toe: omdat zijn lange haar zodanig met zijn schrijverschap verweven is, zou hij wel twee keer nadenken om het af te knippen. Maar hij is niet naar Genua gegaan omdat hij dacht: dat vinden de mensen interessant, dat kan ik gebruiken om mezelf te verkopen. Hij is er gebleven omdat Genua hem veel te brengen en te leren heeft. Italië is volgens Pfeijffer een voorloper op heel veel gebieden: Berlusconi was degene die het populisme heeft gemoderniseerd, immigratie is daar al veel langer een belangrijk thema dan hier en hetzelfde geldt voor massatoerisme. Zelfs met corona liepen ze voorop.

Over dat laatste gesproken: de coronadagboeken van Ilja Leonard Pfeijffer, zoals die vanaf begin maart in het NRC en De Standaard verschenen, heb ik, in tegenstelling tot Grand Hotel Europa, wel nauwkeurig gelezen. Nauwkeuriger dan goed voor me was eigenlijk. Vooral in die begindagen vond ik de situatie nogal uitzichtloos: het virus zat overal, het ene na het andere land ging in lockdown, ik vond het allemaal bijzonder claustrofobisch en had behoefte aan streepjes licht in donkere dagen. Maar in plaats daarvan keerde ik steeds terug naar de sterftecijfers van het RIVM en dreef ik elke avond af naar het NRC om mezelf nog dieper de put in te laten praten door Ilja Leonard Pfeijffer. Ik vreesde dat hij ons voorland beschreef en dat het slechts een kwestie van tijd was voordat ook wij in een soortgelijke uitzichtloze post-apocalyptische situatie zouden komen als Noord-Italië in het algemeen en Genua in het bijzonder. Nadat we een fragment hebben gezien uit de documentaire Molecole van Andrea Segre (die eigenlijk een film wilde maken over massatoerisme, maar toen sloeg de pandemie toe), vertelde Pfeijffer dat hij ooit in Genua was gaan wonen omdat hij verliefd was geworden op deze immer bruisende stad, maar dat de stad tijdens de lockdown doodziek was, waardoor hijzelf doodziek was.

Naast deprimerend vond hij het ook een ‘macaber voorrecht’ dit mee te mogen maken. ‘Meer dan ooit ben ik ervan doordrongen geraakt dat vrijheid geen vrijheid is, als dit doordrongen is van egoïsme. Vrijheid is alleen maar vrijheid als je eerst denkt aan de ander.’

Literaire vrijheid heeft Pfeijffer te danken aan Lucebert, volgens Pfeijffer ‘misschien wel grootste dichter die Nederland ooit heeft gekend, samen met Vondel’. De gedichten van Lucebert hadden Pfeijffer bevrijd van de dichter die hij dacht te moeten zijn. In het fragment vertelt Lucebert dat zijn gedichten uiteindelijk allemaal bekentenissen zijn. ‘Hoewel het bekentenissen zijn’, zei Pfeijffer daarover, ‘ben je bij Lucebert aan het verkeerde adres om antwoord te willen op de vraag waar zijn gedichten over gaan.’ Abbring herinnerde Pfeijffer er nog aan dat onlangs bekend is geworden dat Lucebert in zijn jeugd nazisympathieën had. Daarover heeft hij nooit gesproken. Abbring vroeg aan Pfeijffer of hij het werk van Lucebert daardoor anders is gaan lezen. Pfeijffer meende van niet. Hij vindt dat je vent en vorm uit elkaar moet houden. De persoon, zijn opvattingen en geschiedenis doet er uiteindelijk niet toe. Het gaat om het werk. Hoewel ik het daar in principe wel mee eens ben, denk ik ook: als iemand beweert dat zijn gedichten bekentenissen zijn, en hij blijkt er nazisympathieën op na te houden, dan ga ik diens gedichten toch anders lezen. Misschien worden ze er zelfs nóg interessanter door. Misschien ook niet. Of ze krijgen een wrange nasmaak.

In het fragment met Lucebert zat ook een interessante link naar het allereerste fragment van de avond, over Silvio Berlusconi: zoals zijn literaire held bekentenissen begraaft onder zijn poëzie, zo begraaft Berlusconi de waarheid onder zoveel alternatieve waarheden dat de waarheid irrelevant wordt. Het verschil is dat Lucebert met zijn poëtische rookgordijnen schoonheid en vrijheid voor de ander creëert, terwijl Silvio Berlusconi met zijn retorische rookgordijnen enkel Silvio Berlusconi dient.

Na Silvio Berlusconi zagen we een fragment uit Behind The Curve, een documentaire over zogenaamde flat earthers, mensen die denken dat de aarde plat is. Dankzij internet is het vandaag de dag steeds eenvoudiger om feit en fictie door elkaar te gooien. Doordat alle informatie verkrijgbaar is, ontstaat het misverstand dat je alles kan weten. Complotdenkers, zoals flat earthers, draaien alles om: elk argument dat hun ongelijk bewijst, zien zij als bewijs van hun gelijk. Doordat kennis is gedemocratiseerd kun je elk standpunt bevestigd zien. Daarbij valt er bijna geen grens te trekken tussen feit en fictie. Volgens Berlusconi doet de waarheid er niet toe (het gaat om overtuiging waarmee je het brengt), volgens de flat earthers doet de waarheid er wel degelijk toe en is het hun taak de rest van de wereld het licht te laten zien.

In het allerlaatste fragment van dit seizoen, een fragment uit Messiah, zien we een Jezusachtige figuur een soort Bergrede houden waarna hij bewijst de Messias te zijn door over het water te lopen. Vervolgens gaan er vele video’s hiervan de wereld over, debunken sceptici het gefilmde wonder en breken er rellen uit. ‘Dit is wat er gebeurt als de Messias vandaag zou terugkeren’, zei Pfeijffer, ‘dan ontstaat er gigantische chaos.’ De Messias zou vandaag de dag niet geloofd worden, meent hij, ook al laat hij zien over water te kunnen lopen. Met dank aan het internet, waar altijd weer iemand te vinden is die de waarheid onderuit weet te halen.

De grap, lijkt mij, is dat dit een kleine tweeduizend jaar geleden niet heel erg anders was. Zonder internet ging het allemaal wat minder snel, maar het resultaat was hetzelfde: een zelfverklaarde Messias kondigt de eindtijd aan en wandelt over het water, de elite weigert hierin mee te gaan, een steeds groter groeiende groep gelovigen doet dat wel, waarna de wereld in chaos vervalt om zich te herschikken. Maar het gaat om geloof. En daar was het Ilja Leonard Pfeijffer niet geheel toevallig ook om te doen met dit fragment. Niet zozeer het geloof in een god, maar het geloof in de mogelijkheid een goed mens te zijn en, ook al is het maar voor een kort moment of voor weinig medemensen, iets te betekenen.

Amen.

  1. 1

    Bij Pfeijffer heb ik inderdaad voortdurend het idee dat ik naar een matige toneelspeler zit te kijken. Iemand die een bohémien en gedreven literator speelt, met een pruik en een cape, een puntsnor en geitensik. En natuurlijk leeft hij als bon-vivant in Italië en heeft ‘ie daar een lulverhaaltje bij.

    Pfeijffer geeft ook met zoveel woorden toe dat hij acteert. Op zeker moment, zo vertelt hij, heeft ‘ie de drank afgezworen, en gaat hij naar zijn favoriete terrasje om een ijsthee te drinken. Maar eigenlijk voelt ‘ie zich helemaal niet op z’n gemak: als alcoholicus weet hij hoe hij de bohémien moet spelen, maar zonder de drank is hem z’n requisiet uit handen genomen, en voelt ‘ie zich verloren.

    De eerste keer dat ik kennis nam van Ilja Leonard Pfeiffer was bij een tv-item waarin hij een van zijn gedichten voordroeg. Van het gedicht herinner ik me niets, wel van de spetters speeksel die hij uitspoog door de zogenaamd gepassioneerde voordracht.

    Ik weet niet of Abbring daar nog op door heeft gevraagd, waar Pfeiffers onzekerheid vandaan komt, maar dat lijkt me wel de kern van de man. Anders hoef je niet voortdurend te doen alsof, tot voorbij je een karikatuur maakt van jezelf.

  2. 2

    @1: Ja, dat van die ice tea was me ook opgevallen. Ik had er eerst nog wat over geschreven, maar heb het toch maar geschrapt. Deze bekentenis (met daaraan voorafgaand het ‘Ik was ooit een van de grootste drinkers van mijn generatie’) deed me bovendien vermoeden dat Pfeijffer wel degelijk moeite heeft om kunst los van de kunstenaar te zien. Die ice tea voelde immers als verraad aan literaire helden als Dylan Thomas en Ernest Hemingway. Ik kon mij door deze uitspraak niet aan de indruk onttrekken dat Pfeijffers waardering voor hun werk met hun drankgebruik verweven was. Het leek me in ieder geval wel behoorlijk verbonden met zijn keuze voor hen als literair voorbeeld. En met zijn bestaan als alcoholist.

  3. 3

    Wat een moralistische recensie. Het lijkt welde jaren 1960 toen ging het ook over je lange haren,drank gebruik enz. De persoonlijke aanval van Jeanine Abbring vond ik op niets slaan als dan het doorgeschoten verhaal van haarzelf om iets te bewijzen. Moest even denken aan de advocaat Inez Weski een paar weken terug die op het persoonlijk vlak direct reageerde met een duidelijke stop. Jammer dat deze schrijver dat ook niet deed. Dat een personage in een boek vereenzelvigd wordt met de schrijver is ook weer zo’n moraal. Het zou er beroerd uitzien met de cultuur en theater als dit zo is. Waar het echt over ging was immigratie en vrijheid. Dat was de moeite waard om te zien en naar te luisteren.

  4. 5

    @3: Ik zie niet in waar ik moralistisch ben. Ik heb geen oordeel over zijn haardracht of drankgebruik, ik vraag me alleen af in hoeverre hij het gebruikt (of heeft gebruikt) om een bepaald imago te creëren. En in hoeverre dat imago van belang is voor zijn eigen schrijverschap. Of zit het de beoordeling van dat schrijverschap misschien juist in de weg?

    Ik zag een rode draad in de manier waarop je stijlmiddelen (zowel literaire als uiterlijke) kan gebruiken om de waarheid te verbergen of juist te onthullen. Ik heb geprobeerd me daarop te concentreren. Er zat nog wel iets waar ik me vinger niet op heb kunnen leggen.

  5. 6

    @3: Voor mij was het een boeiende avond. Ik vind zijn boeken goed. Daarom verbaasde het me dat Abbring bij de schrijver seksistische ideeën zag. Helemaal niet, denk ik. En dus reageerde hij er verbolgen op.

  6. 7

    Zoals de hele zomergastenreeks van dit jaar: saai en bloedeloos. Veel vorm, weinig inhoud. Zowel Weski als Pfeiffer niet meer dan een imago, waaruit niet meer dan succesagendawijsheden rollen, de anderen waren niet eens de moeite waard om te herinneren.

  7. 9

    Het leukste fragment vond ik dat van Dolly Parton. Van haar druipt het af dat ze met een doel voor ogen een rol speelt én ze is geestig. Pfeiffer’s gedrag vind ik niet vrij van narcisme en op geestigheid noch op een flintertje zelfspot heb ik hem betrapt. Ook niet in Grand Hotel Europa dat ik met moeite heb uitgelezen. Ik vond het hier en daar inderdaad erg vrouwonvriendelijk, vooral dat verhaal van die Amerikaanse tiener, waarin ik geen grammetje pleidooi voor de #metoobeweging kon ontdekken. Goed dat Abbring daarop doorvroeg. Pfeiffer voelde zich genaaid, om in de terminologie te blijven. Hij reageerde op een wijze die hij in het ‘aanrecht’-voorbeeld bekritiseerde. Ze mistte de ironie, de grap, hij zou het omgekeerde bedoelen. Zo ken ik er nog wel een paar. Wel jammer dat Abbring geen vraag stelde over al die ringen om zijn super(ba) gemanicureerde handen die steeds prominent in beeld kwamen.

  8. 10

    Ik heb niet de hele aflevering afgekeken, maar ik vond het leuk toen hij vertelde over zijn ontdekking van Luceberts gedichten en toen dacht: ‘o, kan dit ook’. En dat hij in zijn jeugd zelf een taal, het Mokaans, bedacht had.

  9. 11

    Ik vond het een verademing dat er deze keer maar weinig gepsychologiseerd werd.

    Enig narcisme is Pfeiffer inderdaad niet vreemd, maar omdat hij dat gepaard weet te gaan met een gezonde dosis zelfrelativering kan ik dat uitstekend verdragen.

    Hij is zich zeer wel bewust van de rol die hij speelt en exploiteert, maar is er ook zodanig mee vergroeid dat het nauwelijks een rol meer is. De Icetea en de discussie over zijn lange haar waren daar mooie voorbeelden van. Verandering die niet alleen zijn publiek, maar ook hemzelf aan het twijfelen (zouden) brengen over wie hij nu eigenlijk is. En is dat niet hoe we allemaal door het leven gaan, in een rol waar we maar moeilijk uitstappen?

  10. 14

    @12 En dat ‘ie dan ook nog eens prominent “Machtsvertoon” onder zijn naakte, corpulente lichaam laat plaatsen.

    Ironie, mja, het zal wel.

    Lees scène 1 uit het toneelstuk ‘Noem het maar liefde’ uit 2019 geschreven door Pfeiffer : ironie en seksisme hand in hand.

    @4 De directeur die hij opvoert is een karikatuur van de dronken zakenman, en de secretaresse worden van meet af pseudofilosofische bespiegelingen in de mond gelegd die van Pfeijffer zelf komen.

    Ze is een fantasie: zíjn fantasie van hoe hij zou willen dat een lekker wijf hém eens een keertje aan zou pakken.

    Leuk voor hem, saai voor het publiek (denk ik dan).

  11. 17

    @16: nou, in mijn tijd toen ik nog in dezelfde kroeg zoop als hij ( /- 15 jaar geleden) was hij toch niet echt populair bij het vrouwelijk smaldeel hoor. Hij zat toch meestal samen met dezelfde paladijn eenzaam aan een tafeltje zijn borreltje weg te tikken. Vrouwen ontving hij zelden

  12. 20

    @11: mee eens… Als je een modus hebt gevonden (of gekregen) die werkt dan kan je weer een poosje nuttigere dingen doen, zoals mooie proza en poezie maken. Toen ik HGE uithad en boodschappen ging doen viel me op dat andere fietsers zo naar me glimlachten. Tot ik merkte dat ik zelf van oor tot oor grijnsde… de euforie werkte nog een half uur na.

    Wellicht dat restricties wat betreft sex(isme) nog creatiever maken. ;-) De restringerende alexandrijnen zijn voor mijn een genot i.i.g….

  13. 21

    Het decor van zomergasten blijft je beter bij dan Ilja Leonard Pfeijffer, ik lees liever zijn boeken dan dat ik hem zie en hoor
    praten

  14. 22

    Beste Max,
    Je recensie inspireerde me tot het volgende gedicht:
    DE LAATSTE ZOMERGAST
    zondag 24 augustus zat Ilja Leonard op het dak van een caravan, omgeven door water
    zomergasten begon om 20.20 uur, maar het werd snel later
    voorbij kwamen de dichters Lucebert en Vondel
    in een van de filmpjes zag je ook een Venetiaanse gondel
    Toen Ilja Leonard van Lucebert geleerd had “dat alles mocht”
    Vloog hij met zijn gedichten uit de bocht
    hij liet voortaan alle regels varen
    en liet zijn eerdere gedichten voor wat ze waren
    daarnaast paste hij zijn leefstijl grondig aan
    liet de alcohol staan
    “de muze spreekt door de mond van de dichter”
    dat maakt het leven heel wat lichter
    voortaan een icetea op het terras
    aanvankelijk schaamte, omdat het geen alcohol was
    met dit decor van een imaginair waterballet
    heeft de VPRO een mooie televisieavond neergezet.

  15. 23

    Ik heb het nu omgedraaid: eerst de recensie gelezen en daarna de uitzending bekeken, in dat licht bezien. Een aanrader.
    ff over ‘Valerian and the City of a Thousand Planets’. De film is gemaakt naar aanleiding van de strip ‘Valérian et Laureline’, wat een trefzekerdere titel zou zijn gebleven, daar de ware held doorlopend Laureline blijkt te zijn. Ik zou zelfs zijn gegaan voor ‘Laureline et Valérian’. Die Valérian is een prutsertje.

  16. 24

    Ik vind Abbing af en toe behoorlijk irritant. Onderbreekt of vult te vaak in op momenten dat het net interessant wordt. Tenenkrommend. Ik pleit voor vernieuwing. Ik stel daarom voor: ‘Rianne van Dorst gaat zomergasten presenteren vanaf 2021’. Verfrissend, wars van pretenties. Erg goede interviewer, zeer slimme dame. Ik denk dat het programma hieraan toe is, de bezem erdoor, afstoffen, maar wel VPRO!

  17. 25

    @12: Bijzonder onsmakelijk deze achterflap en over smaak valt niet te twisten, dus doe dat niet. Zijn boeken zijn ook nauwelijks te pruimen: archaïsch, gezwollen taalgebruik en ken ik. “Filosofie van de heuvel” is wel aardig: dichter van ruim honderd kilo stapt op een dinsdagmiddag op de fiets, naar Rome en toenm. vriendin maakt foto’s onderweg. De tocht is belangrijker dan de aankomst, zegt hij, hoe bijzonder is dat!
    Hij ziet er vaak uit of hij de verkleedkist van zijn oma heeft geplunderd, image.