Klassieker | Oil!

Voor je plezier hoef je Oil!, van Upton Sinclair, niet te lezen. Toch kan de geschiedenisliefhebber er nog wat van leren, zegt Krekel.

RECENSIE - Op het succes van There Will Be Blood (2007) volgde hernieuwde belangstelling voor het boek waar het losjes op gebaseerd was: Oil!(1927), van Upton Sinclair (1878-1968). Voor wie de film goed vond en beter wil leren begrijpen is het boek inderdaad goed geschikt. Van sommige scènes in de film, waaronder de ‘I am an oil man’-speech bijna aan het begin, is zelfs bijna helemaal niets te begrijpen omdat ze vrijwel zonder context zijn overgenomen uit het boek, met als gevolg dat er soms wat ruimte ontstond voor speculatie over vermeende diepzinnige bedoelingen van de filmmaker, waar dan ook ten onrechte gebruik van werd gemaakt.

Houd voor een eventueel hermeneutisch gebruik van het boek wel in gedachten dat de film slechts is gebaseerd op grofweg het eerste eenderde deel van het boek, en dan ook nog vrij losjes en met de nadruk op de setting.

Tumbleweeds

Het boek opent in 1912 met een autorit door het droge en olierijke Zuid-Californië over een net aangelegde weg. In de auto zitten J. Arnold Ross (Daniel Plainview in de film), in het boek vooral ‘Dad’ genoemd, en zijn dertienjarige zoon J. Arnold Ross Jr. (in de film H.W.), die onder zijn bijnaam ‘Bunny’ fungeert als de hoofdpersoon. ‘Dad’ is dan al opgeklommen van een eenvoudige voerman met een pakezel tot een olieman van meer dan bescheiden formaat, iemand die niet slechts gebruikmaakt van de wegen, bespiegelt Bunny vanaf de passagiersstoel, maar iemand voor wie ze worden aangelegd. Reeds tijdens dit autoritje in het eerste hoofdstuk wordt de basis gelegd voor de rest van het boek, zowel dramatisch (de vader is een man van de praktijk, zijn zoon en beoogde opvolger een romanticus) als thematisch (‘Dad’ houdt zich niet aan de snelheidsregels, maar komt ermee weg omdat hij een ‘grote man’ is).

In het volgende hoofdstuk ontmoet Bunny de uitgehongerde Paul Watkins (in de film Paul Sunday). Paul is een paar jaar ouder dan Bunny en is onlangs weggelopen van huis omdat zijn familie te streng en te religieus was, leden van een soort Pinksterbeweging waar de mensen onder invloed van de Heilige Geest in trance raken en in tongen spreken. Zijn geloof in God heeft hij dus afgelegd, maar hij heeft eraan overgehouden dat hij in ethisch opzicht uitermate streng voor zichzelf is. Zo weigert hij bijvoorbeeld geld aan te nemen van Bunny en ‘Dad’, ondanks dat hij uitgehongerd is en geen slaapplek heeft, eenvoudigweg omdat hij er niet voor gewerkt heeft. Dit maakt zo’n diepe indruk op Bunny dat hij de rest van het boek bezeten blijft van Paul, die in het boek de rechtschapenheid zelf lijkt te belichamen.

Corruptie

Via de ontwikkeling van voornamelijk deze drie personages hoopt Upton Sinclair de systematische corruptie in de Amerikaanse samenleving aan de kaak te stellen. ‘Dad’ ontwikkelt zich van een redelijk succesvolle maar onbelangrijke olieman aan het begin van het boek, tot een serieuze concurrent van de grote jongens tegen het einde, waarbij hij het niet schuwt de ‘wielen van de democratie te smeren’ door af en toe iemand om te kopen, waaronder uiteindelijk, samen met wat zakenpartners, president Harding zelf. Paul Watkins wordt eerst een invloedrijk figuur in de arbeidersbeweging en later een Russisch-sprekende bolsjewist die banden met Moskou onderhoudt. De corruptie waar hij de lezer mee moet confronteren zijn onder meer de Amerikaanse missie in Siberië, waar Paul als soldaat naartoe wordt gestuurd en die uitsluitend ondernomen is om de belangen van Wall Street te waarborgen, en de behandeling van revolutionair Rusland door de geallieerden in het algemeen, inclusief de leugens die de kranten erover schrijven. Bunny krijgt als zoon van een oliemiljonair de status van playboy mee en is aanvankelijk een champagnesocialist, maar ontwikkelt zich door zijn fascinatie voor Paul steeds meer tot serieuze strijder voor de arbeidersrevolutie. Als hij tijdens zijn studententijd een socialistische krant probeert op te zetten maakt hij kennis met de tucht van zijn kapitalistische universiteit, de partijdigheid van kapitalistische nieuwsmedia, en later ook van de kapitalistische entertainmentindustrie als hij een relatie begint met een Hollywoord-ster die in anti-socialistische films meespeelt.

A dull, empty windbag …

In The Road to Wigan Pier noemt George Orwell Upton Sinclair in een rijtje van vijf ´dull, empty windbags´, een rakere beschrijving in evenzoveel woorden lijkt me niet mogelijk, en voor je plezier hoef je Oil! dan ook niet te lezen. Het boek is veel te lang (528 pagina’s) en veel te slecht (528 pagina’s). Tekenend voor de kwaliteit van het verhaal is dat wat lange tijd de centrale dramatische vraag lijkt te zijn (“Zal Bunny zijn vader opvolgen?”) niet overeenkomt met het antwoord in de climax (“Ja, hij vindt liefde”). Er wordt natuurlijk wel antwoord gegeven op die vraag, maar terloops, en ver voor de climax van het verhaal. Dat is alsof Simba halverwege de film alweer terugkeert naar Pride Rock, daar tussendoor even Scar verslaat om Leeuwenkoning te worden, om vervolgens de rest van de film wat doelloos te blijven aanmodderen met Nala, Timon en Pumba.

Dull

Dat het verhaal niet goed in elkaar steekt, zou te vergeven zijn als het boek niet zo vreselijk lang en saai was geweest. 528 pagina’s lang voert Sinclair personage na personage op, terwijl van de meeste daarvan de functies lang niet altijd duidelijk zijn, dramatisch noch thematisch. Bunny krijgt gedurende het boek bijvoorbeeld enkele relaties die helemaal worden uitgeschreven. De meisjes worden niet kort geschetst, wat voor het verhaal afdoende zou zijn geweest, maar volledig ingevuld, van hoe ze zich gedragen op school en wat hun ouders doen voor de kost tot aan hoe de ze zich verhouden tot hun ooms en tantes. Voor een schrijver is het uiteraard nuttig je personages goed te leren kennen, en om die reden komt het inderdaad van pas om zoveel mogelijk over ze uit te schrijven, het is alleen zo dat het gebruikelijker is om dat in je aantekeningen te doen en niet in het uiteindelijke boek, simpelweg omdat de lezer er niks aan heeft. Verder heeft Bunny thuis nog een zus, een tante en een oma wonen, en heeft daarnaast ook nog een moeder die in eerst in ‘Angel City’ (om wat voor reden dan ook moest Los Angeles in het boek Angel City heten) woont en later New York, met geen van allen heeft de lezer ook maar iets te schaften, maar wordt er wel steeds mee lastiggevallen. Iedere keer als je merkt dat Sinclair weer eens vervalt in zo’n compleet overbodige zijsprong wil je stukken overslaan of het boek zelfs helemaal aan de kant leggen, maar omdat dat niet deftig is moet je dus stierlijk verveeld en strontchagrijnig doorlezen.

Empty

Het predicaat ‘empty’ lijkt aanvankelijk het meest onnodig, als onderzoeksjournalist en als politicus heeft Sinclair immers genoeg meegemaakt om bekend te zijn met waarover hij schrijft. Des te kwalijker is het dus dat hij zo uit de bocht vliegt over (vooral) de Sovjet-Unie. Nadat Emma Goldman en Alexander Berkman in 1920 onder de ‘Anarchist Exclusion Act’ de Verenigde Staten uitgezet werden en naar Rusland reisden, kregen ze bij de stichting van de kersverse Sovjet-Unie vrijwel direct te horen dat vrijheid van meningsuiting een ‘bourgeoisie bijgeloof’ is. Deze en andere absurditeiten heeft Goldman vervolgens beschreven in My Disillusionment in Russia (1923) en My Further Disillusionment in Russia (1924). Het is dus niet zo dat er in 1927, het jaar dat Oil! uitkwam, buiten de verfoeide ‘kapitalistische pers’ om en naast het harde neerslaan van de Opstand van Kronstadt (1921) geen informatie beschikbaar was om een gezond wantrouwen jegens de aard van de Sovjet-Unie te rechtvaardigen. Tenenkrommend en eigenlijk beschamend is het dus hoe de Sovjet-Unie in dit boek als onomstreden bastion van rechtvaardigheid fungeert, volledig ondersteund door zowel de praktisch perfecte Paul als de hoofdpersoon Bunny, die op een bepaald moment euforisch wordt over de gedachte dat de Russische Revolutie zou kunnen overslaan naar de VS, en in gedachten al uitroept: ‘All power to the Soviets!’

Windbag

Elmore Leonard stelt in een van zijn min of meer befaamde ’10 richtlijnen voor het schrijven van fictie’ dat je per 100.000 woorden maximaal slechts twee of drie uitroeptekens dient te gebruiken. Voor Oil!, dat grofweg 220.000 woorden telt, zou dit dus op zo’n vijf of zes uitroeptekens uitkomen. Inclusief de titel telt het boek er echter maar liefst 1540. (Het zou me overigens verbazen als dat geen record is.) Dit aantal is -naast absurd hoog- een treffende illustratie van de toon van het boek. Het zijn in hoofdzaak ook niet eens de personages die zo schreeuwen trouwens, maar de verteller zelf (het boek is geschreven in de derde persoon), die geen gelegenheid ongebruikt laat om op zeurderige toon zijn duit in het zakje doen. Eén voorbeeld: in hoofdstuk tien stelt Bunny zijn (socialistische) professor voor aan ‘Dad’. Na afloop van de ontmoeting zegt ‘Dad’ tegen Bunny dat hij het een leuke ontmoeting vond en zijn dat professor een zeer prettige en intelligente man is. Om de hysterie van de pers over ‘rode propaganda’ (dit hoofdstuk speelt zich af tijdens de eerste ‘Red Scare’) te becommentariëren voegt de verteller daaraan toe: ‘You see how the Bolshevik propaganda was spreading!’

Nog in 1924 schreef Leon Trotski dat kunst geen spiegel is die je de samenleving voorhoudt, maar een hamer waarmee je haar in vorm ramt. Het kan toeval zijn, maar lijkt erop dat Sinclair die woorden voor het schrijven van Oil! ter harte heeft genomen, want werkelijk bijna ieder punt dat hij probeert te maken wordt naar huis geschreeuwd, en in het enige andere boek dat ik van hem heb gelezen, het klassiek geworden The Jungle uit 1906, was dat lang zo erg nog niet. (Hoewel dat overigens ook al niet uitblonk in subtiliteit, het socialisme wordt er bijvoorbeeld meerdere malen als het ‘ware christendom’ gepresenteerd en het eindigt in een bizarre euforie van utopische gedachten.)

Toch is lang niet alles even slecht

Sinclair is in een aantal dingen vrij goed. Zijn beschrijvingen van hoe corruptie werkt, bijvoorbeeld, en hoe gewiekst de achterkamertjes werken, ook in The Jungle was dit een van zijn sterkere punten, zijn erg geloofwaardig en leuk om te lezen. Een scène in hoofdstuk zes, waarin ‘Dad’ Bunny een lesje ‘maatschappijleer in praktijk’ geeft is daar een goed voorbeeld van. Omdat ‘Dad’ betere wegen nodig heeft om het materiaal voor zijn boortorens over te vervoeren, maar niet van plan is zelf voor de kosten op te draaien, wil hij dat de lokale overheid (county) daarvoor betaalt. Omdat er echter geld noch draagvlak voor een grootschalige renovatie van de wegen is, stappen ze het kantoortje binnen van een plaatselijke handelaar in veevoer, die naast zijn zaak ook actief is in de lokale politiek. Officieel heeft deze man geen functie binnen zijn partij, zodat hij nergens voor aansprakelijk kan worden gehouden, maar ondertussen is hij wel de baas. In ruil voor een klein deel van de winsten (‘Dad’ deelt het liefst procentjes uit, zo maak je mensen namelijk onderdeel van je organisatie, legt hij uit) klopt dit partijbaasje met behulp van wat vriendjes vervolgens het politieke draagvlak voor nieuwe wegen uit de lucht, op zo’n uitgekookte manier dat het van buitenaf net lijkt alsof de bevolking zelf om nieuwe wegen heeft gevraagd.

Wat verder zou kunnen bevallen zijn de beschrijvingen van het samenspannen van de zakelijke elite tegen de vakbonden, de arbeidersbeweging in het algemeen en in breder verband tegen het socialisme, en hoe je je daar als individuele werkgever eigenlijk niet aan kan onttrekken. Noam Chomsky betoogt wel eens dat uit zakelijke publicaties en interne overheidsdocumenten blijkt dat politieke en economische elites een soort intuïtieve marxisten zijn in termen van klassenstrijd en -analyse, maar dan uiteraard met de waarden omgekeerd. Sommige delen van Oil! vormen een nuttige illustratie van die gedachte. Na aandringen van Bunny probeert ‘Dad’ bijvoorbeeld concessies doen aan zijn stakende arbeiders, maar ondanks dat hij op papier zijn eigen baas is, lukt het hem niet het beleid van de overkoepelende ‘Petroleum Employers’ Federation’ (PEF) naast zich neer te leggen. Als zij voor de harde lijn gaan, moet ‘Dad’ meegaan. Doet hij dit niet kan hij gedwongen worden uit de PEF te stappen en zou hij bijvoorbeeld moeilijker aan leningen en materiaal kunnen komen, waardoor een faillissement onvermijdelijk wordt. En dat is nog zwijgen over wat zijn voormalige PEF-kameraden via de achterkamertjes allemaal voor elkaar zouden kunnen krijgen wanneer ze hun ‘pull’ zouden inzetten om zijn verraad te vergelden, bijvoorbeeld in publicitair of als ze echt boos worden in strafrechtelijk verband. Sociaal is het overigens ook gewoon ‘uncivil’ en ‘not done’ om zijn klassekameraden op een dergelijke loer te trakteren, ook al zijn het feitelijk concurrenten, het credo is nu eenmaal dat ‘men of property should stick together’.

Wie van geschiedenis houdt en het prettig vindt een beeld te krijgen bij historische gebeurtenissen, hoe gekleurd het perspectief ook is, zou het boek uiteraard ook interessant kunnen vinden. Er wordt ruime aandacht besteed aan onder andere de Eerste Wereldoorlog, de Oktoberrevolutie, de Russische Burgeroorlog die erop volgde, inclusief de geallieerde interventie daarin, de eerste ‘Red Scare’, de Drooglegging, en uiteraard het ‘Teapot Dome Scandal‘, dat voor Sinclair de directe aanleiding was om het boek te schrijven. Je zou er onder meer een déjà vu van kunnen krijgen en leren dat hamburgers in de VS tijdens de Eerste Wereldoorlog werden omgedoopt tot ‘liberty steaks’ en zuurkool tot ‘liberty cabbage’.

Tot slot zijn op de visuele beschrijvingen ook weinig aan te merken. Erg beeldend is vooral de scène waarin een ‘gusher’ (dat is wanneer aardolie onder hoge druk door het boorgat opspuit, in goed Nederlands een blow-out genoemd) vlam vat waardoor de omgeving tot in een paar dorpen verder wordt opgelicht. Om deze (visuele) redenen is het dus ook geen wonder dat Paul Thomas Anderson ervoor heeft gekozen delen van het boek te verfilmen, ondanks dat het voor de rest bepaald geen meesterwerk is.

Oil!, Upton Sinclair, 1927.

  1. 3

    Senks @Sikbock! …

    @1: In 1943 won hij nog wel de fictie-Pulitzer voor Dragon’s Teeth uit de Laney Budd-serie. Geen idee of dat wat zegt trouwens.

    Pumbaa, by the by, is met dubbel -aa. Ik snap niet waarom de redactie dat heeft geïncorrigeerd. De overige fouten en slordigheden neem ik wel (bijna) allemaal voor mijn rekening.