serie

Klassiekers

Sargasso-redacteuren en gastauteurs bespreken in de zomer van 2013 elke week een klassieker uit de Nederlandse literatuur.


Zen

RECENSIE - Ik las een paar droevige berichten deze week. Eerst overleed Robert M. Pirsig, een schrijver aan wie ik veel heb gehad. Vervolgens verschenen er diverse zure stukjes naar aanleiding van zijn overlijden, over wat er eigenlijk allemaal niet deugde aan het boek waarmee hij beroemd werd.

Sukkels.

Zen en de kunst van het motoronderhoud’ verscheen in 1974 (de Nederlandse vertaling is van 1976). Ik las het een jaar later, toen ik negentien was, en het boek zette in mijn leven heel veel dingen in gang.

Pirsig bracht een aantal zaken samen in één verhaal. Allereerst is hij op reis, op de motor, met zijn zoon. Je leert iets over Amerika, je leert iets over motoren, je leert iets over relaties, vooral over de relatie met jezelf. Want Pirsig had een troebel verleden en worstelde nog met zijn oude ik, uit de tijd dat hij aan schizofrenie leed. Hij vertelt daar open en helder over en alleen dat maakt het boek al bijzonder.

Maar het belangrijkste gebeurt daar tussendoor. Terwijl hij motorrijdt, afwast, aan zijn motor sleutelt, filosofeert hij over het begrip kwaliteit. Wat is dat nou precies? Of eigenlijk, wat maakt het leven boeiend en bijzonder? Of nog beter, hoe maak je je leven boeiend en bijzonder? Zelf geeft hij het boek als ondertitel mee: een onderzoek naar waarden.

De Kroonboekenclub | Karakter, van Ferdinand Bordewijk

COLUMN - Ieder boek dat je leest, plooit zich naar de tijd waarin je het leest. En zo las ik Karakter, de magistrale roman van Bordewijk uit 1938, ineens niet als een boek over hoe je door hard werken op kunt klimmen, hoe je als zoon vermorzeld kan raken tussen je vader en je moeder of over het vooroorlogse Rotterdam, maar als een boek over het feminisme.

Het boek gaat over Jacob Willem Katadreuffe, onwettig zoon van de deurwaarder Dreverhaven, die de naam van zijn moeder, de handwerkvrouw Katadreuffe aanneemt, en die op zekere leeftijd ineens tot grote ambitie wordt gedreven en zich dan, ondanks allerlei tegenwerking van zijn vader en kennelijke desinteresse van zijn moeder met hard werken weet op te werken tot advocaat. Maar op de achtergrond speelt de hele tijd de vraag een rol of en hoe vrouwen en mannen van elkaar verschillen, en vooral: wat dit betekent voor het werk.

In opkomst

Karakter speelt zich af in het interbellum, althans de periode waarin men zich ‘na de Oorlog’ waande. Het is ook de periode waarin vrouwen een plaats krijgen op de werkvloer: van de vier advocaten op het kantoor waar Katadreuffe wordt aangenomen is één vrouw. Al wordt zij daarover door haar mannelijke collega’s geregeld in de maling genomen – collega’s die zich als het feest is in de armen van ‘lichte vrouwen’ werpen –, die ene vrouw weet haar mannetje te staan. Zoals ook de telefoon op kantoor wordt aangenomen door een vrouw, hoewel de baas eigenlijk vindt dat zulk werk door een man gedaan moet worden. Die baas blijkt overigens een vrouw te hebben die beter auto’s bestuurt dan de mannen.

Foto: St.-Pietersnieuwstraat 132, Gent

Boekenweek! | Henri Pirenne

RECENSIE - Afgelopen zondag ben ik in Gent langs het huis aan de Sint-Pietersnieuwstraat 132 gewandeld waar de Belgische historicus Henri Pirenne (1862-1935) woonde, de auteur van Mahomet et Charlemagne. Het bleek een moderne bouwval. Zelfs geen gevelsteentje herinnerde aan de ooit beroemde bewoner, maar eigenlijk verbaasde dat me niet. Wie een écht belangrijk boek schrijft, zal zien dat zijn inzichten zó ingeburgerd raken dat niemand meer herkent dat je er anders over kunt denken, waarna degene die het heeft bedacht kan worden vergeten.

De vraag die Pirenne wilde beantwoorden, was waarom de Middeleeuwen zo’n ander karakter hadden dan de Oudheid. Er was een transitie geweest, zoveel was duidelijk. In het Romeinse Rijk was er interregionale handel, bloeiden de steden, betaalden de mensen met munten, beloonde de overheid zijn functionarissen in geld; in de Middeleeuwen was de handel beperkter, waren de steden kleiner, ruilde men producten en compenseerde de vorst zijn graven en hertogen door ze land in leen te geven. Wat was er gebeurd?

De negentiende-eeuwse visie, die in Nederland nog wordt aangehangen door de welbekende Leidse historicus M. Rutte, kwam erop neer dat barbaarse stammen het Romeinse Rijk onder de voet hadden gelopen: de Angelen en Saksen hadden zich gevestigd in Brittannië, de Franken in Gallië, de Visigoten en Sueben op het Iberische Schiereiland, de Vandalen in Tunesië en de Ostrogoten in Italië. De geschreven bronnen vermelden allerlei gevechten, we weten van serieuze militaire problemen, het staat vast dat Rome tweemaal is geplunderd en het is een feit dat het staatsapparaat in de westelijke provincies desintegreerde.

Boekenweek! | Tom Wolfe

RECENSIE - De organisatoren van de Boekenweek hebben in hun oneindige wijsheid besloten ‘Verboden Vruchten’ tot het thema van 2017 te maken. Conny Palmen doet er een boekje over open en vermoedelijk weet Herman Koch er ook wel raad mee in zijn Boekenweekgeschenk. Plus natuurlijk volop aandacht voor een vloed van schrijvers en schrijfsters die zich al ooit aan het onderwerp wijdden (of vertilden). Ik ging nog iets verder terug, naar 1968,  en vraag je aandacht voor een meesterwerk, dat helaas in de vergetelheid raakte.

Tom Wolfe, een icoon in Amerika, is in ons land vooral bekend door zijn romans, waarvan Het vreugdevuur der ijdelheden de meest opvallende is. Maar voor hij fictie begon te schrijven, was Wolfe eerst jarenlang journalist. En wat voor één. Zijn reportages, waarvan er een aantal ook in boekvorm uitkwamen, leken in niets op alles wat er daarvoor geschreven werd. Wolfe dompelde zich helemaal onder in zijn onderwerp en beschreef wat hij meemaakte op een uiterst persoonlijke, rauwe en buitengewoon beeldende manier. Bijna in zijn eentje zette hij een compleet nieuwe vorm van journalistiek op het menu van bladen als Vanity Fair en The New Yorker.

Zijn bekendste reportage in boekvorm ken je wellicht, omdat het later verfilmd werd: The right stuff, een heldenepos over het begin van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Maar al veel eerder ging Wolfe, aanvankelijk eigenlijk nauwelijks geïnteresseerd, op gevangenisbezoek bij Ken Kesey, de schrijver van One flew over the cuckoo’s nest, die was aangehouden voor het bezit van marihuana, in 1966 nog een ernstig misdrijf in de Verenigde Staten. (Hier is een leuk filmpje over Kesey.)

Foto: Andreas Hunziker (cc)

Klassiekers | De stille kracht

RECENSIE - “De stille kracht” is een merkwaardig boek: traag en belegen, maar ook stijlvol en intrigerend. En misschien progressiever dan Couperus ooit bedoeld heeft.

De beroemdste Nederlandse romans gaan bijna allemaal over Indië, over de oorlog, of over allebei. “De stille kracht”, waar ik me deze vakantie op gestort heb, behoort tot de eerste categorie. Marc van Oostendorp raadde eerder deze maand een gratis online-editie aan; zelf heb ik het boek ouderwets in gedrukte vorm tot me genomen.

Het verhaal gaat voornamelijk over getouwtrek tussen het Nederlandse koloniale bestuur en de inlandse adel, tussen resident en regent. Beide partijen bedienen zich daarbij van maffia-achtige tactieken: het is een spel van “toevallige” ongelukken, vage verdenkingen en dreigementen verpakt in vleierij. De geheimzinnig glimlachende Javanen zijn in het voordeel, want zij hebben de stille kracht aan hun zijde.

Het vervelende van Couperus lezen is dat je zijn stijl gaat overnemen: alles wat je denkt en schrijft, krijgt iets van dat deftige, dat trage – en vooral van die onnatuurlijk lang uitgerekte zinnen, bijeengehouden door een eindeloze massa komma’s, puntkomma’s, dubbele punten, liggende streepjes, doorlooppuntjes… Goed, ik hoop dat deze alinea daar afdoende bewijs van is.

En dan is er het wel erg bloemrijke proza waarmee Couperus zijn decor beschrijft. De beste man staat erom bekend, maar het is altijd weer even wennen als je een boek van hem openslaat en geconfronteerd wordt met ‘sterretintelluchten, waar, mystiek, het Zuiderkruis opdiamantte, of, Turksch half, de maan soms hoornde.’

Klassiekers | The Dark Knight Returns

RECENSIE - Ze moet al twee jaar uit zijn, Ger Apeldoorns vertaling van The Dark Knight Returns, het stripverhaal waarmee Frank Miller midden jaren tachtig de Batman-reeks nieuw leven inblies. Dus het stukje dat ik er nu aan wijd, is wat aan de late kant. Gelukkig is het een klassieker, en voor klassiekers is het nooit té laat om erover te schrijven.

Ook in het Nederlands is dit een van de meest duistere stripverhalen die ik ken. Weliswaar eindigt het op een noot van optimisme, maar in feite zegeviert het kwaad op alle fronten en ik realiseerde me pas dit weekend hoe totaal die overwinning is.

Dat heeft iets te maken met de (opzettelijk) chaotische wijze waarop het verhaal wordt verteld. De plot zelf zit echter vrij simpel in elkaar. Batman is al een tijdje met pensioen, maar Gotham City maakt een criminaliteitsgolf mee en de held besluit op geheel eigen wijze in te grijpen. Toevallig menen psychiaters dat zijn oude tegenstander Two Face is uitbehandeld en kan worden vrijgelaten. Deze gaat meteen het verkeerde pad op en Batman rekent met hem af.

Een criminele bende is het volgende slachtoffer, en als ook The Joker uit een inrichting wordt vrijgelaten en enkele tientallen moorden pleegt, rekent Batman ook met die oude vijand af. Hij weet echter dat er geen politieke dekking meer bestaat voor een superheld als hij en Batman laat zich, als de overheid Superman tegen hem uitstuurt, door hem doden. In de laatste plaatjes leren we dat Batman helemaal niet dood is, maar in feite een manier heeft gevonden om onopvallend te verdwijnen. In een spelonk, diep onder de aarde, traint hij een nieuw leger om de wereld van gespuis te bevrijden.

Foto: Het vreugdevuur der ijdelheden - Tom Wolfe

Klassiekers | Het vreugdevuur der ijdelheden

RECENSIE - Met ‘Het vreugdevuur der ijdelheden‘ van Tom Wolfe zijn wij getuige van de ondergang van Wall Street-boy Sherman McCoy. Dat is genieten. Want a) Tom Wolfe weet waarover hij het heeft en b) Tom Wolfe heeft het met heel veel liefde voor het woord (en voor ijdelheid) opgeschreven.

Eerlijk gezegd weet ik niet zeker of de letterkundigen het er al over eens zijn dat Het vreugdevuur der ijdelheden officieel een klassieker genoemd mag worden. Eigenlijk was mij gevraagd of ik voor deze serie De Avonden wilde behandelen. Aanvankelijk wilde ik dat wel. Het leek me wel wat om in het zonovergoten Languedoc mezelf weer eens onder te dompelen in de eindejaarsmijmeringen van Frits van Egters. De naderende kaalheid van zijn broer, de open staande poepflap van vader, de bessensap van moeder: wat wil een mens meer tijdens zijn vakantie? Maar toen ik er beter over ging nadenken, vond ik het toch weer wat ver gaan. Bovendien: waarom een klassieker lezen die ik al had gelezen?

Ik merkte al vrij snel dat ik met ‘Het vreugdevuur der ijdelheden’ een bijzonder gelukkige keuze had gemaakt. Ik had mezelf geen beter vakantieboek kunnen gunnen.  ‘Het vreugdevuur der ijdelheden’ is vrij eenvoudig samen te vatten: stinkend rijke Wall Street-jongen raakt betrokken bij een ongeluk in de Bronx waarbij een ‘veelbelovende zwarte scholier’ in een coma raakt en wordt zo het middelpunt van een mediahype, waardoor hij de controle over zijn leven verliest en machteloos zijn eigen ondergang tegemoet struikelt. Het boek stond al wat langer op m’n lijst, omdat het me wel interessant leek of de ondergang van obligatiehandelaar Sherman McCoy iets vertelt over de wereldwijde crisis waarin wij thans verkeren.

Klassiekers | Anna Karenina

RECENSIE - Oud Zeikwijf recenseert Anna Karenina van Lev Tolstoj, ‘de raakste roman over de liefde.’ Let op: spoiler alert.

Merkwaardig hoe een wezen zoals ik, dat geen ogenblik onbenut laat om met Dostojevski, Gontsjarov of Gogol te dwepen, driekwart van haar leven kon slijten zonder van Lev Tolstoj te hebben gehoord. Deze lacune, die waarschijnlijk kwam doordat ik de auteur vanaf mijn vroegste jeugd met Tchechov verwarde (die mij sinds een gruwelijk saaie uitvoering van La Ceriseraie in een Maison de la Culture in Frankrijk nimmer had aangesproken) explodeerde in al haar onwaarschijnlijkheid in mijn gezicht bij het zien van een biografische verfilming van zijn leven.

Kon het? Kon het zo zijn dat er ergens nog een klassieker te koop stond – sterker nog, een heel oeuvre! – die mij zou kunnen vervoeren zoals ze dat deden toen ik in de twintig was? Bijna 50, ik had het corpus van de voor mij interessante romans in een trits talen gelezen en zat al jaren op zwart zaad, bookwise speaking. Ik was een mens dat niet meer las. Een gewezen boekenworm. Nieuwere dingen waren soms best aardig… de Nederlandse bijna nooit. De calvinistische zuinigheid die mij elke dag van mijn ballingschap uit het vrolijke Frankrijk een last is, komt nergens zo cru over als in de literatuur. ‘Alleen primitieven bedienen zich van epitheten!’ riep een hedendaagse schrijver tegen mij. Of heb ik het ervan gemaakt terwijl hij simpel zei: ‘Jij gebruikt teveel bijvoeglijke naamwoorden.’ Hoe het ook zij, toen het besef was neergedaald dat er inderdaad wat voor mij te lezen stond, mailde ik slavist Wouter van den Berg de vraag waarmee te beginnen. Het werd Anna Karenina, in de vertaling van Lourens Reedijk.

Klassiekers | De naam van de roos

RECENSIE - In het begin was het woord, dat al vrij snel werd gevolgd door taalplezier. Mensen kunnen niet alleen communiceren maar hebben er ook over nagedacht hoe ze dat het prettigst en effectiefst doen. Een mooie metafoor verduidelijkt. Een elegante opbouw verheldert. Esprit houdt de aandacht vast. Wie woorden zo gebruikt dat mensen luisteren of lezen met plezier, communiceert effectiever.

Om het tekstplezier te vergroten, kun je gebruik maken van citaten. Je kruidt er je tekst mee en behaagt je lezer, die zich gevleid voelt omdat je een brede algemene ontwikkeling bij hem veronderstelt. De beste manier om te citeren is het niet al te nadrukkelijk te doen, zodat degene die de verwijzing herkent erom kan glimlachen, maar degene die haar niet herkent niet het gevoel heeft iets te missen. Het eerste gebod bij een goed citaat is, om Joost Zwagerman aan te halen, dat elke boerenlul de tekst moet kunnen blijven begrijpen.

Kampioen

Umberto Eco is kampioen citeren, en dat is niet zo vreemd, want hij werkte als hoogleraar semiotiek, een wetenschap die zich bezighoudt met tekens en verwijzingen. De naam van de roos, het boek waarmee hij in 1980 debuteerde, staat bol van de literaire verwijzingen. Een deel ervan valt in de Nederlandse vertaling erg op: als Eco uit de Bijbel citeert, doet hij dat namelijk in het Latijn, wat in een Nederlandse tekst overdrevener overkomt dan in een Italiaanse. Het onbedoelde resultaat is dat het boek in ons taalgebied het speeltje werd van een intellectuele klasse. Ik herinner me dat men destijds sprak van een roman door een professor voor professoren.

Foto: Ferran Moreno Lanza (cc)

Klassieker | Effi Briest

RECENSIE - Als er één klassieker in de Duitse literatuur is die de ongelijkheid tussen man en vrouw aan de kaak stelt, dan is dat Effi Briest. Deze roman van Theodor Fontane verscheen in 1896. Net als Anna Karenina en Madame Bovary is Effi Briest een realistische roman. Fontane concentreert zich niet alleen op de leef- en gevoelswereld van een jonge barones, hij slaagt er in om de motieven van alle personages en daarmee de Pruisische samenleving inzichtelijk te maken. Effi Briest is een hoogtepunt uit de Duitse literatuur, niet alleen vanwege de mooie taal, maar ook omdat het je de sleutel geeft om alle rolmodellen uit die tijd te kunnen begrijpen.

Effi wordt op haar zeventiende door haar ouders gekoppeld aan de twintig jaar oudere Geert von Instetten. Baron von Instetten is een goede partij, hij heeft voortreffelijke vooruitzichten. Het enige wat Effi zorgen baart, is dat haar aanstaande man er nogal wat principes op nahoudt. Effi houdt niet van regels, zij houdt juist van het gevaar. Na de bruiloft gaat het stel in een afgelegen badplaats in Vorpommern wonen. Geert von Instetten neemt zijn huwelijk serieus, maar zijn carrière ook. Daardoor is Effi vaak op zichzelf aangewezen in het saaie dorp Kessin. Majoor Crampas verschaft haar afleiding, samen rijden ze graag paard over het strand en door de bossen. Over de precieze aard van de relatie zwijgt Fontane, maar door de briljante dialogen valt er genoeg te raden voor de lezer.

Foto: Nikki Karam (cc)

Klassieker | Oil!

Voor je plezier hoef je Oil!, van Upton Sinclair, niet te lezen. Toch kan de geschiedenisliefhebber er nog wat van leren, zegt Krekel.

RECENSIE - Op het succes van There Will Be Blood (2007) volgde hernieuwde belangstelling voor het boek waar het losjes op gebaseerd was: Oil!(1927), van Upton Sinclair (1878-1968). Voor wie de film goed vond en beter wil leren begrijpen is het boek inderdaad goed geschikt. Van sommige scènes in de film, waaronder de ‘I am an oil man’-speech bijna aan het begin, is zelfs bijna helemaal niets te begrijpen omdat ze vrijwel zonder context zijn overgenomen uit het boek, met als gevolg dat er soms wat ruimte ontstond voor speculatie over vermeende diepzinnige bedoelingen van de filmmaker, waar dan ook ten onrechte gebruik van werd gemaakt.

Houd voor een eventueel hermeneutisch gebruik van het boek wel in gedachten dat de film slechts is gebaseerd op grofweg het eerste eenderde deel van het boek, en dan ook nog vrij losjes en met de nadruk op de setting.

Tumbleweeds

Het boek opent in 1912 met een autorit door het droge en olierijke Zuid-Californië over een net aangelegde weg. In de auto zitten J. Arnold Ross (Daniel Plainview in de film), in het boek vooral ‘Dad’ genoemd, en zijn dertienjarige zoon J. Arnold Ross Jr. (in de film H.W.), die onder zijn bijnaam ‘Bunny’ fungeert als de hoofdpersoon. ‘Dad’ is dan al opgeklommen van een eenvoudige voerman met een pakezel tot een olieman van meer dan bescheiden formaat, iemand die niet slechts gebruikmaakt van de wegen, bespiegelt Bunny vanaf de passagiersstoel, maar iemand voor wie ze worden aangelegd. Reeds tijdens dit autoritje in het eerste hoofdstuk wordt de basis gelegd voor de rest van het boek, zowel dramatisch (de vader is een man van de praktijk, zijn zoon en beoogde opvolger een romanticus) als thematisch (‘Dad’ houdt zich niet aan de snelheidsregels, maar komt ermee weg omdat hij een ‘grote man’ is).

Foto: Piet Schreuders (cc)

Klassieker | De donkere kamer van Damokles

RECENSIE - “De donkere kamer van Damokles” is niet voor niets een klassieker. Het is een dijk van een boek, met een duidelijk thema verwerkt in een ijzersterk verhaal.

Stel, het is 1940 en je bent een jonge man die zijn dagen slijt achter de toonbank van een sigarenwinkel, onder de plak bij zijn lelijke vrouw. Dan biedt de chaos die ontstaat na de Duitse inval een aantrekkelijke kans om aan de sleur te ontsnappen. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Een verzetsheld zijn blijkt nog knap lastig, en als je je dan eindelijk een held voelt, krijg je te horen dat er juist geen behoefte is aan helden! Dan weet je ook niet meer over welke boeg je het gooien moet.

Willem Frederik Hermans rekent in “De donkere kamer van Damokles” genadeloos af met de helden uit de talloze jongensboeken over de Tweede Wereldoorlog. Wie het eenmaal gelezen heeft, is meteen van eventuele heroïsche ambities genezen: een held zijn is niet makkelijk, niet leuk en eigenlijk ook nergens goed voor.

Vijftig tinten grijs

Als de krankzinnige moeder van hoofdpersoon Osewoudt aan het begin van het boek zijn vader vermoordt, is de toon gezet. Want donker is het zeker in “De donkere kamer van Damokles”: Osewoudts belevenissen zijn één en al ellende. Er heerst over het algemeen ook een kille, afstandelijke sfeer, al was het alleen maar doordat personages zelden bij hun voornaam genoemd worden (zelfs niet in dialogen).