A message you can’t tuna out

Hier weer een bijdrage die we overnemen van Osocio. Deze site volgt wereldwijd “social adverting and non-profit campaignes”. Okay, the pun stinks. But what’s even more foul is what we are doing to our oceans through unsustainable fisheries. This ad from WWF South Africa, is a graphic representation of “bycatch”, which is the sea life killed and wasted by some commercial fishing techniques: Copy: Only a tenth of the catch in long line tuna fishing is actually tuna. Most commercial fishing gear is not completely selective. As a result many endangered sea animals are also captured. To ensure the fish you buy is caught in a way that is environmentally friendly, text our fishms number (079 499 8795) with the type of fish and you’ll receive an sms back as to whether it’s in the red, orange or green category. This ad is particularly timely for me, since my 5-year-old son has started telling off our neighbourhood fishmonger for selling monkfish.

Door: Foto: Sargasso achtergrond wereldbol
Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Hubris, Tjeenk Willink en het regeren

Het Griekse woord voor overmoed dringt zich op, bij het aanzien van het gespartel in de formatie. Er is een rechtse meerderheid, vindt rechts. De politiek is gepolariseerd, zegt men ook. Maar je moet wel goed kijken en tellen. De 76 zetels van de rechtse combinatie bleken ineens niet genoeg toen Klink zijn brief schreef: 76-3= 73. Maar toen hij uittrad weer wel: 76-2= 76. Of telt men inmiddels 2 SGP zetels mee?

Zoals ik hier eerder schreef (“Kromme tenen, Majesteit”) zullen individuele leden van CDA en VVD andere standpunten hebben, dan de ondersteunende PVV, vooral op principiële terreinen als mensenrechten, internationale betrekkingen en rechtsstaat. Omgekeerd ook: de PVV toont zich sociaal economisch eerder een natuurlijke bondgenoot van de SP, waarmee veel leden van de VVD en het CDA moeite zullen hebben. Maar over welke standpunten hebben we het dan? De Bloem der Natie heeft zich onder leiding van de heer Opstelten gebogen over een regeerakkoord, waar Rutte blij mee is, namens “rechts Nederland”. Maar waar gaat het echt over? Wat te doen met de woningmarkt? Met de arbeidsmarkt? Met de overheidsfinanciën? Met de hervorming van het openbaar bestuur? Met de pensioenen?

Rutte heeft zich veel veroorloofd, jegens de Koningin en zijn politieke collega’s. Beatrix had voor de afrekening maar drie uur nodig, maar Rutte had haar goed begrepen zo bleek bij de uitgang van het paleis. Misschien moet Thomas Ross over dit gesprek eens wat fantaseren en een leuke eenakter schrijven. Maar ook minder actieve partijen verdienen ons hoongelach. De sociaal-democraten, met wie sedert 1925 “alleen in uiterste noodzaak” mag worden geregeerd, begrijpen nog steeds niet hoe de weerzin tegen hen te vermijden. Sterker: die wordt aangemoedigd. De Telegraaf vindt bij een kopieermachine een strategienota van de PvdA over de komende oppositie. Een driedubbel fout:
– polarisatie en een rechtse combinatie ontstaan niet als natuurverschijnsel, maar pas als de twijfelaars bij VVD en CDA zijn geharnast in een strakke fractiediscipline;
– de mogelijke bondgenoten in de oppositie wegzetten als ouderwets (SP) of neoliberaal (D66 en GL) en in een adem de leiding claimen, is domme en arrogante politiek.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Rekenkunst uit het Jaar Nul

Hoe is het mogelijk dat het vermeende geboortejaar van een bijbels personage genaamd Jezus van Nazareth ruim 2 millennia later nog steeds gebruikt wordt als ijkpunt voor de westerse jaartelling; en daarmee voor die van de hele moderne wereld? (Merkwaardig genoeg ook door overtuigde atheïsten!) Het lijkt een harnekkige erfenis uit de vroege Middeleeuwen.

Beda Venerabilis //afb: wikimedia commons

Onze van oorsprong Romeins-christelijke jaartelling werd pas in 525 opgesteld door de Scytische monnik Dionysius Exiguus. Tot dan toe werden jaren gedateerd aan de hand van de consuls die regeerden over Het Eeuwige Rome, hoewel jaartallen soms ook werden berekend als de tijdsduur die verlopen was sinds de stichting van de stad – ab urbe condita – in 753 v. C. De telling van Dionysus Exiguus raakte overigens pas echt in zwang nadat de Engelse monnik Beda Venerabilis, de eerbiedwaardige Bede (672-735), rond 731 zijn zeer invloedrijke Historia ecclesiastica gentis Anglorum uitbracht.

De concurrerende islamitische kalender heeft als begindatum gekozen voor 16 juli 622, ná Christus uiteraard. Dit is overigens niet de geboortedag van de belangrijkste profeet van de islam; Mohammed werd namelijk geboren rond 570. Het is wel het jaartal van diens gedwongen migratie vanuit Mekka naar de stad Yathrib, het latere Medina. Deze veelbewogen reis, de hidjra, vormt al sinds 638 het ijkpunt voor de islamitische jaartelling. Jaartallen worden analoog aan Anno Domini, gedateerd met het gelatiniseerde achtervoegsel AH (Anno Hedgira).

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Cartoon Kifah Al-Reefi (Deel 2)

Van cartoonist Kifah Al-Reefi kreeg GeenCommentaar weer enige tekeningen toegestuurd. Voor sommige mensen is het lastig dat hij geen bijschriften bij zijn cartoons levert. Bij een atelierbezoek vroeg iemand hem eens wat een bepaald cartoon betekende. Kifah zei toen dat de vraagster dat zelf mocht bedenken.

Vijf zondagen lang plaatst GC een cartoon van Kifah. Naast alles wat jullie maar kwijt willen, kun je ook een comment sturen met als titel Bijschrift, gevolgd door je bijschrift.

Na afloop van de serie ontvangt de wat mij betreft beste inzending een exemplaar van het boek ‘Ik, Driss‘ van Driss Tafersiti (pseudoniem van Asis Aynan) als prijs.

Bedenk een passend bijschrift (Cartoon: Kifah Al-Reefi)

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Fluisteraars

  • Orlando Figes, Fluisteraars.
  • Het dagelijks leven onder Lenin en Stalin.
  • Witsand Uitgevers, Gent, 2010.
  • 640 p. ISBN 978 90 4680 487 2
  • 2ehands vanaf € 49,80

    Dit is een gastbijdrage van Jef Abbeel.

    Orlando Figes (1959) is hoogleraar in Londen. Hij schreef al een vijftal boeken over de Sovjetgeschiedenis, die telkens een ander aspect ervan behandelen.

    “Fluisteraars” gaat over het leven van Russen, Oekraïners en vele andere volkeren in het Sovjetrijk in de periode van 1917 tot 1953. Het is al vertaald in 20 talen, maar helaas niet in het Russisch. Russische uitgevers en historici blijken nog geen interesse te hebben of schrikken ervoor terug.

    Zoals de titel doet vermoeden, verliep het leven van de toenmalige sovjetburgers in een sfeer van angst. Het boek had even goed “Angst ten tijde van Stalin” kunnen heten. Mensen fluisterden, omdat ze bang waren om te worden afgeluisterd. Elk woord kon doorverteld worden aan de geheime dienst en kon arrestatie tot gevolg hebben. Niemand wist wie allemaal informant was van dat instituut. Velen waren zo ongerust, dat man en vrouw tegen elkaar zwegen over hun houding tegenover het regime en over hun afkomst. Want een “bourgeois” verleden kon volstaan om in een werkkamp te belanden.

    Het was zelfs zo erg, dat velen permanent een koffertje hadden klaar staan voor de mogelijk enige reis in hun leven : die naar het werkkamp in de noordelijke of oostelijke goelag. Zeker in de jaren 1937-1938 stond dit reiskoffertje klaar, ook bij trouwe aanhangers van het regime. En helaas was het dikwijls nodig. Weinig families ontsnapten aan de gevreesde klop op de deur. En wanneer die er kwam, stonden de mensen zo verstijfd dat het leek alsof ze nog schuldig waren ook. En zelfs dan namen sommige vaders afscheid met als laatste woorden : wees een goed communist.

    Figes heeft voor deze studie de medewerking gekregen van Memorial. Dit is een Russische organisatie die de terreur tijdens het sovjetregime onderzoekt en getuigenissen van nog levende slachtoffers verzamelt. Bij meer dan duizend bejaarden (van 70 en meer) werd een interview afgenomen. Daarvan zijn er 450 verwerkt in dit lijvig boek. De andere staan op de site : www.orlandofiges.com
    Figes beperkte zich niet tot deze oral history : hij onderzocht de dossiers, brieven, dagboeken in Russische archieven. Zo wapent hij zich preventief tegen het mogelijke verwijt dat mondelinge getuigenissen na 70 jaar misschien niet meer beantwoorden aan de normen van de historische kritiek, dat deze mensen bepaalde zaken vergeten zouden zijn of zelfs nu nog bang zijn om erover te vertellen.
    Dan blijkt dat vele slachtoffers pas nu, aan het einde van hun leven, durven spreken, ook de behoefte voelen om hun lijdensverhaal door te geven. En de dossiers blijken hun getuigenissen te bevestigen.
    Bij de vragen die telkens voorkwamen waren : welke invloed had het leven in een terreurregime op je relaties met je familie, vrienden en buren ?
    Hoe probeerde je te overleven ?
    De antwoorden zijn onthutsend en schrijnend. Ze vertonen heel vaak overeenkomsten met het onvolprezen boek van Nina Loegovskaja, “Ik wil leven. Het geheime dagboek van een 40.Russisch meisje tijdens het Stalin-bewind”, Uitgeverij WPG, Antwerpen, 2004. Eigenaardig genoeg wordt het hier niet geciteerd.

    We geven ter illustratie enkele concrete voorbeelden van het leven in het toenmalige sovjetrijk. De revolutionairen stelden zeer hoge eisen aan hun onderdanen en aanvankelijk ook aan zichzelf (later bedachten ze het nomenclatura- systeem, zodat zij zelf niets te kort kwamen).
    Het privé-leven moest totaal ondergeschikt zijn aan de communistische zaak en aan de communistische heilstaat. Er waren gelijkenissen met het kloosterleven bij ons voor 1965. De communisten moesten 7 dagen op 7 en 24 uur op 24 in dienst staan van de revolutie en daardoor de opvoeding van hun kinderen overlaten aan anderen, bij voorbeeld aan de grootouders of aan kindermeisjes uit de dorpen. Deze brave mensen gaven hun dikwijls een …zeer traditionele opvoeding, met de christelijke waarden van de orthodoxe kerk in plaats van de revolutionaire. Doopsels e.a. riten vonden plaats in het geheim. Van hun echte ouders kregen ze weinig liefde en affectie.
    Op de schoolbanken en in de komsomol ( communistische jeugdbeweging ) leerden ook zij dat ze alles moesten opofferen voor de revolutie, inclusief anderen verraden. Die anderen, dat waren de “bourgeois”, koelakken ( kleine zelfstandige boeren), maar ook hun buren, ouders, broers of zussen, als die het waagden om een verkeerd woord over de partij of het systeem te zeggen.
    Het familiaal leven van miljoenen rode proletariërs werd volledig gefnuikt door het systeem van de kommoenolka’s. Dit waren flatgebouwen, waar alles gemeenschappelijk was voor vier of veel meer families. Dit had wellicht ook enkele leuke kanten, maar elke vorm van privacy werd in de kiem gesmoord. Figes geeft een plattegrond van zo een flat (194) : in één kamer stonden alle eenpersoons bedden van grootvader, grootmoeder, vader, moeder, zoon, dochter.
    65.’s Nachts sliepen de kinderen achter een geïmproviseerd scherm, om te voorkomen dat ze toekeken wanneer de ouders en grootouders naar bed gingen.
    Verder was er één eettafel, een boekenkast, wastafeltje, schrijftafeltje, een paar stoelen, een kist onder een bed en een kapstok, dus niet eens een kleerkast. Het fornuisje was veel te klein. Eigenlijk was dit nog luxe, want er was toch een gemeenschappelijk keuken.
    De gemeenschappelijke keuken, badkamer en toilet vormden dagelijks het toneel van conflicten en waren een bron van constante ergernis. Alle families wilden ’s avonds rond dezelfde tijd koken, nadat ze soms al een paar uur verloren hadden met in de rij te staan voor wat brood, altijd dezelfde, uitsluitend inlandse groenten en minderwaardig vlees. Want het betere vlees werd geëxporteerd en tot 1990 zag de sovjetburger en de onderdaan in het Oostblok geen buitenlands fruit zoals sinaasappelen en bananen. Menigeen wilde rond dezelfde tijd onder de vuile douche of naar het nog smeriger toilet. Soms was er één toilet voor 48 (achtenveertig ) mensen ! Iedereen was gespannen en irritaties waren onvermijdelijk.
    Tussen de kamers van de verschillende families was de geluidsisolatie quasi nihil. Gesprekken in de nabijgelegen kamers waren woordelijk te verstaan, zodat de families leerden fluisteren, zeker over politiek of over hun eigen afkomst. Het Russische woord “sjeptoen” is fluisteraar, in de betekenis van verklikker. “Sjeptoesjik” is neutraler, voor een fluisteraar die bang is om gehoord en verklikt te worden.
    Wie bij de adel of de geestelijkheid was ( geweest), uit de bourgeoisie kwam, kind was van een tsaristische officier of van een koelak (kleine zelfstandige boer), stond op de zwarte lijst en liep een groot risico voor het minst verraden te worden, hoewel hij of zij alle vroegere voorrechten en bezit kwijt was. Meer nog : zij werden tot paria gedegradeerd en kregen weinig kansen om verder te studeren . Zo wou men voorkomen dat er een nieuwe klasse ontstond.
    In de sovjetmaatschappij was de sociale mobiliteit, de kans om vooruitgang te maken, heel groot, maar in beide richtingen : de rode proletariër kon de sociale ladder beklimmen, maar de voormalige elite, bekwaam of onbekwaam, werd als klassenvijand ofwel fysiek uitgeschakeld ofwel van de ladder afgeduwd.
    Elke gedachte aan persoonlijk geluk was schandelijk en moest worden onderdrukt, opgeofferd voor een beter bestaan in de toekomst. “Vuile intellectueel” en “egoïst” waren de ergste scheldwoorden. Een agent van de geheime dienst, die uit naam van de revolutie de ijzerhandel van zijn eigen vader confisqueerde, werd toegejuicht door de idealisten van de komsomol en kreeg een voorbeeldfunctie.
    Het huwelijk werd afgedaan als een burgerlijke conventie, dus iets van het Ancien Regime, dat voorgoed tot het verleden moest behoren. Relaties gingen vaak stuk, doordat één van 100.beiden de revolutie belangrijker vond dan de partner. In 1927 vaardigde de partij zelfs een officiële richtlijn uit dat iedereen “contrarevolutionaire gesprekken” moest rapporteren.

    De verklikkingsmanie bereikte mythische proporties met Pavlik Morozov (134-137, 140-141, 174, 311,314,317). Dit jongetje van 15 zou in 1932 zijn vader bij de politie aangegeven hebben als koelak. De vader was een eenvoudige, hardwerkende boer, die met het Rode Leger had gevochten en voorzitter was van de dorpssovjet(134). Hij werd veroordeeld tot dwangarbeid en later doodgeschoten.
    Meteen werd er een Pavlik – cultus gecreëerd : in verhalen, films, gedichten, toneelstukken, liedjes, … was hij de perfecte pionier. Elk kind kreeg de plicht zijn vader of leraar te verklikken, als die “zich niet hield aan de sovjetwetten”.
    In de jaren ’30 ontaardde dit in een massafenomeen, zeker in de jaren ’37 en ’38. Verklikking bevorderde de terreur, maar was er niet de oorzaak van.
    De terreur was een doelbewuste massamoord, om de absolute macht te behouden. De geheime dienst legde daarbij lijsten aan van koelakken en andere “vijanden van het volk” en waarbij elke dorpssovjet zijn quotum moest halen. En als ze het getal niet haalden bij de “volksvijanden”, werd het aangevuld op basis van loting ! Niemand was nog veilig en men kon van vandaag op morgen veranderen van trouwe medewerker van Stalin of trouwe officier in volksvijand.
    Kinderen en jongeren moesten overal allerlei formulieren invullen : op school, bij de jeugdbeweging, in de fabriek. Als ze aankruisten dat er ooit een familielid gearresteerd was, werden ze zelf uitgesloten. Zo leerden ze dus liegen om te overleven.

    En om te overleven, moest men vaak collaboreren. Schrijver en parlementslid Konstantin Simonov (1915 – 1979) wordt hier uitgebreid aangehaald als overtuigend voorbeeld. Hij had aristocratische ouders, leefde daarom permanent in angst en gedroeg zich daarom als model voor de anderen. Of toch in bepaalde opzichten, want hij was tegelijk vriend en verrader, “gelovig utopist” en twijfelaar, trouwe minnaar en trouweloze echtgenoot, beschermengel en bange parasiet. Alleen al in het register krijgt hij anderhalve pagina (764 – 765).

    Arrestaties verliepen vaak volgens een zelfde patroon. Velen die werden aangehouden, boden geen enkele vorm van verzet, ze zaten erbij als geslagen honden, verstijfd van de schrik en ze ondergingen alle vernederingen. Bekentenissen werden afgedwongen met de ergste folterpraktijken.
    Wie verbannen werd naar het barre noorden of oosten, kwam terecht in ijskoude niemandslanden, waar alles nog uit de grond gestampt moest worden : er waren geen huizen, geen water, geen voedsel. Steden ( zoals Magnitogorsk), ontstonden op de lijken van miljoenen doden. 25 miljoen mensen werden het slachtoffer van de terreur. Bijna elke familie werd geconfronteerd met arrestatie, deportatie. Daar mag je nog tientallen miljoenen doden bijtellen, die omkwamen van honger of door de 2° W.O.

    Er waren ook een groot aantal “believers”, die het gevoel of de overtuiging hadden dat ze persoonlijk deel uitmaakten van de wereldrevolutie, die op elk moment kon uitbreken en die van alle mensen broeders zou maken. Vanaf hun jeugd waren ze op school, bij de pioniers, in de komsomol en in de partij geïndoctrineerd met en doordrongen van de waarden van de ideale sovjetmaatschappij en met begrippen zoals “vijanden van het volk”.

    Soms vergelijkt Figes het Stalinisme met het nazisme : het eerste duurde veel langer en kon in eigen land en nadien in de satellietstaten dus veel meer levens vernietigen. Beide systemen waren antisemitisch, maar in Rusland ontaardde dat niet in massale uitroeiingskampen met gaskamers en verbrandingsovens. De geheime dienst telde te veel ongeschoolde, zelfs domme krachten, waardoor hij minder efficiënt was dan de Gestapo ( of dan de latere Stasi). Figes had deze vergelijking wat meer mogen uitdiepen of verwijzen naar Richard Overy, “Dictators. Hitlers Duitsland, Stalins Rusland” (WPG, Antwerpen, 2005).

    Een paar kleine opmerkingen. Een verklarende woordenlijst ontbreekt. Begrippen zoals koelak en komsomol zijn bekend, maar kommoenalka, sjeptoen , sjeptoesjik niet. Het boek is rijkelijk voorzien van noten en een register, maar het mist een overzichtelijke bibliografie.

    Tot slot : Figes onderzoekt, beschrijft, analyseert, vergelijkt, nuanceert. Het uiteindelijke oordeel laat hij grotendeels over aan de lezer. Hij heeft een begenadigde schrijfstijl. Zijn boek is te dik om in één trek uit te lezen, figuren zoals Simonov hadden iets minder pagina’s mogen krijgen, maar eens je eraan begint, blijft het je intrigeren.

    Het Rusland van Poetin en Medvedev biedt de mensen eindeloos meer ademruimte, de kans om de wereld te verkennen, meer mogelijkheden om economische vooruitgang te maken, maar wie hardop kritiek durft te uiten op de corruptie, riskeert nog altijd in Siberië te belanden of met vergif of kogels uitgeschakeld te worden.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Waarom helpen we de Pakistanen niet?

Help slachtoffers overstroming Pakistan (Foto: SHO)

Waarom zouden we geld geven voor Pakistan als dat geld niet bij de juiste mensen terecht komt maar bij een corrupte overheid en de Taliban, en christenen door de moslims van hulp worden uitgesloten? Waarom zouden we geld geven als de meeste hulp de slachtoffers niet bereikt en veel van ons geld wegebt? Het zijn vragen die de laatste weken regelmatig de revue passeren. Maar berusten ze wel op waarheid? En is het wellicht in ons eigen belang om de Pakistanen te helpen?

Laten we eerst de omvang van de ramp nog even in ogenschouw nemen. Ban Ki-Moon noemde de watersnood in Pakistan een “slow-motion tsunami‘. OCHA spreekt over een ramp, omvangrijker dan de tsunami en de aardbeving in Zuid-Azië en de aardbeving op Haïti. En daar is ook alle reden toe.
Het dodental staat nu op 1752, er zijn 2701 mensen gewond en ruim 1,8 miljoen huizen beschadigd. De ramp raakt volgens de laatste cijfers 20,5 miljoen mensen, wier situatie in de komende tijd zonder hulp aanzienlijk zal verslechteren. Giro 555 heeft tot nu toe bijna 21,4 miljoen euro ingezameld, een bedrag dat schril afsteekt tegen de opbrengst van eerdere acties voor de slachtoffers van de tsunami (208 miljoen) en de aardbeving op Haïti (114 miljoen).

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Vorige Volgende